Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:2000

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
AMS 20/1228
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De gemeente Amsterdam mocht de bijstandsuitkering van een Amsterdamse vrouw stopzetten, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met de vader van haar kinderen zonder dit te melden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/1228

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Mathoerapersad),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: B.A. Veenendaal).

Procesverloop

Met het besluit van 20 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bijstand van verzoekster op grond van de Participatiewet (PW) ingetrokken met ingang van

17 februari 2020.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, primair inhoudende dat het bestreden besluit wordt geschorst.

De behandeling van het verzoek stond ter zitting geagendeerd op 18 maart 2020, maar is geannuleerd in verband met de landelijke maatregelen als gevolg van het coronavirus.

Op 16 maart 2020 heeft de gemachtigde van verzoekster aangegeven dat verdaging van de behandeling van het verzoek niet gewenst is en dat een schriftelijke afdoening - middels een reactieronde per e-mail – de voorkeur heeft. De gemachtigde van verweerder heeft op diezelfde datum per telefoon aangegeven hiermee akkoord te zijn.

Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij e-mailbericht van

17 maart 2019 gereageerd op de door verzoekster aangevoerde gronden. Verzoekster heeft hier op haar beurt bij e-mailbericht van 19 maart 2020 op gereageerd. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Aanleiding van deze procedure

1.1.

Verzoekster ontvangt sinds 24 juni 2015 een bijstandsuitkering laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij woont samen met haar twee kinderen op het adres [adres] (hierna: het uitkeringsadres). De vader van deze kinderen is de heer [naam] . Hij staat niet in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het uitkeringsadres.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding - die luidt dat verzoekster al jaren samenwoont met [naam] - heeft verweerder een onderzoek naar het recht op bijstand van verzoekster gestart. Nadat de auto van [naam] meerdere malen in de buurt van het uitkeringsadres werd gesignaleerd, is besloten om op 17 februari 2020 een huisbezoek af te leggen. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van

19 februari 2020.

1.3.

In dit rapport wordt geconcludeerd dat verzoekster in elk geval met ingang van 17 februari 2020 een gezamenlijke huishouding met [naam] voert, gezien de volgende omstandigheden:

- Verzoekster rijdt in een auto die op naam staat van [naam] .

- De woning op het uitkeringsadres ligt vol met persoonlijke spullen van [naam] , zoals kleding, accessoires, verzorgingsproducten, administratie en spullen van zijn werkgever.

- [naam] slaapt op het uitkeringsadres; de stelling van verzoekster dat dit één dag per week is, is gelet op de aangetroffen spullen niet aannemelijk.

- Er zijn op het uitkeringsadres beleenovereenkomsten bij de stadsbank op naam van [naam] aangetroffen en ook een machtiging waarmee hij verzoekster machtigt ten aanzien van beleende goederen.

- Er zijn nota’s aangetroffen van online door [naam] aangeschafte producten die zijn afgeleverd op het uitkeringsadres.

- Verzoekster en [naam] hebben samen twee kinderen.

1.4.

Met het bestreden besluit heeft verweerder het recht op bijstand van verzoekster ingetrokken met ingang van 17 februari 2020, omdat ervan uit mag worden gegaan dat verzoekster een gezamenlijke huishouding met [naam] voert en zij samen voldoende middelen hebben om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij hebben namelijk dezelfde woning als hoofdverblijf en hebben samen kinderen, wat volgens verweerder een onweerlegbaar rechtsvermoeden meebrengt.

Standpunten verzoekster

2. Volgens verzoekster is er geen sprake van een gezamenlijke huishouding, omdat [naam] zijn hoofdverblijf niet in haar woning heeft. Zij stelt daartoe het volgende. [naam] wordt voor zijn werk steeds naar het buitenland uitgezonden. Hierdoor is hij doordeweeks niet in Nederland en kan hij feitelijk niet met verzoekster samenwonen. Hij is slechts in het weekend in Nederland. In het weekend slaapt hij bij zijn moeder in [woonplaats] , op wiens adres hij in de brp staat ingeschreven en waar hij zijn post ontvangt. Ook zijn huisarts en apotheek zijn in [woonplaats] gevestigd. Gemiddeld verblijft hij één nacht per weekend bij verzoekster, dit om bij de kinderen te kunnen zijn. Zijn auto stelt hij beschikbaar aan verzoekster zodat zij de kinderen naar school kan brengen. De lasten voor deze auto betaalt hij zelf. Omdat zijn eigen woning een paar jaar terug is ontruimd en hij gemiddeld één keer per week bij verzoekster slaapt, heeft hij een deel van zijn kleding en schoenen in haar woning opgeslagen. Daarnaast ligt er administratie van hem bij verzoekster, omdat zij vaak administratieve zaken regelt voor hem en zijn moeder.

Oordeel voorzieningenrechter

3.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit. Het is daarom aan verweerder om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust. Verweerder dient daarom aannemelijk te maken dat verzoekster en [naam] een gezamenlijke huishouding voerden.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil is dat verzoekster en [naam] samen twee kinderen hebben. Gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW is voor de vraag of zij samen een gezamenlijke huishouding voerden daarom alleen nog van belang of zij beiden hun hoofdverblijf in de woning op het uitkeringsadres hadden.

3.3.

[naam] stond niet in de brp ingeschreven op het uitkeringsadres. Dit staat op zichzelf echter niet in de weg aan het hebben van hoofdverblijf in de woning op het uitkeringsadres. Het hoofdverblijf van iemand is namelijk daar waar zich het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven bevindt. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden.1

3.4.1.

De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat het aannemelijk is dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van [naam] zich in elk geval ten tijde van het huisbezoek op het uitkeringsadres bevond en hij daar dus op dat moment zijn hoofdverblijf had. De bevindingen over wat er tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres is aangetroffen, in samenhang bezien met de verklaringen van verzoekster, bieden voldoende feitelijke grondslag voor deze conclusie. Hiertoe is het volgende van belang.

3.4.2.

Anders dan verzoekster betoogt, is het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam] niet reeds uitgesloten, omdat hij doordeweeks voor werk in het buitenland verblijft.2

De omstandigheid dat [naam] vanwege zijn werk doordeweeks niet in Nederland verblijft tezamen met de constatering dat niet gesteld of anderszins gebleken is dat [naam] zijn hoofdverblijf (doordeweeks) in het buitenland heeft, maakt namelijk dat uitsluitend nog de vraag voorligt waar het zwaartepunt van het persoonlijke leven van [naam] zich bevond op het moment dat hij wel in Nederland verbleef, oftewel in de weekenden. De stelling van verzoekster dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar het doordeweekse leven van [naam] wordt dan ook niet gevolgd.

3.4.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het onder 1.2. genoemde rapport van bevindingen onder meer blijkt dat een grote hoeveelheid herenkleding en -schoenen3 is aangetroffen op het uitkeringsadres. Verzoekster heeft aangegeven dat deze van [naam] zijn. Dit gold ook voor de trainingsbroek op het bed, de slippers naast het bed en de riem op de grond in de eerste slaapkamer, voor de boxershort en de korte broek in de badkamer en voor de gereedschapskist in de hal. Daarnaast zijn er andere spullen aangetroffen, die volgens verzoekster ook van [naam] zijn, zoals medicijnen, vier scheerapparaten, twee elektrische tandenborstels, een zonnebrilhouder met diverse pasjes, twee Apple smartwatches, mannelijke verzorgingsproducten, twee flessen aftershave, haargel en haarverf. Verder bevonden zich in de woning een werkmap, certificaten, administratie, beleenovereenkomsten en een machtiging van [naam] , aan hem gerichte poststukken en administratie van door hem bestelde producten die op het uitkeringsadres zijn bezorgd.

3.4.4.

Kortom, er zijn veel meer persoonlijke spullen van [naam] op het uitkeringsadres aangetroffen dan wat verzoekster aangeeft in haar reactie van 19 maart 2020.

3.4.5.

Op basis van deze grote hoeveelheid aangetroffen persoonlijke spullen, in samenhang bezien met de omstandigheid dat verzoekster de auto van [naam] gebruikt en verzoeksters verklaring dat [naam] gemiddeld één nacht per weekend bij haar verblijft, heeft verweerder terecht aannemelijk geacht dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven van [naam] ten tijde van het huisbezoek in de woning van verzoekster lag. Dat verzoekster de administratie van [naam] doet, [naam] een nacht per weekend bij zijn moeder in [woonplaats] verblijft, hij op dat adres in de brp staat ingeschreven en dat daar zijn huisarts en apotheek zijn gevestigd, biedt - wat daar ook van zij - onvoldoende tegenwicht om tot een ander oordeel te komen.

3.5.

Dit betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster en [naam] ten tijde van het huisbezoek een gezamenlijke huishouding voerden. Door dit niet te melden bij verweerder heeft verzoekster de inlichtingenverplichting4 geschonden, als gevolg waarvan er aan haar ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder werd verstrekt. Verweerder was dan ook gehouden om het recht op bijstand van verzoekster in te trekken.5

Conclusie

4. De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoekster bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. Deze uitspraak is gedaan op

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting.

griffier voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd te tekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3949.

2 Vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1548.

3 Op p. 7 en 8 van het rapport van bevindingen van 19 februari 2020 staat: “eerste slaapkamer (…) ik zag in de kledingkast dames en herenkleding, in totaal 12 jeans, twee stapels met truien, hoodies, overhemden, sweaters en op de hangers nog 18 stuks herenkleding. Ik zag twee lademandjes met sokken en herenondergoed. Desgevraagd verklaarde [verzoekster] dat alle herenkleding van [naam] is.”; “tweede slaapkamer: (…) twee kledingkasten met in één van de kasten onder andere 12 herenoverhemden (…) Desgevraagd verklaarde [verzoekster] dat de overhemden van [naam] zijn.”; “hal, met daarin onder andere een ladekast met dames en herenschoenen (…) aan de kapstok een herenjas, een kast met daarin dames en herenschoenen (5 paar).”

4 Artikel 17, eerste lid, van de PW.

5 Artikel 54, vierde lid, van de PW.