Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1985

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
13/845012-07, 19/4510
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift 530 Sv deels toegewezen, kosten rechtsbijstand en tijdsverzuim geschat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/845012-07

RK: 19/4510

Beschikking op het verzoek ex artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1951 te [geboorteplaats] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. A.M.J. Comans, [adres] , [plaats] ,

verzoeker.

De procesgang

Het verzoekschrift is op 30 juli 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Op 18 december 2019 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 10 maart 2020 de raadsman van verzoeker en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 84.076,50 voor de kosten van rechtsbijstand, een vergoeding van € 9.766,67 voor tijdsverzuim en € 550,- voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

In raadkamer heeft de raadsman ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Verzoeker betrof een geheimhouder dan wel verschoningsgerechtigde. Het beslag op de stukken lag daarom gevoelig en de beklagprocedure moest worden doorlopen. Na cassatie door de Hoge Raad liep de beoordeling van de in beslag genomen stukken via de rechter-commissaris en daarom moesten er werkzaamheden worden verricht. Er is een aparte nota opgemaakt omtrent de cassatieprocedure, die buiten het verzoekschrift is gebleven. Het is niet redelijk om alle kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de beklagprocedure in mindering te brengen. De raadsman heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 mei 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:4751).

De stelling van het Openbaar Ministerie dat het geen complexe zaak betrof wordt weersproken. Verzoeker werd verdacht van maar liefst vijf strafbare feiten, er is door het Openbaar Ministerie een expert ingeschakeld ten behoeve van deze zaak, er speelde geheimhouders problematiek en er is een officier van justitie op de zaak gezet met een fiscale achtergrond. Binnen de FIOD is de zaak overgedragen aan het ‘bijzondere zaken team’. Op de achtergrond speelden bovendien een civiele zaak, een klachtzaak, een belastingzaak en een BIBOB-zaak.

De berichtgeving over de zaak in het Financieel Dagblad moest door verzoeker het hoofd worden geboden. Dat diende immers ook het belang van de verdachte en was nodig ter indamming van reputatieschade. Er is informatie met betrekking tot de strafzaak door het Openbaar Ministerie gegeven aan de krant en die moest gepareerd worden.

Verzoeker heeft in de civiele procedure veel meer kosten gemaakt dan de kosten die in deze procedure zijn gevorderd. Er kan een zekere prealabele werking van een civiel vonnis uitgaan. Het gebruik van de derdenrekening maakte onderdeel uit van de strafzaak. De aangifte van de curator zag op bedrieglijke bankbreuk, welke aangifte mede aan de basis heeft gelegen van de verdenking tegen verzoeker in de strafzaak.

Wat voor de civiele procedure geldt, geldt mutatis mutandis ook voor de fiscale procedure. Uiteraard was het voor de strafzaak van groot belang hoe de fiscale procedure zou verlopen. De officier van justitie liet ook niet na, zelfs na sepot, de uitkomst daarvan in herinnering te roepen. De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn in de fiscale procedure niet bijgestaan door de strafadvocaten van verzoeker. De declaraties voor het appèl in de fiscale zaak van [medeverdachte 1] en de declaraties in de zaak van [medeverdachte 2] zijn niet aan het onderhavige verzoek ten grondslag gelegd. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren medeverdachten van [verzoeker] , overleg tussen de advocaten valt in de categorie contacten die zich wel lenen voor vergoeding. Het bundelen van verdedigingsacties dient immers ook het belang van een goede rechtspleging. De officier van justitie heeft stukken uit de strafzaak vrijgegeven voor fiscale doeleinden. De raadsman heeft gewezen op een arrest van het Hof Arnhem Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2014:1898), waarbij geen reden werd gezien om de verdediging achteraf in de door haar gemaakte keuzes te beperken door matiging van de verzochte kosten.

Verzoeker is terughoudend geweest in zijn verzoek tot vergoeding van de kosten die zijn gemaakt, gezien de aard, impact en omvang van de zaak. De kosten waren in werkelijkheid veel hoger en niet alle kosten zijn gevorderd. Voor de werkzaamheden die zijn verricht in andere procedures wordt enkel vergoeding gevraagd voor zover die ook van belang waren voor de strafzaak. De kosten die zijn gevorderd zijn fors, maar de procedure heeft alles bij elkaar ook lang geduurd.

Verzoeker heeft schade geleden ten gevolge van tijdsverzuim. Verzoeker is in ieder geval een hele dag door de FIOD gehoord. Bovendien heeft de doorzoeking van zijn kantoorpand op 23 april 2007 een hele dag geduurd in verband waarmee verzoeker zes uur kwijt was. Zoals blijkt uit de urenspecificaties is verzoeker veel tijd kwijt geweest aan besprekingen, telefoongesprekken en correspondentie met zijn advocaten. Bovendien is er een lijvig procesdossier dat verzoeker heeft moeten bestuderen. De strafzaak heeft al met al een groot beslag gelegd op de tijd van verzoeker, die hij aldus niet heeft kunnen aanwenden om inkomsten te genereren. Verzoeker meent dat een vergoeding van € 250,- per uur voor de uren van tijdsverzuim een redelijke vergoeding is, zeker met inachtneming van het feit dat verzoeker al in 2007 een veel hoger uurtarief placht te declareren dan die € 250,- en zijn tarief nadien alleen maar is opgelopen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen het toekennen van de gevorderde vergoeding.

De gevraagde vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand is, gezien de opgevoerde uren, disproportioneel. Voorafgaand aan de zitting heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat maximaal € 971,75 toegekend dient te worden als vergoeding van de advocaatkosten ten behoeve van de strafzaak. Het merendeel van de kosten die worden gevorderd zijn gemaakt voor de rechtsbijstand bij de beklagprocedure, publicaties in het Financiële Dagblad en een civiele procedure en de fiscale procedure van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangevoerd dat de declaraties en urenspecificaties niet uitblinken in helderheid. Zij heeft de rechtbank verzocht een redelijk bedrag te vergoeden voor de gemaakte kosten aan rechtsbijstand.

Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden door het tijdsverzuim. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verzoeker de gestelde schade wel voldoende heeft onderbouwd, dan geldt dat het tijdsverzuim alleen betrekking kan hebben op de strafzaak en niet op de overige procedures. Het Openbaar Ministerie komt op een geschat tijdverzuim van 10 uur, zodat een bedrag van € 2.500,- kan worden toegewezen.

De beoordeling

De officier van justitie heeft de strafzaak tegen verzoeker onvoorwaardelijk geseponeerd en dat bij brief van 20 juni 2019 aan hem meegedeeld.

Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 530 lid 2 Sv, aan hem uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van tijdsverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.

Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.

Op grond van artikel 534 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De strafzaak tegen verzoeker is op 20 juni 2019 onvoorwaardelijk geseponeerd. Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 533 en 530 Sv.

Het verzoek is tijdig ingediend.

De rechtbank acht, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de rechtsbijstand.

De rechtbank stelt voorop dat van raadslieden mag worden verwacht dat de urenspecificaties en declaraties in strafzaken zodanig worden ingericht dat deze, onder meer met het oog op een verzoek ex artikel 530 Sv, een helder en inzichtelijk beeld geven van de verrichtte werkzaamheden.

De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde urenspecificaties en declaraties met betrekking tot de strafzaak tegen verzoeker onvoldoende inzicht geven in de aard van de feitelijk verrichte werkzaamheden, zoals nodig voor de beantwoording van de vraag of, waarom en in hoeverre de gedeclareerde werkzaamheden zijn verricht in het kader van de strafzaak. De declaraties en urenspecificaties bieden de rechtbank dan ook onvoldoende inzicht en houvast voor het vaststellen van een billijke schadevergoeding.

De rechtbank zal de kosten van de rechtsbijstand dan ook naar eigen inzicht, rekening houdend met de aard, de omvang en de impact van de zaak, op basis van billijkheid, schatten. Voor de aan het verzoek tot schadevergoeding ten grondslag liggende strafzaak wordt een totaalbedrag wegens rechtskundige bijstand ad € 20.000,- billijk geacht.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat verzoeker schade heeft geleden ten gevolge van tijdsverzuim door de vervolging. De onderbouwing van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden is gebaseerd op de urenspecificaties die betrekking hebben op de geleverde rechtsbijstand in de strafzaak. Zoals hiervoor overwogen, bieden de urenspecificaties de rechtbank onvoldoende inzicht en houvast voor het vaststellen van een billijke schadevergoeding. De rechtbank zal daarom ook de schade van het tijdsverzuim naar eigen inzicht schatten. Een vergoeding van € 4.000,- (16 uren à € 250,- per uur) wordt billijk geacht.

De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De beslissing

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro) voor de kosten van rechtsbijstand en € 4.000,- (zegge: vierduizend euro) voor de kosten van het tijdsverzuim.

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 550,- (zegge: vijfhonderdvijftig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. J. Thomas en W.H. van Benthem, rechters

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2020.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker en de officier van justitie hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De jongste rechter is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

De rechtbank Amsterdam, enkelvoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 24.550,- (zegge: vierentwintigduizend vijfhonderdvijftig euro) op IBAN-nummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden [naam advocatenkantoor] , onder vermelding van vergoeding 533 en 530 Sv, inzake: [verzoeker] .

Aldus gedaan op 24 maart 2020

door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter.