Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1973

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
13/283056-19
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD vreemdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/283056-19 (Promis)

Datum uitspraak: 13 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieadres].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Dankers en van wat verdachte en zijn raadsman mr. C.T. van Weerd naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 25 november 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer truien van het merk Champion en/of Kappa, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf TK Maxx (vestiging [vestiging]), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 november 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal een of meer goederen, te weten een of meer truien van het merk Champion en/of Kappa heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte degene is geweest die de truien heeft gestolen. De subsidiair ten laste gelegde opzetheling kan volgens de officier van justitie wel worden bewezen. Nu verdachte heeft verklaard dat hij de truien van een onbekend persoon heeft gekregen om te verkopen voor crack en de truien waren voorzien van alarmlabels en prijskaartjes, wist verdachte dat de truien van door misdrijf waren verkregen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde en in het dossier

gevoegde pleitaantekeningen, vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. Volgens de raadsman bevat het dossier geen bewijs ten aanzien van de primair ten laste gelegde diefstal. Verdachte ontkent de truien te hebben gestolen en uit het dossier blijkt niet dat de truien van de TK Maxx afkomstig zijn. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde heling kan volgens de raadsman niet worden bewezen dat de truien door misdrijf zijn verkregen. Evenmin kan worden gesteld dat het niet anders kan zijn dan dat de truien door misdrijf zijn verkregen. De aanwezigheid van de beveiligingslabels maakt dit niet anders.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde (diefstal)

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde diefstal niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Gezien de standpunten van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen verdere motivering.

3.3.2.

Oordeel over het subsidiair ten laste gelegde (opzetheling)

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde opzetheling kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte op het Bijlmerplein in Amsterdam twee truien probeerde te verkopen aan een onbekend gebleven persoon. De verbalisanten zagen dat aan beide kledingstukken beveiligingslabels en prijskaartjes bevestigd waren. De verbalisanten hebben vervolgens geprobeerd om de herkomst van de truien te achterhalen. Bij TK Maxx op het Bijlmerplein zijn de truien onderzocht. Een medewerkster van de winkel heeft toen bevestigd dat de truien uit die vestiging van TK Maxx afkomstig waren, zodat daarmee naar het oordeel van de rechtbank vast staat dat het gestolen truien betrof uit voornoemde winkel.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat de truien van diefstal afkomstig waren. Hij zou de truien van een onbekend persoon hebben gekregen om te verkopen voor crack.

De rechtbank overweegt dat, uitgaande van de verklaring van verdachte en de door hem geschetste omstandigheden (hij zou de truien hebben gekregen van een onbekend gebleven persoon om ze te verkopen, in ruil voor crack), in combinatie met het feit dat er beveiligingslabels en prijskaartjes aan de truien zaten, het niet anders kan dan dat verdachte wist dat de truien door misdrijf waren verkregen. Dat leidt tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de twee truien.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 25 november 2019 te Amsterdam, truien van het merk Champion en Kappa voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.

Eis van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaren, zonder aftrek van voorarrest.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht geen ISD-maatregel op te leggen. Er is niet voldaan aan de zachte ISD criteria, nu verdachte nog geen drang/dwangtraject heeft doorlopen. Bovendien is er geen concrete verslavingsdiagnostiek voorhanden, terwijl de reclassering mede op basis van vermeende verslavingsproblematiek oplegging van de ISD-maatregel adviseert. Het opleggen van een vreemdelingen ISD-maatregel heeft geen toegevoegde waarde, nu verdachte concrete stappen heeft gezet om Nederland definitief te verlaten. Gelet op de terugkeer naar [geboorteland] heeft de raadsman subsidiair verzocht om een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de onvoorwaardelijke ISD-maatregel te beperken tot één jaar, waarbij tussentijdse toetsing dient plaats te vinden binnen drie maanden.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan bij het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling. Dit is een ergerlijk feit. Door opzetheling wordt het plegen van andere vermogensdelicten zoals diefstal bevorderd.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het

uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 30 januari 2020,

waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden onderhavig feit te plegen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 6 februari 2020, opgemaakt door J. Versteeg. Uit het rapport blijkt het volgende.

“Er lijkt sprake te zijn van verscheidene risicofactoren. Betrokkene heeft geen huisvesting, het ontbreekt hem aan dagbesteding en structurele inkomsten en daarnaast is er sprake van

problematisch middelengebruik. Betrokkene lijkt tevens niet te beschikken over een steunend netwerk in Nederland, waardoor zijn leefomstandigheden onveranderd blijven. Deze criminogene factoren zijn van invloed op het delictgedrag en de kans op recidive wordt dan ook ingeschat als hoog. De heer [verdachte] heeft als EU-onderdaan onvoldoende sociale rechten opgebouwd waardoor de structurele hulpverleningsmogelijkheden met toekomstperspectief binnen Nederland ernstig worden belemmerd. Betrokkene heeft daarom nog nooit een drang/dwang traject doorlopen waardoor hij feitelijk niet voldoet aan de zachte ISD-criteria. Desalniettemin adviseert Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

(..)

Er is bij betrokkene sprake van verslavingsproblematiek. Er is daarmee een indicatie tot hulp voor deze problematiek. Deze is echter zeer lastig uitvoerbaar omdat betrokkene onrechtmatig in Nederland verblijft. Betrokkene komt in aanmerking voor hulpverlening in de Vreemdelingen ISD. Ten tijde van de intramurale fase van de ISD-maatregel zal betrokkene minder kunnen recidiveren en zal de heer [verdachte] behandeling kunnen ontvangen voor zijn

verslavingsproblematiek. Binnen deze maatregel zal betrokkene gemotiveerd worden tot terugkeer naar land van herkomst.”

Op zitting heeft deskundige J. Versteeg, als reclasseringswerker werkzaam bij Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, het rapport toegelicht. Zij heeft het advies om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen bevestigd. Versteeg acht de kans klein dat verdachte vrijwillig zal terugkeren naar [geboorteland]. Verdachte is in 2019 namelijk al een keer teruggekeerd naar Amsterdam terwijl hij onderweg was naar [geboorteland].

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft een misdrijf begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 30 januari 2020 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 25 november 2019 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen. Het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Blijkens het strafblad van 30 januari 2020 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte naast de harde ISD criteria ook voldoet aan de zachte ISD criteria, nu verdachte geen recht heeft op sociale voorzieningen in Nederland hetgeen in de weg staat aan hulpverlening in een dwang- of drangtraject. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij vrijwillig wil terugkeren naar [geboorteland] en dat hij die terugkeer ook al heeft geregeld. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft de raadsman stukken aan de rechtbank overgelegd. De rechtbank heeft er echter geen vertrouwen in dat verdachte vrijwillig zal terugkeren naar zijn land van herkomst. Verdachte heeft namelijk bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in 2019 onderweg was naar [geboorteland], maar dat hij bij Arnhem was omgedraaid omdat zijn drugs op waren. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken van de raadsman niet dat verdachte concrete afspraken heeft gemaakt om naar [geboorteland] terug te keren. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen.

Nu verdachte, gelet op zijn status in Nederland, geen aanspraak zal kunnen maken op sociale voorzieningen, bestaan er geen reële mogelijkheden voor extramurale resocialisatie. De ISD-maatregel zal in het geval van verdachte om die reden gericht zijn op de terugkeer naar [geboorteland].

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank daarom in afwijking van de vordering van de officier van justitie de maatregel opleggen voor de duur van één jaar, zonder aftrek van de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een tussentijdse toets te bepalen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

opzetheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 1 (één) jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 maart 2020.

[...]