Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1960

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
13/659037-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internetfraude. Middels phishing software en daarmee verkregen persoonlijke informatie is binnengedrongen op Webportal(s) van creditcardhouders. Oplichting; diefstal met valse sleutel; computervredebreuk. Bewijsoverwegingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT

VONNIS

Parketnummer: 13/659037-19

Datum uitspraak: 25 maart 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

A. Kersten en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof naar voren hebben gebracht.

De zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/659038-19) is door de rechtbank gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij zich samen met een ander of anderen, dan wel alleen (op tijdstippen), in de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 maart 2018 schuldig heeft gemaakt aan meerdere - met elkaar samenhangende - feiten, te weten:

  1. oplichting van International Card Services B.V. (hierna: ICS) en klanten van deze rechtspersoon (artikel 326 Sr);

  2. diefstal door middel van een valse sleutel, door zich met een pinpas van [persoon 1] wederrechtelijk geldbedragen toe te eigenen (artikel 311 Sr);

  3. het online wijzigen van gegevens van twee cardhouders van ICS, te weten [persoon 2] en [persoon 3] (artikel 350a Sr);

  4. het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel, namelijk van softwareprogramma’s die worden gebruikt om computervredebreuk mee te plegen (artikel 138d Sr);

  5. computervredebreuk door het binnendringen van een geautomatiseerd werk, namelijk Web Portals van klanten van ICS (artikel 138ab Sr).

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht bewezen dat verdachte zich als medepleger aan de 5 ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt, zoals nader uiteengezet in het op schrift gestelde requisitoir.

Verdachte bevond zich, samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ), in haar woning op het adres [adres 2] , toen daar een frauduleuze bestelling werd afgeleverd van de Mediamarkt, betaald met de creditcard van [persoon 2] . Bij binnentreden van de politie bevonden beiden zich in de slaapkamer van [medeverdachte] alwaar ook het pakket stond, dat deels was uitgepakt. In de woonkamer stonden twee in werking zijnde laptops. Een onafhankelijke getuige heeft - onder meer - verklaard dat verdachte achter de laptops zat. Verdachte was geregeld bij [medeverdachte] . Alle incidenten die betrekking hebben op cardhouders van ICS, zoals vermeld in de aangiften en die terugkomen in de onder 1 t/m 3 ten laste gelegde feiten, zijn direct naar beide laptops te herleiden en naar het afleveradres [adres 2] . Op de laptops stonden e-mailaccounts open met diverse bestellingen op naam en rekening van creditcardhouders. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting van ICS, onder meer door binnen te dringen in de Webportals van cardhouders.

Tevens kan worden bewezen wat onder 4 en 5 ten laste is gelegd. Verdachte heeft met het oogmerk om computervredebreuk te plegen, specifieke computerprogrammatuur voorhanden gehad. Op beide laptops stonden diverse softwareprogramma’s, waaronder Sendblaster, waarmee bulk- email berichten kunnen worden verstuurd. Hierin trof men lijsten aan met duizenden e-mail adressen, verzonden phishing e-mail berichten naar onder meer banken en meerdere (templates) voor phishing berichten. Ook de op de laptops aanwezige programma’s Havij en Filezilla hebben bijgedragen aan de gepleegde computervredebreuk, te weten het binnendringen van Webportals. Ook zijn gegevens van cardhouders gewijzigd door frauduleus in te loggen op hun Webportals. Op de Acer laptop bevond zich persoonlijke informatie van zowel verdachte als [medeverdachte] . Opmerkelijk is dat er geen dagelijkse, normale bestanden op de laptops stonden. Belastend is bovendien dat verdachte aanwezig is geweest bij een pintransactie in de Bijenkorf met een pinpas van [persoon 1] , een cardhouder die slachtoffer is geworden van phishing en van wie op de Acer laptop sporen zijn gevonden, onder meer van andere bestellingen. Daarbij komt dat verdachte en [medeverdachte] in een WhatsApp gesprek over pinnen met de card van een ander spreken.

Verdachte heeft alle betrokkenheid bij de feiten ontkend. De op de zitting door verdachte afgelegde verklaring dat hij ergens in 2017 de Acer laptop aan [persoon 4] heeft verkocht en dat [persoon 4] op 29 maart 2018 in de woning van die laptop gebruikt heeft gemaakt, is volstrekt ongeloofwaardig en afgestemd op het dossier. Verdachte heeft geen geloofwaardige te toetsen verklaring afgelegd voor de tegen hem sprekende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van het medeplegen gaat het Openbaar Ministerie uit van een groter netwerk. Alhoewel niet exact duidelijk is wie welke handelingen op de laptops heeft verricht, kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking en van een bepaalde rolverdeling. [medeverdachte] nam het pakketje aan wat verdachte had besteld met behulp van de laptop. Dezelfde laptop werd ook door [medeverdachte] gebruikt.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft samengevat het volgende aangevoerd.

Op grond van het dossier kan niet bewezen worden dat verdachte als pleger of medepleger bij de ten laste gelegde feiten betrokken is geweest, zodat integrale vrijspraak moet volgen.

Verdachte was op 29 maart 2018 aanwezig op het adres [adres 2] , op het moment dat daar een frauduleus besteld pakket werd bezorgd op naam van [persoon 2] . Ook staat vast dat in de woonkamer twee werkende laptops stonden die gebruikt zijn bij de fraude. Verdachte heeft erkend dat hij vaak in de woning van medeverdachte [medeverdachte] was, met wie hij destijds een relatie had, en ook dikwijls met vrienden.

Verdachte heeft zich op advies van de raadsman eerder op zijn zwijgrecht beroepen, wat hem niet kan worden tegengeworpen. Het standpunt van verdachte luidt dat hij de Acer laptop in 2017 aan [persoon 4] heeft verkocht, één van de [persoon 1] die vaker over de vloer kwam op [adres 2] . [persoon 4] heeft enkele uren voor de aanhouding van verdachte van de laptop gebruik gemaakt. Op geen enkel wijze kan worden vastgesteld dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de laptops in de periode zoals ten laste is gelegd. De op de Acer laptop aangetroffen persoonlijk informatie van verdachte is verklaarbaar en valt buiten de ten laste gelegde periode. Het WhatsApp bericht tussen verdachte en [medeverdachte] is onvoldoende concreet om daar belang aan te hechten. De getuigenverklaring van [getuige] , dat zij verdachte achter ‘de laptop’ heeft zien zitten, is onvoldoende specifiek. Onduidelijk blijft achter welke laptop verdachte zou hebben gezeten en waar in de woning. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten dactyloscopisch of DNA-onderzoek te verrichten aan de laptops. De IP-adressen van waar bestellingen zijn geplaatst en/of is ingelogd op Webportals zijn op geen enkele wijze naar verdachte, [medeverdachte] dan wel het adres [adres 2] te herleiden, zoals de officier van justitie ter zitting heeft bevestigd. Onduidelijk is of verdachte in de woning was op de momenten waarop frauduleuze handelingen werden verricht, of überhaupt vanaf welke locatie dit gebeurde.

De rechtbank kan aldus niet tot het bewijs komen van medeplegen van oplichting, computervredebreuk dan wel het binnendringen van een computernetwerk Verdachte heeft geen betrokkenheid gehad bij frauduleuze handelingen op Webportals van cardhouders van ICS en evenmin bij bestellingen op naam en rekening van anderen (feiten 1, 3 en 5).

Evenmin kan worden bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel. Verdachte was weliswaar met twee anderen aanwezig in de Bijenkorf toen met een bankpas van [persoon 1] werd afgerekend, maar had daarvan geen wetenschap (feit 2).

Het onder feit 4 ten laste gelegde voorhanden hebben van softwareprogramma’s bestemd voor het plegen van computervredebreuk, kan ook niet worden bewezen. Naast een gebrek aan kennis bij verdachte ten aanzien van phishing methodes, kan op generlei wijze worden vastgesteld dat verdachte van deze programma’s gebruik heeft gemaakt en dat sprake was van zowel wetenschap als beschikkingsmacht. Het enkel in een woning staan van een laptop is niet voldoende.

Wie de personen zijn achter de phishing, is niet vast te stellen. Ondanks het feit dat het dossier duidelijke aanwijzingen bevat van betrokkenheid van derden bij de feiten, heeft het Openbaar Ministerie nagelaten nader onderzoek te verrichten naar andere personen. Evenmin is onderzoek gedaan naar andere afleveradressen.

In tegenstelling tot wat de officier van justitie stelt, is voor het aannemen van medeplegen vereist dat de rol die verdachte zou hebben gespeeld, duidelijk is. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte een intellectuele of een materiële bijdrage van voldoende gewicht aan de feiten heeft geleverd.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het onder 1 t/m 3 bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis.

4.3.1.

Vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen wat verdachte onder feit 5 ten laste is gelegd, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat verdachte in de ten laste gelegde periode een actieve betrokkenheid heeft gehad bij het daadwerkelijk binnendringen van Webportals van één of meer klanten van ICS.

4.3.2.

Partiële vrijspraak feit 1

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het niet bewezen dat ICS voor meer dan € 2.969,- is opgelicht, namelijk de waarde van de MacBook die op 29 maart 2018 werd afgeleverd en was besteld op naam en rekening van [persoon 2] .

De overige bedragen zijn herleidbaar naar bestellingen op naam van ICS cardhouders [persoon 5] , [persoon 3] en [persoon 6] . De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen dat verdachte op enigerlei wijze directe betrokkenheid heeft gehad bij uit hun naam en/of in hun hoedanigheid gedane bestellingen, zodat verdachte wordt vrijgesproken van het bewegen van ICS tot de afgifte van die overige geldbedragen.

4.3.3.

Partiële vrijspraak feit 3

Op grond van het dossier kan de rechtbank geen directe betrokkenheid vaststellen van verdachte bij het wijzigen van gegevens op de Webportal van [persoon 3] , zodat verdachte van dat onderdeel wordt vrijgesproken.

4.3.3.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4

Op grond van navolgende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich als medepleger aan deze feiten heeft schuldig gemaakt.

Vaststaande feiten

Het opsporingsonderzoek 13SINOPESA is gestart op 27 maart 2018 naar aanleiding van een melding van de onderzoeksafdeling fraudedetectie van International Card Services B.V. dat er mogelijk een frauduleuze transactie en pogingen daartoe had(den) plaatsgevonden ten laste van een creditcard van cardhouder [persoon 2] . Hierop heeft ICS de Mediamarkt benaderd vanwege een op 27 maart 2018 geplaatste bestelling van een MacBook Pro, met als afleveradres [adres 2] . [persoon 2] heeft gereageerd op een phishing e-mail. Zij heeft geen bestelling gedaan en geen wijzigingen doorgevoerd op haar Webportal, daags voor de bestelling. ICS doet hierop een eerste maal aangifte van fraude. Na contact met het Openbaar Ministerie wordt besloten om het pakket gecontroleerd te laten afleveren op het adres [adres 2] . Daartoe wordt de woning op 29 maart 2018, de dag dat het pakket zal worden afgeleverd, geobserveerd. Geobserveerd wordt dat [medeverdachte] op actieve wijze het pakket op straat overneemt van de postbezorger en meeneemt in haar woning [adres 2] . De politie treedt een half uur later binnen en treft verdachte en [medeverdachte] aan in haar slaapkamer samen met een geopende doos van de Mediamarkt. De doos met daarin een Mac Book Pro is uit eerdergenoemde doos gehaald en op de pakbon staan de door Mediamarkt opgegeven bestelgegevens. [medeverdachte] - destijds de vriendin van verdachte - erkent dat zij het pakket heeft geopend. Ook verdachte erkent dat hij het (deels geopende) pakket heeft gezien. In de woonkamer van de woning (alwaar [medeverdachte] woont met drie anderen) staan twee in werking zijnde laptops; een Acer en een Sony. Op deze laptops staan e-mail accounts open met berichten die wijzen op bestellingen bij (web)winkels op naam van diverse personen. Verdachte en [medeverdachte] worden hierop aangehouden. Gedurende de aanwezigheid van de politie in de woning wordt aangebeld door twee mannen, naar later blijkt [persoon 7] en [persoon 8] . [persoon 8] verklaart dat [persoon 7] ‘even snel iets kwam ophalen’ op het adres [adres 2] . Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij vaak in de woning verbleef en ook bleef slapen. Huisgenote [getuige] heeft verklaard dat zij de laptops op 29 maart 2018 heeft gezien, dat zij verdachte de dag van de aanhouding achter ‘de laptop’ heeft zien zitten en dat niemand pakketjes die aan haar gericht zijn, opent. Er is nader onderzoek verricht naar de op de laptops aanwezige gegevens, programma’s en de openstaande e-mail accounts. Hieruit komt naar voren dat meerdere - geslaagde - bestellingen zijn gedaan en in vele gevallen betreft het opgegeven afleveradres [adres 2] . Uit gegevens op de Acer laptop wordt duidelijk dat op 26 maart 2018 op de Webportal het telefoonnummer van [persoon 2] is veranderd. De in de drie aangiften van ICS opgesomde incidenten zijn te koppelen aan gegevens op de laptops met betrekking tot frauduleuze bestellingen. Niet kan worden vastgesteld vanaf welke locatie de bestellingen zijn gedaan omdat de wisselende IP-adressen daartoe geen duidelijkheid verschaffen. Op de Acer laptop staat persoonlijke informatie van zowel verdachte als [medeverdachte] . Beide laptops kenmerken zich door de afwezigheid van dagelijkse, normale bestanden.

Conclusies

Op grond van bovenstaande vaststellingen en onderzoeksresultaten gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en anderen het oogmerk hebben gehad om ICS op te lichten. Aanvullend overweegt de rechtbank ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte] bij de bewezen verklaarde oplichtingsmiddelen als volgt. [medeverdachte] heeft op actieve wijze het pakket van Mediamarkt in ontvangst genomen door de postbezorger op straat tegemoet te lopen. Hieruit maakt de rechtbank op dat zij het pakket wilde afvangen en dat de leverdatum haar bekend was. De geopende doos wordt in haar slaapkamer aangetroffen, waar zij zich op dat moment met verdachte bevindt. De verklaring van verdachte dat de doos nog op gang stond en niet in de slaapkamer, acht de rechtbank niet aannemelijk onder verwijzing naar het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal op pag. 28. Verdachte slaapt en verblijft geregeld bij zijn vriendin. Zoals eerder vermeld worden op de tafel in de woonkamer de twee laptops aangetroffen. Beide verdachten hadden beschikkingsmacht over de laptops. Persoonlijke berichten op de Acer laptop van zowel verdachte als [medeverdachte] tonen aan dat beiden van deze laptop gebruik hebben gemaakt. Verdachten spreken dit niet tegen.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter zitting met betrekking tot de verkoop van de Acer laptop aan ene [persoon 4] en het gebruik van de laptop door [persoon 4] op de dag van de aanhouding, niet reëel en ongeloofwaardig. Deze lezing is door verdachte pas op zitting naar voren gebracht en niet te controleren. Bovendien is de verklaring ten aanzien van de datum van verkoop inconsistent. Persoonlijke informatie van [medeverdachte] op de Acer laptop dateert van maart 2018. Dit strookt niet met de bewering van verdachte dat hij de laptop in 2017 aan [persoon 4] heeft verkocht. Er is geen enkel bewijsmiddel dat de verklaring van verdachte ondersteunt, zodat deze terzijde wordt geschoven.

Opvallend is verder dat op de laptops geen dagelijkse gewone programma’s stonden.

Dit maakt dat de rechtbank het aannemelijk acht, mede gezien de aanwezige e-mails en (resultaten van) phishing programma’s, dat deze laptops enkel in gebruik waren voor het plegen van internetfraude. Het staat voor de rechtbank vast dat persoonlijke gegevens van ICS cardhouder [persoon 2] middels phishing zijn verkregen. Vervolgens is meermalen ingelogd op de Webportal van [persoon 2] en is haar telefoonnummer gewijzigd. Daarna is op rekening van [persoon 2] een bestelling geplaatst bij de Mediamarkt, met als afleveradres [adres 2] en onder vermelding van het gewijzigde telefoonnummer. Ook bij andere bestellingen is afleveradres [adres 2] opgegeven, al kan directe betrokkenheid van verdachte bij die bestellingen niet worden bewezen.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de gedragingen van verdachte, [medeverdachte] en anderen naar de uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op het plegen van oplichting/fraude. Zij hebben een valse hoedanigheid aangenomen, namelijk die van rechtmatige creditcardhouders en hebben zo ICS bewogen tot de afgifte van een geldbedrag.

Het veranderen van de cardgegevens van [persoon 2] heeft bijgedragen aan de gepleegde oplichting, zodat de rechtbank het medeplegen van feit 3 eveneens bewezen acht.

De rechtbank acht feit 4 ,het voorhanden hebben van software hoofdzakelijk geschikt tot het plegen van misdrijven, eveneens bewezen nu verdachte en medeverdachte (en mogelijk nog anderen) beschikkingsmacht hadden over de meergenoemde laptops in de woning.

Voortgezette handeling

Het opzettelijk en wederrechtelijk veranderen van computergegevens op de Webportal van cardhouder [persoon 2] , ten laste gelegd onder feit 3 is volgens de rechtbank een gedraging die evengoed aangemerkt kan worden als een oplichtingsmiddel, omdat deze diende om de onder 1 bewezen geachte oplichting voor te bereiden/ mogelijk te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat feit 1 als voortgezette handeling van feit 3 moet worden aangemerkt, in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht. Er is sprake van elkaar in tijd opvolgende gedragingen die, ook ten aanzien van het wilsbesluit (het oplichten van ICS middels frauduleuze bestellingen), zo nauw met elkaar samenhangen dat verdachte daarvan (in wezen) één verwijt kan wordt gemaakt (zie onder meer: ECLI:NL:HR:2017:1113).

Nadere overweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij op 25 maart 2018 met twee anderen weliswaar aanwezig was in de Bijenkorf, maar geen wetenschap had dat met de bankpas van [persoon 1] voor een aanzienlijk bedrag goederen werden afgerekend, ongeloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.

Cardhouder [persoon 1] heeft gereageerd op een phishingbericht. Op de Acer laptop zijn meerdere sporen aangetroffen met betrekking tot [persoon 1] . Er is een bestelling op zijn naam bij Modenso geplaatst, met als opgegeven bezorgadres [adres 2] en ook is op 26 maart 2018 frauduleus ingelogd op de Webportal van [persoon 1] . Op 22 maart 2018 heeft [persoon 1] naar aanleiding van een phishingmail bij de Rabobank een nieuwe bankpas aangevraagd. Deze is in de dagen erna onderschept en vervolgens wordt daar op 25 maart 2018 in aanwezigheid van verdachte een betaling mee verricht. In dit verband is een op 14 maart 2018 aangetroffen WhatsApp bericht opmerkelijk waar [medeverdachte] tegen verdachte zegt: “Hoezo laat je hem weer pinnen als je hem niet vertrouwt, of ga je zelf trekken?”. Verdachte heeft voor zijn aanwezigheid in de Bijenkorf en ten aanzien van de belastende informatie op de laptop geen reële toetsbare verklaring gegeven.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat sprake was van wetenschap bij verdachte ten aanzien van de diefstal met een valse sleutel.

De overweging van de rechtbank onder 4.3.3. met betrekking tot de laptops en de uiterlijke verschijningsvorm van de uiteenlopende gedragingen van verdachten is ook ten aanzien van feit 2 redengevend.

4.3.5.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het medeplegen

Zoals eerder overwogen acht de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm bewezen dat de laptops zijn gebruikt bij de internetfraude en dat de gedragingen zowel aan verdachte, [medeverdachte] , maar ook aan anderen kunnen worden toegerekend. Er is sprake geweest van een bepaalde rolverdeling. Het adres van [medeverdachte] werd gebruikt als bezorgadres en zij nam pakketjes in ontvangst. [medeverdachte] heeft het pakket van de

Mediamarkt in aanwezigheid van verdachte geopend. Verdachte en [medeverdachte] waren dikwijls samen aanwezig op [adres 2] . Er stonden twee in werking zijnde laptops op tafel, waar beiden beschikkingsmacht over hadden en waarop persoonlijke informatie van verdachte en [medeverdachte] werd aangetroffen. Een getuige stelt dat verdachte kort voor zijn aanhouding van een laptop gebruik heeft gemaakt. Verdachte is aanwezig geweest bij een pintransactie op naam van een cardhouder, van wie gegevens op een van de laptops zijn terug te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond hiervan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het is dan ook voor de rechtbank van ondergeschikt belang dat niet exact kan worden vastgesteld wie op welke momenten, verdachte, [medeverdachte] of anderen de laptop(s) in gebruik had.

De rechtbank merkt nog op dat het dossier aanwijzingen bevat dat sprake is geweest van een groter netwerk. Het kan niet anders dan dat beide verdachten wisten dat zij daarvan onderdeel uitmaakten. Dit leidt de rechtbank onder meer af uit de omstandigheid dat twee personen vlak na aflevering van het pakket van de Mediamarkt langskwamen bij [adres 2] om iets op te halen. Verder valt op dat andere afleveradressen worden gebruikt, dat er naast verdachte twee anderen betrokken waren bij de diefstal in de Bijenkorf en dat een andere persoon bij een tankstation heeft betaald met de bankpas van [persoon 1] . Alles bij elkaar genomen is ook in een groter verband sprake van medeplegen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 26 maart 2018 tot en met 29 maart 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid de rechtspersoon International Card Services BV (ICS) en een klant van voornoemde rechtspersoon heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van EUR 2969,00, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid:

- onbevoegd ingelogd op de webportal van een cardhouder van voornoemde rechtspersoon en/of

- vervolgens gebruik gemaakt van gegevens van een cardhouder van voornoemde rechtspersoon en/of

- vervolgens een bestelling geplaatst en een rekening betaald en/of

- vervolgens als begunstigdeadres van voornoemde bestelling het adres [adres 2] doorgegeven,

waardoor bovengenoemde rechtspersoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 22 maart 2018 tot en met 29 maart 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag van EUR 1.520 dat aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [persoon 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met een niet op hun naam gestelde pinpas, een betaling te verrichten.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 26 maart 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en wederrechtelijk, gegevens, die door middel van een geautomatiseerd werk en/of

door middel van telecommunicatie waren opgeslagen, te weten het mobiele telefoonnummer van ICS-cardhouder [persoon 2] , heeft veranderd.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

in de periode van 1 januari 2018 tot en met 29 maart 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (telkens) een technisch hulpmiddel te weten:

- het software programma Havij, welk programma gebruikt wordt om databases van websites te hacken door middel van SQL-injecties en het softwareprogramma’s Sendblaster, welk programma’s gebruikt worden om bulk (phishings)e-mails te versturen,

en die hoofdzakelijk geschikt gemaakt en/of ontworpen zijn tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab eerste lid, 138b of 139e Wetboek van Strafrecht, te weten het binnendringen van een geautomatiseerd werk (door middel van een manipulatie van de aanwezige SQL-database (SQL-injectie)) voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een van die misdrijven werd gepleegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 t/m 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Ter onderbouwing heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachten op meerdere momenten ICS hebben opgelicht voor forse geldbedragen. Dat de directe slachtoffers door ICS schadeloos zijn gesteld, maakt de feiten niet minder ernstig omdat het door de samenleving gestelde vertrouwen in het betalingsverkeer door dergelijke feiten ernstig wordt geschonden.

De officier van justitie houdt er rekening mee dat de feiten twee jaar oud zijn, maar ziet, gezien de ernst van de feiten geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijke straf. Verdachte heeft geen openheid van zaken willen geven. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de vordering van de benadeelde partij volledig en hoofdelijk toe te wijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair integrale vrijspraak betoogd en afwijzing van de civiele vordering van ICS. Subsidiair, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, verzoekt de raadsman de gevorderde maximale taakstraf niet op te leggen. Nu de schade een bedrag van € 10,000,- niet overtreft, is een taakstraf van 60 uren, gezien de LOVS- richtlijnen maximaal. Deze straf moet in voorwaardelijke vorm worden opgelegd, nu sprake is van oude feiten en ter compensatie van een incompleet opsporingsonderzoek.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan oplichting door middel van computercriminaliteit. Daartoe is computervredebreuk gepleegd door in te loggen op Webportals en zijn van een creditcardhouder gegevens gewijzigd. Voor het verkrijgen van persoonlijke gegevens hebben zij phishing-software voorhanden gehad. Zeker eenmaal is op rekening van een ander een dure bestelling gedaan bij een webwinkel. Verdachte heeft zich bovendien samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel, door met de bankpas van een ander in een winkel goederen af te rekenen.

Door zo te handelen heeft verdachte het vertrouwen dat klanten in het handels- en betalingsverkeer moeten kunnen stellen geschaad en ICS financieel benadeeld, enkel uit eigen gewin. Daarnaast rekent de rechtbank hem aan dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 februari 2020. Hieruit blijkt dat verdachte door de kinderrechter is veroordeeld voor andersoortige feiten van meer dan vijf jaar oud zijn. De rechtbank houdt daar geen rekening mee.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS), waarbij bij fraude tot een bedrag van 10.000 euro

1 week tot 2 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf het uitgangspunt is.

Zoals eerder overwogen staan de misdrijven onder 1 en 3 in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling. De rechtbank gaat ten aanzien van deze feiten daarom uit van één strafbepaling, namelijk oplichting.

Ten voordele van verdachte wordt rekening gehouden met het feit dat de onderhavige feiten twee jaar oud zijn en dat verdachte sindsdien niet met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Gelet hierop en nu de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie - en komt tot een lager schadebedrag - wijkt de rechtbank bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte af van de eis. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijke strafdeel. Verdachte heeft geen medewerking willen verlenen aan een reclasseringsrapportage en daarbij rechtvaardigt de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke taakstraf.

De rechtbank komt, alles overziende, tot de oplegging van een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de benadeelde partij International Card Services B.V.

De benadeelde partij de rechtspersoon International Card Services BV (ICS) vordert

€ 4.063,25, bestaande uit materiële schade en te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank overweegt als volgt. Zij zal de vordering toewijzen voor zover het door ICS gecompenseerde schade betreft aan cardhouder [persoon 2] en deze schade goed is onderbouwd. Terzake van die schade heeft ICS cardhouder [persoon 2] schadeloos gesteld, zodat sprake is van rechtstreekse schade ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde. Gezien de partiële vrijspraak ten aanzien van de andere frauduleuze bestellingen, wordt de vordering voor het overige afgewezen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank daarbij de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer International Card Services BV (ICS), naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het 1 bewezen geachte feit is toegebracht tot een bedrag van € 2.969,-.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 36f, 57, 138d, 311, 326, 350a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 3:

de voortgezette handeling van medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen, veranderen.

en

medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van feit 2:

diefstal in vereniging, waarbij het weg te nemen goed onder zijn bereik wordt gebracht door middel van een valse sleutel.

Ten aanzien van feit 4:

medeplegen van met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een technisch

hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van

een zodanig misdrijf, voorhanden hebben.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, met het bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Wijst de vordering van de benadeelde partij International Card Services BV (ICS) toe tot een bedrag van € 2.969,- (tweeduizend negenhonderd negenenzestig euro) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan ICS voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van International Card Services BV (ICS)

€ 2.969,- (tweeduizend negenhonderd negenenzestig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van

39 (negenendertig) dagen.

De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en D.C. van Reekum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.M.E. Leyten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.