Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1952

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
13/298243-19
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging diefstal door middel van braak en inklimming, ISD 2 jaar zonder aftrek, sprake van verslavingsproblematiek en statusproblematiek bij verdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/298243-19 (Promis)

Datum uitspraak: 25 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [plaats detentie] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Leeman, en van wat de gemachtigde raadsman, mr. P. Scholten, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming van kassa’s en/of tassen en/of messen en/of een messenfoedraal, die toebehoren aan [naam B.V.] in Amsterdam op 14 december 2019.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit bewezen. Zij heeft daartoe de in haar ogen relevante bewijsmiddelen opgesomd.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank komt tot dit oordeel op basis van de aangifte namens [naam B.V.] , het proces-verbaal van verhoor van een getuige, het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die verdachte hebben aangehouden, het proces-verbaal van bevindingen van de camerabeelden die door [naam B.V.] ter beschikking zijn gesteld en het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant die verdachte op die camerabeelden heeft herkend. Gezien de standpunten van de officier van justitie en de raadsman behoeft dit oordeel geen verdere motivering.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 14 december 2019 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om uit een winkel, gelegen aan de [adres] goederen, te weten

- kassa’s met geldbedragen en

- tassen met pannen en

- messen en

- een messenfoedraal,

die toebehoren aan [naam B.V.] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en inklimming,

- naar voornoemde winkel is toegegaan en

- vervolgens met een verkeerspaal een ruit (van een deur) van voornoemde winkel heeft ingegooid en

- vervolgens door de ingeslagen ruit heen is geklommen en

- vervolgens diverse voornoemde winkelgoederen heeft klaar gezet om mee te nemen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaar, zonder aftrek van voorarrest. Verdachte heeft geen verblijfsstatus in Nederland, is verslaafd aan drugs en is een notoire veelpleger. Het is een uitzichtloze situatie. Er is gelet op zijn statusproblematiek een verhoogd recidivegevaar.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht om in plaats van de ISD-maatregel een gevangenisstraf van langere duur op te leggen. Verdachte is verslaafd, heeft in 2017 de ISD-maatregel opgelegd gekregen en heeft daarna weer strafbare feiten gepleegd. De kans dat de ISD-maatregel wat gaat opleveren is nihil. Verdachte heeft geen verblijfsstatus in Nederland, waardoor er geen zicht is op een extramurale fase. De ISD-maatregel zou dan feitelijk neerkomen op ‘kale detentie’. Daarnaast zijn er andere opties waardoor verdachte gestraft kan worden. Hij kan strafrechtelijk vervolgd worden voor artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht en in het vreemdelingenrecht kan hij in vreemdelingenbewaring worden genomen.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de ISD-maatregel op te legen voor de duur van 1 jaar, waarbij tussentijdse toetsing binnen 6 maanden dient plaats te vinden, omdat er geen zicht is op een extramurale fase. De raadsman heeft verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 19 juni 2019.1

Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de ISD-maatregel voor 2 jaar op te leggen, met een tussentijdse toets binnen 10 maanden, zodat de voortgang betreffende de tenuitvoerlegging en de uitzetting van verdachte kan worden bekeken.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal bij een bedrijf. Bij de inbraak is een ruit ingegooid en is een grote hoeveelheid goederen in tassen klaar gezet om meegenomen te worden. Dit is een ernstig feit dat materiële schade veroorzaakt. Het handelen van verdachte draagt ook bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft bij het plegen van het strafbaar feit kennelijk alleen gedacht aan de mogelijkheid er zelf financieel beter van te worden en heeft geen enkele rekening gehouden met de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Inforsa van 24 februari 2020, opgemaakt door P.M. van Doleweerd. Uit het rapport blijkt – kort gezegd en voor zover hier van belang – het volgende. Vanwege de statusproblematiek van verdachte kan hij niet in zijn levensonderhoud voorzien middels verwerving van legaal inkomen, noch kan hij aanspraak maken op sociaal-maatschappelijke voorzieningen anders dan de basale bed-bad-brood voorziening. Er zijn eerdere pogingen gedaan onder het straf- en vreemdelingenrecht om verdachte te repatriëren, die zijn mislukt, omdat verdachte niet wil meewerken. In het kader van de ISD-maatregel kan het onderzoek door de Dienst Terugkeer en Vertrek naar repatriëringsmogelijkheden worden voortgezet. Bovendien is aan de orde dat, indien verdachte zich blijft verzetten tegen uitzetting, op basis van de individuele beslissing van de [geboorteland] consul, een laissez passer kan worden afgegeven voor gedwongen repatriëring indien er een positieve identificatie komt vanuit [geboorteland] . De grootste belemmering voor uitzetting is echter de ontbrekende responsiviteit van verdachte. De statusproblematiek leidt tot onmogelijkheid tot het opbouwen van een normatief sociaal-maatschappelijk bestaan in Nederland en tot inzet van reclasseringsinterventies, die richten zich immers op resocialisatie in Nederland, welk traject voor verdachte niet aan de orde is. Op basis van de genoemde statusproblematiek, het strafblad en de ontbrekende responsiviteit meent de reclassering dat de kans op recidive hoog is. Bij veroordeling adviseert Reclassering Inforsa een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 jaar aan verdachte op te leggen. In de intramurale fase van de ISD-maatregel kan verdachte gebruik maken van het zorg- en begeleidingsaanbod in de Penitentiaire Inrichting [locatie], hij kan dan geïnformeerd, gemotiveerd en gestimuleerd worden. De kracht van herhaling kan eraan bijdragen dat verdachte alsnog zijn medewerking verleent aan repatriëring.

Ter terechtzitting heeft mevrouw P.M. van Doleweerd, reclasseringswerkster werkzaam bij Reclassering Inforsa, dit advies tot oplegging van de ISD-maatregel bevestigd. Ze heeft verklaard dat in het kader van de ISD-maatregel de onderzoekstermijn naar repatriëringsmogelijkheden gunstiger is dan in het kader van vreemdelingenbewaring. Vreemdelingenbewaring is in beginsel voor de duur van 6 maanden binnen welke termijn de repatriëring geëffectueerd moet zijn. Als verdachte de ISD-maatregel voor 2 jaar opgelegd krijgt, dan is er een langere tijd om te komen tot gedragsverandering. In die periode kan verdachte gemotiveerd worden om terug te keren, kan uitzetting gerealiseerd worden en kan verdachte behandeld worden voor zijn verslavingsproblematiek.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies uit voornoemd rapport en neemt het advies van Reclassering Inforsa over.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 14 februari 2020 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 14 december 2019 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mede moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 14 februari 2020 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.

Met de ISD-maatregel wordt enerzijds de maatschappij beschermd tegen de overlast die verdachte veroorzaakt door het plegen van strafbare feiten. Anderzijds wordt binnen de maatregel geprobeerd een bijdrage te leveren aan een oplossing van de problematiek van verdachte, waardoor hij, na afloop van de maatregel, hopelijk delictvrij kan blijven. Verdachte heeft zich in een kort tijdbestek schuldig gemaakt aan een grote hoeveelheid vermogensdelicten. Door aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen wordt de maatschappij beschermd tegen de delicten die verdachte pleegt. In zoverre is oplegging van de maatregel dan ook gerechtvaardigd. In het reclasseringsrapport van 24 februari 2020 is opgenomen dat er sprake is van statusproblematiek en dat verdachte geen aanspraak kan maken op sociale voorzieningen, terwijl er ook sprake is van verslavingsproblematiek. Tijdens de ISD-maatregel kan verdachte behandeld worden voor zijn verslavingsproblematiek en kan worden bezien of de beveiliging van de maatschappij vorm kan krijgen door verdachte te helpen terug te keren naar zijn land van herkomst. Op dit moment is er, gelet op de statusproblematiek, geen reële mogelijkheid voor verdachte om zelf de vicieuze cirkel van het middelengebruik en het plegen van delicten zelfstandig te doorbreken. De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel opleggen.

Ten aanzien van de duur van de ISD-maatregel overweegt de rechtbank als volgt. Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. Indien de repatriëring van verdachte naar het land van herkomst binnen deze twee jaar plaatsvindt, kan de ISD-maatregel door de Minister van Justitie en Veiligheid worden beëindigd.

De rechtbank ziet geen aanleiding een tussentijdse toets te bepalen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die maatregel niet in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,

mrs. S. Djebali en H.E. Hoogendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2020.

[...]

1 ECLI:NL:RBAMS:2019:4740.