Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1943

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
26-03-2020
Zaaknummer
13/751582-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB uit Zweden. Tussenuitspraak. De verdediging wordt in de gelegenheid gesteld na te gaan of het het bijwonen van de Zweedse hoger beroepsprocedure vanuit Nederland via een video conference link, leidt tot intrekking of opschorting van het EAB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751582-19

RK nummer: 19/4293

Datum uitspraak: 17 maart 2020

TUSSEN- UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 juli 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 juni 2019 door the Södertörn Public Prosecution Office in Stockholm (Zweden) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [plaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R. Dijkstra, advocaat te Doorn.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van a decision taken by Svea Court of Appeal in Sweden on 04-06-2019 in case B 11810-17 to issue a warrant for [opgeëiste persoon] arrest in his absence.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Zweeds recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

3.1.

Genoegzaamheid

De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat het EAB ongenoegzaam is. Op 16 november 2017 is de opgeëiste persoon door het Södertälje Court vrijgesproken van de feiten waarop het EAB betrekking heeft. Het Zweedse Openbaar Ministerie is vervolgens in hoger beroep gegaan. Het EAB is ongenoegzaam omdat in het geheel geen melding wordt gemaakt van het vrijsprekende vonnis in eerste aanleg, terwijl dit zeer relevante informatie is.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. In onderdeel b) van het EAB is vermeld wat de grondslag is voor het EAB, te weten de hiervoor genoemde beslissing van 4 juni 2019 van the Svea Court of Appeal. Deze grondslag dateert dus van ná het vonnis in eerste aanleg van 16 november 2017 en ziet op de procedure in hoger beroep. Door het vermelden van deze beslissing van 4 juni 2019 is het EAB wat betreft de grondslag ervan genoegzaam. Hoewel de informatie dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg is vrijgesproken het verloop van de Zweedse strafprocedure en de aanloop naar dit EAB verduidelijkt, leidt het niet opnemen van deze informatie in het EAB niet tot ongenoegzaamheid van de stukken. Het verweer wordt verworpen.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 27, te weten:

verkrachting

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op de feiten naar Zweeds recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Senior Public Prosecutor heeft op 18 oktober 2019 de volgende garantie gegeven:

The Netherlands has made surrender to Sweden subject to the condition that [opgeëiste persoon] is returned to the Netherlands in order to serve an unconditional prison sentence passed on him in Sweden (article 5.3 in the Council framework decision on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States).

Decision

The Prosecutor General accepts the condition.

Conditions laid down by a foreign state in connection to surrender to Sweden shall apply in Sweden according to Chapter 2 Section 8 of the Penal Code. Consequently, if [opgeëiste persoon] is convicted to a custodial sentence or detention order, he will be returned to the Netherlands in order to serve the sentence after the judgment has gained legal force.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. Aan deze voorwaarde is voldaan.

De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

verkrachting

verkrachting, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

6 Fair trial

De raadsvrouw heeft betoogd dat de weigeringsgrond van artikel 11 OLW van toepassing is vanwege een dreigende flagrante schending van artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De raadsvrouw heeft hiertoe in de eerste plaats gesteld dat het Zweedse gerechtshof de medeverdachte van de opgeëiste persoon – die in eerste aanleg eveneens is vrijgesproken – schuldig heeft bevonden en veroordeeld. In die procedure in hoger beroep is er geen nieuw bewijs bijgekomen. Hierdoor bestaat volgens de raadsvrouw de vrees dat het Zweedse gerechtshof - gezien de veroordeling van de medeverdachte - niet meer onpartijdig zal zijn ten aanzien van de waardering van het bewijs in de zaak van de opgeëiste persoon.

Ook heeft de raadsvrouw gesteld dat de hoger beroepsprocedure bestaat uit een review op grond van de videobeelden van de zitting in eerste aanleg van eerder afgelegde verklaringen in de zaak. Dit betekent dat de opgeëiste persoon niet opnieuw zal worden gehoord. Hierdoor zal de opgeëiste persoon in geval van overlevering niet kunnen reageren op de beschuldigingen in de zin dat hij kan anticiperen op de weging van de getuigenverklaringen in zijn zaak, aldus de raadsvrouw. In dit kader is verwezen naar een e-mail van 9 maart 2020 van de Zweedse advocaat van de opgeëiste persoon, de heer Per Larsson.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer.

De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat een beroep wordt gedaan op de in deze procedure toepasselijke artikelen 47 en 48 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).

Na vragen van de rechtbank op de zitting van 10 maart 2020, heeft de raadsvrouw verklaard niet te weten of de zaak van de opgeëiste persoon in hoger beroep door dezelfde rechters wordt behandeld als de zaak van de medeverdachte, en evenmin of er een regeling rondom verschoning of wraking van die rechters bestaat. De rechtbank is van oordeel dat het verweer reeds hierom als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen.

Verder merkt de rechtbank op dat zij uit de e-mail van 9 maart 2020 van de Zweedse advocaat Per Larsson afleidt dat er in de hoger beroepsprocedure geen nieuwe getuigenverhoren zullen plaatsvinden, noch een nieuw verhoor met de opgeëiste persoon, nu partijen daartoe geen verzoek hebben gedaan (“the prosecution will only present video recordings from the district court trial and none of the parties have invoked any new hearings with witnesses or parties and I will not invoke any new hearings with the aforementioned, including [opgeëiste persoon] .). Dat de opgeëiste persoon niet zal worden gehoord, houdt derhalve uitdrukkelijk verband met zijn procesopstelling in de Zweedse procedure. Enige aanwijzing dat tekort zal worden gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces in Zweden kan hieruit niet worden afgeleid. Ook in zoverre faalt het verweer.

7 Evenredigheid van het EAB en verzoek om aanhouding

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat overlevering onevenredig is en daarom moet worden geweigerd. Overlevering aan Zweden is onevenredig belastend voor de opgeëiste persoon, die kostwinner is van zijn gezin met partner en vijf (jonge) kinderen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde te verifiëren of de opgeëiste persoon uitsluitend via een video conference link kan worden gehoord door het Zweedse gerechtshof. De opgeëiste persoon is recentelijk opgeroepen voor zittingen op 3 en 5 maart 2020. De Zweedse autoriteiten hebben deze

oproep laten varen op verzoek van de opgeëiste persoon. Daarbij is er door het Zweedse Gerechtshof in de aanloop naar de zitting aan de orde gesteld dat de opgeëiste persoon zich moet beraden of hij bereid is via video link het proces in hoger beroep bij te wonen. De Zweedse advocaat acht dit een reële optie. Als de Zweedse autoriteiten hiertoe bereid zijn, kan het overleveringsverzoek worden ingetrokken.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van onevenredigheid van het EAB geen sprake is. De officier van justitie verzet zich tegen inwilliging van het verzoek om aanhouding omdat de verdediging al tijd genoeg heeft gehad om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen of – in plaats van overlevering – het bijwonen van de procedure in hoger beroep via een video link mogelijk is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het primaire verweer niet kan slagen. In lijn met eerdere uitspraken van de rechtbank dient voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid gemaakt te worden tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de Overleveringswet en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de Overleveringswet is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.

Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Daarbij komt, dat het primair aan de uitvaardigende autoriteit is, te toetsen of aan de voor de uitvaardiging van een EAB noodzakelijke voorwaarden, en met name van de evenredigheid ervan, is voldaan (vgl. HvJ EU 27 mei 2019, EG en PI, C-508/18 en C82/19 PPU; ECLI:EU:C:2019:456). Naar het oordeel van de rechtbank is van bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld in het onderhavige geval niet gebleken. De rechtbank verwerpt dan ook het primaire verweer.

Ten aanzien van het subsidiair gedane aanhoudingsverzoek overweegt de rechtbank als volgt.

In een e-mail 13 februari 2020 van the Svea Court of Appeal aan de raadsvrouw van de opgeëiste persoon staat onder andere de volgende vraag:

Another question is if your client still is willing to be heard via a video conference link?

De Zweedse raadsman van de opgeëiste persoon schrijft over de mogelijkheid van verhoor via een video conference link in een e-mail van 9 maart 2020 onder andere het volgende:

The main rule in Sweden is that the suspected person shall be present at the trial, however, the trial can be concluded if the suspected is present by videolink. This is governed by The Swedish Judicial Procedure Act (swe. Rättegångsbalken), 5 chapter, 10 paragraph. The Court can decide that the suspected shall be present by videolink (swe. ljud- och bildöverföring) if there are reasons for that. The court may take into account, for example, the costs or inconvenience that could occur if the person involved instead would appear in court personally. However, the participation by videolink will not be permitted if it is inappropriate due to the purpose of the appearance in the court, which not would be the case here.

Uit bovenstaande berichten leidt de rechtbank af dat het ‘bijwonen’ van de procedure in hoger beroep vanuit Nederland via een video conference link in beginsel tot de mogelijkheden behoort, terwijl uit de e-mail van the Svea Court of Appeal van 13 februari 2020 volgt dat daartoe kennelijk ook de bereidheid bestaat in de zaak van de opgeëiste persoon.

Met name deze mededeling van the Svea Court of Appeal geeft aanleiding om – mede gelet op onder meer de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon en de gevolgen voor hem en zijn gezin in geval van overlevering – het onderzoek te heropenen en te schorsen om de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw eenmalig in de gelegenheid te stellen na te gaan of de uitvaardigende justitiële autoriteit bereid is om het EAB in te trekken dan wel op te schorten in geval van het bijwonen van de procedure in hoger beroep door de opgeëiste persoon vanuit Nederland via een video conference link.

In verband met de voortgang van de zaak en het feit dat de verdediging dit al eerder had kunnen voorleggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, zal de rechtbank bepalen dat de zaak over ongeveer één maand weer wordt ingepland.

8 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de behandeling, uiterlijk, over ongeveer één maand dient te worden voortgezet, om de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw in de gelegenheid te stellen na te gaan of de uitvaardigende justitiële autoriteit bereid is het EAB in te trekken of op te schorten in geval van het bijwonen van de procedure in hoger beroep door de opgeëiste persoon vanuit Nederland via een video conference link.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een in overleg met de raadsvrouw van de opgeëiste persoon nader te bepalen datum en tijdstip uiterlijk over ongeveer één maand, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. C. Klomp en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 maart 2020.

De leden van de combinatie en de griffier zijn buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Gezien en namens dezen,

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.