Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1933

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
30-03-2020
Zaaknummer
13/301026-19 (Promis) en 23/002160-17 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met twee anderen op één avond schuldig gemaakt aan twee diefstallen uit één en dezelfde woning. Recidive. Artikel 63 Sr. Gevangenisstraf 2 maanden vorwaardelijk, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden,Taakstraf 240 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/301026-19 (Promis) en 23/002160-17 (tul)

Datum uitspraak: 24 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres,

[adres 1].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Broekhof en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.S.E. Bruinen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – samengevat – tenlastegelegd dat hij zich (samen met anderen) op 4 april 2019 in [plaats] schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1: het stelen van een huissleutelbos uit de woning van [persoon], door middel van insluiping, gedurende de nacht;

Feit 2: het stelen van verschillende goederen uit de woning van [persoon], door zich de toegang tot de woning te verschaffen met een eerder weggenomen huissleutel van [persoon].

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt op grond van de aangifte, de camerabeelden en de (deels) bekennende verklaring van verdachte bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee diefstallen in vereniging.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van beide feiten geen bewijsverweer gevoerd.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte, de camerabeelden en de (deels) bekennende verklaring van verdachte kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (feit 1) en diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel (feit 2). De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.

Op 9 mei 2019 heeft [persoon] aangifte gedaan van diefstal uit zijn woning aan de [adres 2]. Uit zijn aangifte volgt dat hij bij terugkomst van vakantie op 2 mei 2019 ontdekte dat zijn I-Mac en een grote hoeveelheid goederen waren gestolen.

Uit de camerabeelden blijkt dat drie mannen (hierna: verdachten) enkele minuten na elf uur

‘s avonds via de centrale toegangsdeur – zonder gebruikmaking van een sleutel – de woning van aangever binnengaan en deze woning even later weer verlaten. Verdachte heeft bekend dat er is ‘geflipperd’ en dat hij en zijn medeverdachten een sleutelbos hebben gestolen uit de woning (feit 1).

Verder blijkt uit de camerabeelden dat dezelfde verdachten diezelfde avond enkele minuten voor half twaalf ’s avonds – opnieuw – via de centrale toegangsdeur de woning van aangever binnengaan. Deze keer door gebruik te maken van de door aangever herkende huissleutel. Verdachte heeft bekend dat hij met twee anderen, met behulp van een huissleutel, de woning van aangever is binnengegaan en dat zij een groot scherm, een toetsenbord, bestek en een tas hebben gestolen (feit 2). Op de tenlastelegging staan nog meer voorwerpen dan de voorwerpen die verdachte heeft bekend te hebben gestolen. De rechtbank acht op basis van de aangifte bewezen dat verdachte (en zijn medeverdachten) ook deze voorwerpen hebben weggenomen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 4 april 2019 tussen 23:00 uur en 23:59 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, in een woning aan [adres 2] alwaar verdachte en zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevonden, een huissleutelbos, die toebehoorde aan [persoon], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 2

op 4 april 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een Samsonite koffer en een rugtas en een iMac met bijbehorende muis en toetsenbord en een set van Dale woordenboeken en meerdere sets manchetknopen en een AC/DC omvormer en meerdere stuks bestek en zilvergerei, die toebehoorden aan [persoon], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een eerder wederrechtelijk weggenomen huissleutel van [persoon].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel – naast de algemene voorwaarden – de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: meldplicht bij Reclassering Nederland, behandelverplichting en blijven meewerken aan het traject van Werk Participatie en Inkomen (hierna: WPI) en het daarbij behorende schuldhulpverleningstraject.

7.2.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte, gelet op de huidige positieve ontwikkelingen in zijn leven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan de duur niet langer is dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft vastgezeten. Verder heeft zij verzocht om deze straf te combineren met een taakstraf en/of met een voorwaardelijke gevangenisstraf, met daaraan gekoppeld – met uitzondering van een behandelverplichting – de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

De raadsvrouw heeft benadrukt dat verdachte afstand heeft genomen van zijn (criminele) verleden en vrienden en gemotiveerd is om de huidige positieve lijn in zijn leven voort te zetten. In het geval dat verdachte bij een bewezenverklaring terug zou moeten naar de gevangenis, zouden de positieve ontwikkelingen doorkruist kunnen worden door motivatieverlies.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met twee anderen op één avond schuldig gemaakt aan twee diefstallen uit één en dezelfde woning. Hiermee heeft verdachte getoond dat hij geen respect heeft voor de eigendommen van een ander. Het is voor het slachtoffer zeer onaangenaam dat vreemden in zijn woning zijn geweest en zijn persoonlijke bezittingen hebben doorzocht en weggenomen. Als gevolg van het handelen van verdachte – met geen ander doel dan eigen financieel gewin – heeft het slachtoffer materiële schade en hinder ondervonden. Daarnaast is een woning bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Door het handelen van verdachte is een inbreuk gemaakt op het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Bovendien zorgen woninginbraken ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 12 februari 2020. Hieruit volgt dat hij in de periode van vijf jaar voorafgaand aan deze feiten twee keer eerder is veroordeeld voor een woninginbraak in vereniging. De rechtbank weegt de recidive strafverzwarend mee, maar houdt ook rekening met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 20 februari 2020 van Reclassering Nederland. De reclassering heeft (kort samengevat) gerapporteerd dat verschillende instanties – waaronder de reclassering, de schuldhulpverlening, de politie en de casushouder van de Top 600 aanpak – een positieve gedragsverandering bij verdachte hebben gezien sinds het tenlastegelegde. Verdachte richt zich momenteel met name op het vinden van een vaste dagbesteding, een baan en het aflossen van zijn schulden. Hierbij wordt verdachte ondersteund door de reclassering en het WPI en er is onlangs een schuldhulpverleningstraject ingezet bij Puur Zuid. Verdachte heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om zijn leven te veranderen en wil daarbij hulp. De reclassering heeft – gelet op het bovenstaande – in het kader van een strafoplegging geadviseerd om bij een (deels) voorwaardelijke straf een toezicht door de reclassering aan verdachte op te leggen onder de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, behandelverplichting en blijven meewerken aan het WPI-traject en het daarbij behorende schuldhulpverleningstraject.

Andere relevante omstandigheden

Bij het bepalen van de straf zijn de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het oriëntatiepunt voor diefstal door middel van insluiping in een woning betreft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden in het geval dat sprake is van recidive. De straf voor diefstal uit een woning met strafverzwarende omstandigheden zou neerkomen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. De rechtbank ziet aanleiding om hier ten voordele van verdachte vanaf te wijken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

De rechtbank constateert dat de gedragsverandering bij verdachte is ingetreden na de gepleegde feiten, maar ruim voordat verdachte werd aangehouden op 17 december 2019 en hij – naar eigen zeggen – is gaan inzien dat hij hulp nodig heeft. Tijdens de raadkamerzitting van 30 december 2019 heeft verdachte beloofd om de positieve lijn die is ingezet door te zetten. Ook tijdens de terechtzitting van 10 maart 2020 heeft verdachte aangegeven dat hij zich niet meer wil inlaten met criminaliteit en iets positief van zijn leven wil maken. Hoewel verdachte gerecidiveerd is in een lopend toezicht, ziet de rechtbank dat verdachte nu ruim tien maanden niet in aanraking is geweest met politie of justitie en gemotiveerd is tot gedragsverandering. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een allerlaatste kans dient te krijgen om te bewijzen dat hij de huidige positieve lijn kan voortzetten. Bovendien is het niet wenselijk om de positieve ontwikkelingen en de lopende (schuld)hulpverleningstrajecten te doorkruisen door oplegging van een gevangenisstraf.

De straf

Alles afwegende, zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren opleggen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel – met uitzondering van ambulante behandeling – de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd, te weten blijven meewerken aan het WPI-traject en het daarbij behorende schuldhulpverleningstraject en het zich houden aan aanwijzingen van de reclassering. Met oplegging van een fors voorwaardelijk strafdeel wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds rekening gehouden met de persoon van verdachte. De rechtbank zal hem daarnaast ook een taakstraf opleggen van 240 uren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon] vordert – ten aanzien van feit 1 – € 510,67 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot de dag van de algehele voldoening.

De officier van justitie vindt dat de gehele vordering hoofdelijk moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft verzocht om de schadevergoeding niet hoofdelijk toe te wijzen, maar ieder van de verdachten te veroordelen tot betaling van één derde deel van de gevorderde schade.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade is toegebracht doordat hij als gevolg van de weggenomen sleutelbos verschillende sloten heeft moeten vervangen. De vordering is inhoudelijk niet door de verdediging betwist. De gevorderde schade komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2019 tot de dag van de algehele voldoening.

Hoofdelijkheid

Het toegewezen bedrag wordt – anders dan de raadsvrouw heeft verzocht – hoofdelijk aan verdachte opgelegd nu verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte en zijn medeverdachten zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij een van de anderen het hele bedrag al heeft betaald.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [persoon] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.

9 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

9.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de tenuitvoerlegging te gelasten van een gedeelte, groot 82 dagen, van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer (23/00160-17). Voor het overige dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging ofwel gedeeltelijk toe te wijzen en om te zetten in een taakstraf, ofwel de proeftijd te verlengen.

9.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de stukken bevindt zich de op 14 januari 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 23/002160-17, betreffende het onherroepelijk geworden arrest d.d. 12 december 2017 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 164 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op drie jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding van een gedeelte, groot 82 dagen, van de hiervoor genoemde voorwaardelijk opgelegde straf, de tenuitvoerlegging te gelasten.

Gelet op het overwogene onder 7.3. acht de rechtbank het niet wenselijk om de positieve ontwikkelingen en de lopende (schuld)hulpverleningstrajecten door het uitzitten van een gevangenisstraf te doorkruisen. In plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te geven, zal de rechtbank daarom gelasten dat veroordeelde een taakstraf van 164 uren moet verrichten. Voor het overige zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- wordt verplicht om zijn medewerking te blijven verlenen aan het aanbod van WPI (Werk Participatie en Inkomen) en het daarbij behorende traject van de schuldhulpverlening, zolang de Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

- zich zal houden aan de aanwijzingen van de voornoemde reclassering zolang deze instelling dit noodzakelijk acht.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd :

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken

- zich meldt bij voornoemde reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon] toe tot een bedrag van € 510,67 (vijfhonderdtien euro en zevenenzestig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 april 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon], aan de Staat € 510,67 (vijfhonderdtien euro en zevenenzestig eurocent) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 april 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast dat een gedeelte, groot 82 (tweeëntachtig) dagen, van de niet ten uitvoer gelegde

straf, opgelegd bij arrest van 12 december 2017 (onder parketnummer 23/002160-17), te weten een gevangenisstraf van 164 (honderdvierenzestig) dagen, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Gelast – in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te geven – dat veroordeelde een taakstraf van 164 (honderdvierenzestig) uren moet verrichten. Beveelt, voor het geval dat de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 82 (tweeëntachtig) dagen.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en L. Dolfing, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 maart 2020.

[...]