Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1856

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
RK: 19/6635
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking op klaagschrift ex art. 5.4.10 in verbinding met art. 552a Sv. Duitse OvJ bevoegd om EOB (Europees onderzoeksbevel) uit te vaardigen? Hof van Justitie van de Europese Unie, zaak C-584/19. De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Internationale Rechtshulpkamer

RK: 19/6635

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] (Duitsland),

wonende op het adres: [adres] , [plaats] ,

klager, tevens beslagene.

1 Inleiding

Op 4 oktober 2019 heeft de Generalstaatsanwaltschaft te Frankfurt am Main (Duitsland) een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) met kenmerk 7 ER 146/19 – 7481 Js 221786/19 uitgevaardigd (EOB-I-2019036607).

Op 23 oktober 2019 heeft de Staatsanwaltschaft te Keulen (Duitsland) een EOB met kenmerk 241 AR 1310/19 uitgevaardigd (EOB-I-2019039666).

Op 23 oktober 2019 heeft de Staatsanwaltschaft te Keulen (Duitsland) een EOB met kenmerk 241 AR 1290/19 uitgevaardigd (EOB-I-2019039660).

2 Procesgang

Op 19 november 2019 heeft, onder leiding van de rechter-commissaris, een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van klager aan de [adres] te [plaats] . Deze doorzoeking vond plaats op vordering van de officier van justitie ter uitvoering van bovengenoemde EOB’s uit Duitsland. Bij de doorzoeking zijn diverse bescheiden en mogelijke gegevensdragers in beslag genomen.

Bij brief van 20 november 2019, aangevuld bij brief van 19 december 2019, heeft klager een klaagschrift ingediend. Bij per e-mail verzonden brief van 18 februari 2020 heeft de rechtbank het klaagschrift en het bijbehorende dossier ontvangen van de officier van justitie bij het Functioneel Parket te Rotterdam. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om van het dossier kennis te nemen met inachtneming van de geheimhouding zoals neergelegd in artikel 19 van Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna ook: Richtlijn EOB), en het dossier derhalve niet aan klager te verstrekken.

De rechtbank heeft op 5 maart 2020 klager en de officier van justitie, mr. J. Spaans, in openbare raadkamer gehoord. De partner van klager heeft - waar nodig - gefungeerd als tolk.

3 Inhoud van het klaagschrift en standpunt van klager

Het klaagschrift strekt tot teruggave van meerdere bescheiden en computers die bij de genoemde doorzoeking in beslag zijn genomen. In deel 1 van het dossier dat de rechtbank van de officier van justitie heeft ontvangen, bevindt zich een ‘Proces Verbaal verwerking inbeslaggenomen documenten’ van 17 februari 2020. De in tabel I genoemde documenten zijn nog niet teruggegeven aan klager. De in tabel II genoemde documenten zijn wél teruggegeven aan klager. Dit blijkt uit een ontvangstbewijs van de FIOD/Belastingdienst van 17 februari 2020, dat eveneens is opgenomen in deel 1 van het dossier.

Klager heeft ter toelichting op het klaagschrift - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Er lijkt sprake te zijn van een ‘fishing expedition’. Bij de doorzoeking zijn verschillende documenten in beslag genomen die niets te maken hebben met de strafrechtelijke onderzoeken, zoals medische informatie over klager en zijn gezin. Daarnaast wordt klager - door het in beslag nemen van de documenten - gehinderd in zijn huidige werkzaamheden. Al met al wordt klager onevenredig geraakt. Alle benodigde informatie is bovendien op te vragen bij het hoofdkantoor van ABN AMRO in Nederland.

4 Standpunt van de officier van justitie

De rechtbank heeft de officier van justitie ter zitting voorgehouden dat het Landesgericht für Strafsachen Wien (Oostenrijk) op 1 augustus 2019 een verwijzingsbeslissing heeft gewezen waarin de volgende prejudiciële vraag is gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (zaak C-584/19):

Moeten het begrip „rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken, en het begrip „officier van justitie” in de zin van artikel 2, onder c), i), van voormelde richtlijn aldus worden uitgelegd dat hieronder ook de openbare ministeries van een lidstaat vallen, die het risico lopen dat zij in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel rechtstreeks of indirect worden aangestuurd door of instructies ontvangen van de uitvoerende macht, zoals de senator van Justitie in Hamburg?

De officier van justitie heeft meegedeeld dat, nu het Hof van Justitie van de Europese Unie nog geen arrest heeft gewezen in bovengenoemde zaak, hij er vooralsnog van uitgaat dat officieren van justitie in Duitsland bevoegd zijn om EOB’s uit te vaardigen.

De officier van justitie heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het klaagschrift in alle onderdelen ongegrond dient te worden verklaard. Klager betwist de rechtmatigheid van de inbeslagneming. De rechter-commissaris heeft de woning van klager doorzocht op vordering van de officier van justitie ter uitvoering van bovengenoemde drie EOB’s. De documenten zijn vervolgens in beslag genomen door de rechter-commissaris. Dit heeft tot gevolg dat het beslag rechtmatig is.

5 Beoordeling

5.1

Inleiding

De rechtbank stelt vast dat de drie EOB’s - afgezien van de feitsomschrijving - en de bij de EOB gevoegde en daaraan ten grondslag liggende beslissingen van de Amtsgerichten Frankfurt am Main en Keulen op een aantal onderdelen niet identiek zijn.

Het (eerste) EOB van 8 oktober 2019 (EOB-I-2019036607) bevat onder C 1 de volgende passage:

“The fact that this measure (de rechtbank begrijpt: de doorzoeking van onder meer de woning van klager in [plaats]) is admissible and necessary under German law has been established by the attached order issued by the Local Court of Frankfurt am Main on 3 July”.

Als bijlage bij dit EOB is gevoegd een ‘order’ van de Local Court of Frankfurt am Main van

3 juli 2019 (de rechtbank begrijpt: het huiszoekingsbevel), waarin zowel het Duitse woon- en werkadres als het Nederlandse woonadres van klager staan vermeld.

Deze ‘order’ bevat voorts de volgende (slot) passage:

“the search order is necessary to clarify the facts of the case and, in view of the significance of the charges and the tax damage, is also proportionate”.

In de ‘order’ is geen rechtsmiddelenclausule opgenomen.

In de daarop volgende EOB’s (EOB-I-2019039666) en (EOB-I-2019039660) van 23 oktober 2019 wordt verwezen naar het hiervoor genoemde EOB (nummer: (..) 6607). Deze EOB’s zijn niet voorzien van de hiervoor opgenomen passage omtrent de noodzakelijkheid van de doorzoeking. Bij beide EOB’s zijn beschikkingen gevoegd van het Amtsgericht Keulen van

1 oktober 2019 en 18 september 2019. Beide beschikking zien mede op klagers woning in [plaats]. Het aspect van de proportionaliteit van de maatregel wordt in beide beschikkingen genoemd.

“de maatregel (de rechtbank begrijpt: de doorzoeking) staat gelet op de ernst van de beschuldiging en de sterke verdenking in verhouding tot het feit” en voorts

“Tegen de beschikking is het rechtsmiddel van bezwaar mogelijk. Het bezwaar heeft geen opschortende werking en dient bij het Amtsgericht Keulen te worden ingesteld”.

De rechtbank gaat er van uit dat ook ten aanzien van de ‘order’ van 3 juli 2010 het rechtsmiddel van bezwaar openstond nu de ‘order’ als de beide beschikkingen van 1 oktober 2019 en 18 september 2019 overigens identiek zijn.

Klager heeft desgevraagd verklaard dat hij in Duitsland geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikkingen omdat zijn raadsman hem had geadviseerd om in Nederland (in de onderhavige procedure) te klagen.

5.2

Bevoegdheid van de Duitse officier van justitie tot het uitvaardigen van een EOB

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of officieren van justitie in Duitsland bevoegd zijn om EOB’s uit te vaardigen. De rechtbank overweegt als volgt.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij arrest van 27 mei 2019 (ECLI:EU:C:2019:456) in de zaken C-508/18 (zaak OG) en C-82/19 PPU (zaak PI) de vragen beantwoord van de Ierse Supreme Court en de Ierse High Court, of het Openbaar Ministerie in Lübeck en het Openbaar Ministerie in Zwickau in Duitsland rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel (hierna ook: Kaderbesluit EAB) en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. In Duitsland is namelijk sprake van een ministeriële aanwijzingsbevoegdheid.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft voor recht verklaard:

“2. Het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op de openbare ministeries van een lidstaat die het risico lopen dat zij in een individueel geval rechtstreeks of indirect worden aangestuurd door of instructies ontvangen van de uitvoerende macht, zoals een minister van Justitie, in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel.”

In navolging van dit arrest heeft de rechtbank Amsterdam in overleveringszaken waarin het EAB was uitgevaardigd door een Duitse officier van justitie, overwogen dat het EAB niet was uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit EAB en dus niet door een ‘justitiële autoriteit’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, Overleveringswet en artikel 5 Overleveringswet. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat een EAB dat is uitgevaardigd door een Duitse officier van justitie, niet een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit EAB is en dus niet een beslissing van een justitiële autoriteit in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, Overleveringswet. De officier van justitie is in voorkomende gevallen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

Artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn EOB omschrijft een EOB als een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal.

De Richtlijn EOB geeft in artikel 2 onder c) de volgende definitie van het begrip ‘uitvaardigende autoriteit’:

“autoriteit”: i) een in de zaak bevoegde rechter, rechtbank, een onderzoeksrechter of officier van justitie, of ii) iedere andere door de uitvaardigende staat aangeduide bevoegde autoriteit, die in de zaak in kwestie optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit en overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegd is opdracht te geven tot bewijsgaring. Voordat het EOB wordt toegezonden aan de uitvoerende autoriteit, wordt het gevalideerd door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksrechter of een officier van justitie in de uitvaardigende staat, na onderzoek of het aan de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB uit hoofde van deze richtlijn, in het bijzonder de in artikel 6, lid 1, gestelde voorwaarden, voldoet. Indien het EOB door een rechterlijke autoriteit is gevalideerd, kan deze autoriteit in het kader van de verzending van het EOB ook als uitvaardigende autoriteit worden aangemerkt”.

Op 1 augustus 2019 heeft het Landesgericht für Strafsachen Wien (Oostenrijk) aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de vraag gesteld of - kort gezegd - het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 1, lid 1, van de Richtlijn EOB, en het begrip ‘officier van justitie’ in de zin van artikel 2, onder c), i), van die richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat hieronder ook de openbare ministeries van een lidstaat vallen, die het risico lopen dat zij in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel rechtstreeks of indirect worden aangestuurd door of instructies ontvangen van de uitvoerende macht.

De rechtbank leest het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ in de laatste volzin van artikel 2 onder c) van de Richtlijn EOB aldus dat het terugslaat op alle autoriteiten die in de vorige volzin worden genoemd (waaronder dus ook de officier van justitie).

In het hiervoor genoemde arrest van 27 mei 2019 in de zaken OG en PI overweegt het Hof van Justitie van de Europese Unie in rechtsoverweging 42:

“Met hun respectievelijke vragen, die samen moeten worden behandeld, wensen de verwijzende rechters in wezen te vernemen of het begrip „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 1 aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op de openbare ministeries van een lidstaat die bevoegd zijn voor strafvervolging en zich in een ondergeschikte positie bevinden ten opzichte van een orgaan van de uitvoerende macht van deze lidstaat, zoals een minister van Justitie, en die in een individueel geval rechtstreeks of indirect kunnen worden aangestuurd door of instructies kunnen ontvangen van dat orgaan in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel.”

Uit rechtsoverweging 49 blijkt dat het begrip „rechterlijke autoriteit” in de gehele Unie autonoom en uniform moet worden uitgelegd, “waarbij volgens vaste rechtspraak van het Hof rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/582, de context ervan en het doel van het kaderbesluit (…).”

Het Hof van Justitie van de Europese Unie overweegt in rechtsoverweging 51:

“Hieruit volgt dat het begrip „rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 2 ook autoriteiten van een lidstaat kan omvatten die zonder noodzakelijkerwijze rechters of rechterlijke instanties te zijn, deelnemen aan de strafrechtsbedeling in deze lidstaat.”

In rechtsoverweging 58 staat het volgende:

“Zoals bepaald in artikel 1, lid 1, van het kaderbesluit kan de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel aldus twee verschillende doelen hebben. Dit aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd met het oog op instelling van een strafvervolging in de uitvaardigende lidstaat, dan wel uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel in diezelfde lidstaat (…).”

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit bovengenoemde overwegingen dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in haar arrest van 27 mei 2019 expliciet heeft geoordeeld over het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van het Kaderbesluit EAB. Het arrest ziet naar het oordeel van de rechtbank daarom niet op de bevoegdheden van autoriteiten tot het uitvaardigen van een EOB. De rechtbank acht daartoe redengevend dat de gevolgen van een EAB voor de betrokken persoon vele malen ingrijpender (kunnen) zijn dan de gevolgen van een EOB, nu in het kader van een EAB een beslissing dient te worden genomen over de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon. Dit is anders bij een EOB, dat immers ziet op onderzoeksmaatregelen. Bovendien wordt de officier van justitie in de Richtlijn EOB expliciet aangeduid als autoriteit die bevoegd is om een EOB uit te vaardigen. De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 1 van de Richtlijn EOB een ander begrip is dan ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6 lid 1 van het Kaderbesluit EAB. Als gevolg hiervan is het arrest van 27 mei 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet één op één van toepassing op de regeling van het EOB.

De rechtbank stelt vast dat Duitse officieren van justitie bevoegd zijn tot het uitvaardigen van een EOB, zodat zij toekomt een inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift.

5.3

Inhoudelijke beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

De voorwerpen zijn in beslag genomen in verband met strafrechtelijke onderzoeken tegen, onder meer, klager in Duitsland ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in de EOB’s. Klager wordt in de EOB’s omschreven als verdachte. Bij de uitvoering van de EOB’s is het Nederlands recht van toepassing. De beoordeling van het klaagschrift dient plaats te vinden op de voet van artikel 552a Sv.

In deze procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert.


Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor - in dit geval - artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Nu de uitvaardigende autoriteit zich op het standpunt stelt dat het beslag van belang is voor de waarheidsvinding, dient de rechtbank in beginsel uit te gaan van de juistheid van die mededeling. Niet gebleken is van feiten en omstandigheden die maken dat van dat beginsel dient te worden afgeweken.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat, nu het onderzoek nog loopt, mede gelet op de inhoud van het EOB, voldoende is gebleken van een strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag, nu dit kan bijdragen aan de waarheidsvinding. Immers, de voorwerpen zijn in beslag genomen met het doel om de waarheid aan het licht te brengen en zijn daartoe ook geschikt.

Het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding verzet zich dan ook tegen opheffing van het beslag dan wel de teruggave van het nog niet aan klager geretourneerde beslag zoals verzocht.

De rechtbank moet verder beoordelen of er weigeringsgronden van toepassing zijn.

De rechtbank merkt daarbij op dat de evenredigheid van uitvaardigen van de EOB’s en het oordeel dat de inbeslagname bij kan dragen aan het bewijs en of deze proportioneel is in beginsel aan de uitvaardigende autoriteit is. Ingevolge artikel 5.4.10, tweede lid Sv. doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het bevel, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het onderhavig klaagschrift.

5.4

Lijstfeit

In EOB-I-2019039666 (kenmerk: 241 AR 1310/19) en EOB-I-2019039660 (kenmerk: 241 AR 1290/19) is als lijstfeit aangekruist: fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het lijstfeit in redelijkheid aangekruist. De rechtbank mag daarom de dubbele strafbaarheid van deze feiten niet onderzoeken (artikel 5.4.4, tweede lid, aanhef en onder a Sv).

5.5

Dubbele strafbaarheid

In EOB-I-2019036607 (kenmerk: 7 ER 146/19 – 7481 Js 221786/19) is geen lijstfeit aangekruist. Dit betekent dat de rechtbank de dubbele strafbaarheid moet toetsen. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid, aangezien het in onderdeel G) van het EOB omschreven feit naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, als: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

5.6

Conclusie

Het beklag dient ongegrond te worden verklaard.

6 Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M. Snijders Blok-Nijensteen en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2020.

De oudste en de jongste rechter zijn buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,

binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.

1 Onderstreping aangebracht door de rechtbank.

2 Onderstreping aangebracht door de rechtbank.