Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1854

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
13/286799-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 7.5 kilogram cocaïne in een rugtas. Vrijspraak voor het aanwezig hebben van hoeveelheden drugs die zijn aangetroffen in de woning waarin verdachte en medeverdachte zijn aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/286799-19 (Promis)

Datum uitspraak: 19 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1986,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres 1] , [plaats 1] ,

gedetineerd in [plaats detentie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.E.P.M. Kersten en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.P.J.C. Heuvelmans naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 28 november 2019 in [plaats 2] samen met een ander een hoeveelheid van 9.622,52 gram cocaïne en een hoeveelheid van 430 gram hennepolie voorhanden heeft gehad.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage (bijlage I) die aan dit vonnis is gehecht.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs die in de woning op het adres [adres 2] te [plaats 2] en in een rugtas zijn aangetroffen, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte deze hoeveelheden drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De politie heeft op 28 november 2019 onderzoek gedaan naar de woning van perceel [adres 2] te [plaats 2] . Verbalisanten die aan de voorkant van de woning stonden, zagen door het raam twee mannen in de woning. Zij belden aan en lieten weten dat zij van de politie waren. Verbalisanten die aan de achterkant van de woning stonden, hadden zicht op het balkon van de woning en zagen op het moment dat zij hun collega’s via de portofoon hoorden aanbellen een man het balkon op komen rennen. Een andere man bleef in de opening van de balkondeur staan. De man die naar buiten was gekomen hield een rugtas vast die hij vervolgens over de reling hing en op het balkon van de buren neerlegde. Vervolgens is deze man snel terug naar binnen gerend. De man die bij de balkondeur was blijven staan, sloot de balkondeur. Even later werd de voordeur open gedaan en trof de politie in de woning verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aan.

In de rugtas die op het balkon van de naastgelegen woning was gezet, zaten 7,5 blokken verpakt in donkere sokken met daarin in totaal ongeveer 7,5 kilogram cocaïne.

Verdachte heeft hierover bij de politie en bij de rechter-commissaris niet verklaard. Pas tijdens de zitting heeft hij een verklaring afgelegd, die erop neerkomt dat hij de tas niet had gezien tot het moment waarop hij de tas van medeverdachte in handen kreeg toen duidelijk was dat er politie voor de deur stond. Medeverdachte heeft tegen verdachte gezegd dat de tas zo snel mogelijk weg moest, zo heeft verdachte verklaard. Verdachte heeft de tas vervolgens weggegooid via het balkon. Verdachte heeft niet aan medeverdachte gevraagd waarom hij dit moest doen en raakte naar eigen zeggen in paniek. Hij kan op nadere vragen daarover niet goed uitleggen waarom er op dat moment voor hem reden was tot paniek. Ook heeft verdachte niet kunnen uitleggen waarom hij onder deze omstandigheden zomaar gehoor heeft gegeven aan dat wat medeverdachte hem zou hebben opgedragen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft op de zitting als getuige in de zaak van verdachte verklaard dat hij samen met verdachte in de woning was. Hij, medeverdachte, zag de rugzak in de woonkamer staan en heeft in de tas gekeken op het moment dat verdachte op het toilet was. Hij heeft gezien dat in de rugtas witte blokken zaten.

Verdachte heeft verklaard dat hij medeverdachte een paar dagen eerder had opgehaald op Schiphol. Op 28 november 2019 waren hij en medeverdachte samen het appartement ingegaan, een minuut of 20 voordat de politie aanbelde. Hij heeft toen wel de tas gezien, die er eerder niet stond. Maar hij wist niet wat erin zat.

Uit het feit dat verdachte en medeverdachte samen in de woning waren, het feit dat verdachte medeverdachte eerder van Schiphol had opgehaald, en het feit dat zij zich samen van de rugtas hebben willen ontdoen toen de politie voor de deur stond, gecombineerd met het feit dat medeverdachte zegt dat hij wist dat er blokken cocaïne in de tas zaten, leidt de rechtbank af dat ook verdachte wetenschap had (minimaal in de zin van voorwaardelijk opzet) van de inhoud van de tas. Verdachte heeft ook de beschikkingsmacht gehad over de tas, want hij heeft die vastgehad en over het balkon gegooid. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom bewezen dat verdachte de drugs die in de rugzak zaten tezamen en in vereniging met een ander voorhanden heeft gehad. De verklaring van verdachte dat hij niet wist wat er in de tas zat, stelt de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.

De rechtbank is met de raadsman eens dat niet is bewezen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van een zakje met 5,12 gram cocaïne en een pot met een hoeveelheid van 430 gram hennepolie in de woonkamer van de woning. Niet duidelijk is op welke plaats dit zakje cocaïne en de pot met hennepolie precies is gevonden en of deze verborgen waren of niet. Dit kan ook niet worden vastgesteld van het bolletje aluminium met daarin 15,4 gram cocaïne en een blok met 272 gram cocaïne die achter de wasmachine is aangetroffen. Daarom kan, ondanks dat verdachte in de woning aanwezig was, niet worden bewezen dat hij wetenschap had van deze drugs. De rechtbank zal verdachte van het voorhanden hebben van deze hoeveelheden vrijspreken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in de bijlage (bijlage II) opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 28 november 2019 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad in totaal ongeveer 7,5 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregel

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 35 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is onlangs opnieuw vader geworden en heeft vanwege het voorarrest de geboorte van zijn kindje al gemist.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met een ander ongeveer 7,5 kilogram cocaïne voorhanden gehad. Die hoeveelheid vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde en duidt er op dat deze cocaïne bestemd was voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne is een voor de volksgezondheid zeer schadelijke stof en met de verboden handel – die veel slachtoffers maakt – worden grote winsten gemaakt. Bovendien gaat de verspreiding van en de handel in cocaïne gepaard met vele andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft daaraan bijgedragen door deze drugs voorhanden te hebben.

De rechtbank houdt rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt genoemd dat bij het voorhanden hebben van een dergelijke hoeveelheid harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden uitgangspunt is. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er redenen zijn om van dit uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank heeft daarbij kennis genomen van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 4 februari 2020. Daaruit is af te leiden dat er eerder een transactie is uitgevaardigd, maar verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Dit strafblad geeft de rechtbank dus geen reden om aan verdachte een hogere of lagere straf op te leggen dan de straf die als uitgangspunt wordt genomen. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank ook geen reden om van het uitgangspunt af te wijken.

Alles overwegende, vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. Deze straf wijkt af van de vordering van de officier van justitie omdat de bewezenverklaarde hoeveelheid verdovende middelen kleiner is dan waar de officier van justitie in haar eis vanuit is gegaan en ook zoekt de rechtbank aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten en niet bij de richtlijnen die het Openbaar Ministerie hanteert.

Beslag

De onder verdachte in beslag genomen voorwerpen zijn opgenomen op de aan de rechtbank overhandigde beslaglijst die is opgenomen in een bijlage (bijlage III) die aan dit vonnis is gehecht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen sealapparaat opgenomen onder nummer 15, de geldtelmachine opgenomen onder nummer 24 en de goederen (sokken) onder de nummers 16, 17, 18. 19, 20 verbeurd worden verklaard. De hoeveelheden drugs op de beslaglijst opgenomen onder nummers 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14 en de telefoons onder nummers 21, 22, 23, 27, 28, 32, 33, 34, 35, simkaarten opgenomen onder nummer 25, twee gps-trackers onder nummers 29 en 30, een acculader onder nummer 31 moeten worden onttrokken aan het verkeer.

De in beslag genomen geldbedragen opgenomen onder nummers 1, 2, 3, en 4 kunnen worden bewaard voor de rechthebbende net als het in beslag genomen rijbewijs onder nummer 36 en de identiteitskaart onder 37.

De raadsman heeft over het beslag geen standpunt ingenomen.

Verbeurdverklaring

Van de voorwerpen op de beslaglijst opgenomen onder 15, 16, 17, 18, 19, 20, en 24, is niet bekend geworden aan wie zij toebehoren. Omdat de sokken onder nummers 16, 17, 18, 19 en 20 zijn gebruikt bij het feit en het sealapparaat onder 15 en de geldtelmachine onder nummer 24 tot het begaan van misdrijven zijn bestemd, zal de rechtbank deze verbeurd verklaren.

Onttrekking aan het verkeer

De verdovende middelen op de beslaglijst opgenomen onder nummers 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 en de gps-trackers opgenomen onder nummers 29 en 30, zijn in het onderzoek naar het door verdachte gepleegde misdrijf aangetroffen. Met betrekking tot de verdovende middelen genoemd onder 9, 11, 12, 13 en 14 is het misdrijf begaan. De goederen opgenomen onder 5, 6, 7, 8, 10, 29 en 30 zijn tot het begaan van het feit vervaardigd of bestemd. Deze voorwerpen zijn van een zodanig aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. Daarom dienen deze voorwerpen te worden onttrokken aan het verkeer.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel, zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.


Verklaart verbeurd:

- de goederen (een sealapparaat, sokken en een geldtelmachine) op de beslaglijst onder 15, 16, 17, 18, 19, 20 en 24.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- de goederen (verdovende middelen en gps-trackers) op de beslaglijst onder 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 29 en 30.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- de goederen (geldbedragen, telefoons, simkaarten, mp3-spelers en een acculader), op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 4, 21, 22, 23, 25, 26, 27, 28, 31, 32, 33, 34 en 35.

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van:

- de goederen (een rijbewijs en een identiteitsbewijs) op de beslaglijst onder 36 en 37.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P. Bleeker, voorzitter,

mrs. B.M. Visser en E.G.C. Groenendaal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Breukelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2020.

[...]

1 [...]

2 [...]

6 [...]

[...]