Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1847

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
13/752007-19
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB België. Genoegzaamheidsverweer verworpen. Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752007-19

RK nummer: 19/6152

Datum uitspraak: 13 maart 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 oktober 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juli 2019 door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (België), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

verblijvende te:

[adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 februari 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een rechterlijk aanhoudingsmandaat bij verstek van
15 juli 2019.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Genoegzaamheid

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de feitsomschrijving ongenoegzaam moet worden geacht, nu de rol van de opgeëiste persoon bij het feit dat in het EAB wordt genoemd, niet duidelijk en summier is omschreven. Er is immers alleen vermeld dat een medeverdachte een auto op verzoek van de opgeëiste persoon zou hebben gehuurd. Op grond daarvan dient de overlevering te worden geweigerd.

Oordeel van de rechtbank

In de eerste plaats verwijst de rechtbank naar een e-mail van 11 april 2019 van de uitvaardigende justitiële autoriteit over medeverdachte [medeverdachte]. Hierin is vermeld dat het gerechtelijk onderzoek, waarvoor ook de overlevering van de onderhavige opgeëiste persoon wordt gevraagd, ziet op de verkoop van synthetische drugs (amfetamines). In de uitspraak van deze rechtbank van 25 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3010 (niet gepubliceerd) in de overleveringszaak van medeverdachte [medeverdachte] is de overlevering toegestaan.

De opgeëiste persoon wordt - zo begrijpt de rechtbank - door de Belgische autoriteiten, kort gezegd, verdacht van het medeplegen van de productie en handel in synthetische drugs op verschillende tijdstippen in de periode vanaf 1 september 2018 tot en met 15 juli 2019 in Beveren (België).

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij dit feit genoegzaam zijn omschreven. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De vraag in hoeverre de opgeëiste persoon bij het feit betrokken is geweest, is een bewijskwestie die in de Belgische strafprocedure aan de orde dient te worden gesteld. Om die reden verwerpt de rechtbank het verweer.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit Belgisch recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De eerste substituut-procureur des Konings van het Parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen, Afdeling Dendermonde, heeft op 26 februari 2020 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit d.d. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon]

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Het feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden. De volgende argumenten zijn aangevoerd:

  • -

    het onderzoek is in België aangevangen;

  • -

    het bewijs bevindt zich in België;

  • -

    de medeverdachten bevinden zich in België;

  • -

    het drugslab bevindt zich in België.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 Wetboek van Strafrecht, artikelen 2 en 10 Opiumwet en artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde (België).

Aldus gedaan door

mr. Ch. A. van Dijk voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en R. Godthelp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van 13 maart 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.