Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1831

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
13/286791-19 (A), 13/281843-19 (B), 13/268835-19 (C)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GS van 210 dagen, waarvan 107 dagen vw en proeftijd van 3 jaar voor verschillende (winkel)diefstallen en overtreden van een gebiedsverbod. Vanwege een hardnekkige cocaïneverslaving zal verdachte een klinische behandeling ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/286791-19 (A), 13/281843-19 (B), 13/268835-19 (C), 13/264781-19 en 13/262293-19

Parketnummers tul: 13/701377-18 en 21/006544-17

Datum uitspraak: 20 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , [plaats 1] ,

gedetineerd in [plaats detentie] .

1 Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 20 februari 2020. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als zaak A, B en C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Westerman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.C. Fransen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

Zaak A:

Diefstal van goederen bij Deen supermarkt op 29 nov 2019;

Zaak B:

Heling van een fiets op 25 november 2019;

Zaak C:

13/268835-19

Diefstal van een laptop op 8 november 2019;

13/264781-19

Diefstal van cosmetica bij Albert Heijn op 4 november 2019;

13/262293-19

Overtreding van een gebiedsverbod op 3 november 2019.

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten bewezen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Zaak A (diefstal Deen)

Het feit kan bewezen worden op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Zaak B (heling fiets)

De politie zag verdachte fietsen op een VanMoof fiets ter waarde van € 1.000,-. Verdachte zou deze fiets hebben gekocht van een jongen, wiens identiteit verdachte niet bekend wil maken, op straat voor € 300,-. Verdachte is drugsgebruiker en heeft geen uitgebreid vermogen. Er waren geen aanwijzingen dat hij een bedrag van € 300,- had en dat hij daadwerkelijk dit bedrag betaald heeft voor de fiets. Verdachte had onder deze omstandigheden moeten vermoeden dat de fiets van diefstal afkomstig was.

Zaak C (diefstal laptop)

Het feit kan bewezen worden op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Zaak C (diefstal cosmetica)

Verdachte heeft de spullen in een tas gestopt, en niet in het mandje. Hierdoor heeft hij de goederen aan het zicht onttrokken. Hij liep richting de kassa en rende weg toen hij werd aangesproken. Verdachte heeft verklaard dat hij de goederen wilde kopen. Er is geen geld of een pinpas aangetroffen bij verdachte, waardoor zijn verklaring ongeloofwaardig is.

Zaak C (overtreding gebiedsverbod)

Het feit kan bewezen worden op grond van het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van uitreiking.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat zaak A (diefstal Deen), zaak C (diefstal laptop) en zaak C (overtreding gebiedsverbod) kan worden bewezen. Voor de zaak B (heling fiets) en zaak C (diefstal cosmetica) moet verdachte worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de raadsman dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor zaak B (heling fiets). Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Zaak B (heling fiets)

Verdachte heeft de fiets voor € 300,- gekocht. Hij heeft zelfs in het RDW gecheckt of de fiets als gestolen stond geregistreerd. Uit de registratie van VanMoof bleek pas later dat de fiets was

gestolen. Daarnaast zaten de sleutels nog in het slot, toen verdachte de fiets kocht. De officier van justitie hecht veel waarde aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name

dat hij een drugsgebruiker is en geen geld zou hebben. Er is geen redelijk vermoeden van schuld, nu de verklaring van verdachte geloofwaardig is. Subsidiair moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging, als de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig vindt. Dan zou hij, gelet op de korte tijdsspanne, de dief moeten zijn van de fiets. Een dief kan niet de heler zijn en diefstal is niet ten laste gelegd

Zaak C (diefstal cosmetica)

Verdachte heeft de goederen niet aan het zicht onttrokken. De tas van verdachte zat in het winkelmandje. Toen verdachte de goederen in de tas deed, stopte hij de goederen ook in het mandje. De tas was niet dicht of verstopt. Ze controleerden verdachte vanwege zijn uiterlijke kenmerken. Uit de camerabeelden blijkt ook dat verdachte achteraan in de rij aansluit. Naar uiterlijke verschijningsvorm lijkt het alsof verdachte de goederen wilde afrekenen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak zaak B (heling fiets)

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich op 25 november 2019 schuldig heeft gemaakt aan heling van een fiets.

Verdachte heeft verklaard dat hij de fiets voor € 300,- op straat heeft gekocht van een jonge man om later weer door te verkopen, dat hij daarvoor een deel van zijn uitkeringsgeld had gepind, dat hij bij de RDW had gecheckt of de fiets als gestolen stond geregistreerd en dat de sleutel in het slot van de fiets zat. Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte de fiets heeft gekocht (met de sleutel nog in het slot zoals ook blijkt uit het dossier) en het bedrag dat verdachte daarvoor zegt te hebben betaald, is zijn verklaring niet ongeloofwaardig. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze fiets van diefstal afkomstig was. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit feit.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

Zaken A en C (diefstal Deen en diefstal laptop)

De rechtbank is van oordeel dat de diefstal van verschillende goederen ter waarde van € 132,75 bij Deen supermarkt (zaak A) en de diefstal van een laptop (zaak C) kunnen worden bewezen. Omdat verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.

Zaak C (diefstal cosmetica)

De rechtbank is van oordeel dat de diefstal van cosmetica bij Albert Heijn op 4 november 2019 kan worden bewezen en overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal waarin door een verbalisant is beschreven wat hij op de camerabeelden van Albert Heijn van 4 november 2019 heeft waargenomen, maakt de rechtbank op dat de verbalisant zag dat verdachte een mandje in zijn hand had met daarin een grote plastic Action tas. Bij de schappen zette hij vervolgens zijn mandje neer en pakte daaruit de Action tas. Verdachte plaatste een product in het mandje, maar deed ook een paar artikelen in de Action

tas. De verbalisant zag dat verdachte dit een aantal keren deed. Op de beelden is niet duidelijk te zien hoeveel artikelen verdachte in zijn mandje of zijn tas plaatste. Maar de verbalisant nam later op de beelden waar dat de Action tas halfvol leek te zitten, terwijl op de beelden een leeg mandje te zien was. Verdachte stelde zich daarna op in de rij voor de kassa, zonder producten in zijn mandje maar met een gevulde Action tas. Als verdachte wordt aangesproken door het personeel, laat verdachte de tas achter en probeert hij te ontkomen door zich langs een hekje bij de kassa te wringen.

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte in voldoende mate wordt ondersteund door de waarnemingen van de verbalisant op de camerabeelden.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij boodschappen in een plastic tas had gedaan, die in het mandje stond. Hij wilde de boodschappen gewoon afrekenen. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk, op basis van de camerabeelden en de omstandigheid dat er bij verdachte geen geld of pinpas is aangetroffen.

De handelingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als wegnemingshandelingen. Verdachte had de producten in zijn tas gestopt, waardoor hij de producten aan de beschikkingsmacht van de winkel heeft onttrokken. Hieruit volgt dat verdachte kennelijk het oogmerk had om de producten te stelen. Het feit dat verdachte de kassa niet heeft gepasseerd met de producten, staat een voltooide diefstal niet in de weg.

Zaak C (overtreding gebiedsverbod)

De rechtbank is van oordeel dat de overtreding van het gebiedsverbod op 3 november 2019 kan worden bewezen en overweegt als volgt.

Op 3 november 2019 werd door een verbalisant op camerabeelden gezien dat verdachte een telefoon probeerde te stelen. Verdachte werd ter hoogte van de Oudezijds Achterburgwal staande gehouden. Omdat het slachtoffer geen aangifte wilde doen, reikte de verbalisant een verwijderingsbevel (artikel 2.9 APV) uit aan verdachte om 04:00 uur voor de duur van 24 uur. Hierbij kreeg hij ook een waarschuwingskaart met de grenzen van het overlastgebied (gebied 1 Centrum) mee.

Een uur later werd verdachte door een andere verbalisant, die hem direct herkende, aangetroffen op het Beursplein, welke locatie binnen het verbodsgebied valt. Toen de verbalisant verdachte naderde, zei verdachte: “Ik ga al weg.” Verdachte werd hierop aangehouden.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte het gebiedsverbod op 3 november 2019 heeft overtreden.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Zaak A (13/286791-19)

op 29 november 2019 te Amsterdam, levensmiddelen (totale waarde 132,75 euro), die toebehoorde aan DEEN Winkels B.V., heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Zaak C

13/268835-19

op 8 november 2019 te Amsterdam, een tas, inhoudende een (MacBook) laptop, die toebehoorde aan [persoon 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

13/264781-19

op 4 november 2019 te Amsterdam, cosmeticaproducten, die toebehoorde aan Albert Heijn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

13/262293-19

op 3 november 2019 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, om zich uit het overlastgebied 1 Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 24 uur niet meer te bevinden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 280 dagen, waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 120 dagen, waarvan 17 dagen voorwaardelijk, zodat verdachte naar de overbruggingsplek kan. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de duur van de bijzondere voorwaarde van een klinische opname te beperken tot maximaal 1 jaar.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen voor behoorlijke bedragen. Dit zijn ergerlijke feiten, die leiden tot schade en onrust in de maatschappij en die overlast en hinder veroorzaken voor winkels en personen. Daarnaast heeft verdachte een laptop gestolen uit een café. Verdachte heeft met zijn handelen getoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendom.

Tot slot heeft verdachte een gebiedsverbod overtreden. Zulke verboden hebben tot doel het verstoren van de openbare orde en overlast aan bewoners, bedrijven en toeristen binnen een

bepaald gebied tegen te gaan. Door een dergelijk bevel te negeren, frustreert verdachte het door de gemeente gevoerde beleid op dat gebied.

Persoonlijke omstandigheden

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 21 januari 2020, waaruit blijkt dat verdachte meerdere keren is veroordeeld voor vermogensdelicten en overtredingen van gebiedsverboden.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van de reclasseringsrapporten van 5 december 2019, 9 januari, 31 januari en 6 februari 2020, opgemaakt door S. van Niekerken.

Verdachte heeft een hardnekkige cocaïneverslaving, waardoor hij zich onvoldoende aan afspraken in het kader van een ambulante behandeling houdt. Er is sprake van een patroon van detenties, het opstarten van hulpverlening, een terugval in middelengebruik, het opbouwen van financiële problemen en het vervallen in delictgedrag, waarna een nieuwe detentie onvermijdelijk blijkt en verdachte weer van voren af aan begint. Verdachte is niet in staat deze cirkel, waarin hij rond loopt, te doorbreken. Door enerzijds zelfoverschatting en anderzijds de aantrekkingskracht van harddrugs breekt hij behandelingen af. Driemaal eerder kreeg verdachte een ISD-maatregel opgelegd. Verdachte voldoet opnieuw aan de harde ISD criteria. Verdachte is aangemeld bij het IFZ en een indicatie voor een klinische behandeling is afgegeven. Na afwijzing bij kliniek De Hooge Venne in Heiloo, is verdachte geaccepteerd door forensische kliniek [naam 1] in [plaats 2] . Omdat [naam 1] een wachtlijst had, is een tijdelijke overbruggingsplek geregeld voor verdachte per 24 februari 2020 bij [naam 2] .

De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldplicht, een opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname en beschermd wonen. Zonder deze voorwaarden is en blijft het recidiverisico onverminderd hoog.

De rechtbank heeft reclasseringswerker A.W. Groenewoud op de zitting als deskundige gehoord. Hij adviseert een langdurige klinische behandeling voor verdachte. Na de klinische opname, zal een vervolgtraject met ambulante behandeling (onder begeleiding van het FACT-team) en beschermd wonen noodzakelijk zijn. Verdachte zou op 24 februari 2020 kunnen worden opgevangen bij [naam 2] . Daar wordt een ontgiftingstraject opgestart, waarna verdachte kan doorstromen naar [naam 1] . De klinische behandeling kan de gehele

proeftijd duren of korter als de reclassering dat nodig vindt. Dit geldt eveneens voor de ambulante behandeling.

Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij de voorgestelde plannen van de reclassering ziet zitten en graag behandeld wil worden voor zijn drugsverslaving. Hij is bereid zich te houden aan alle voorwaarden.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies en neemt het advies van de reclassering over.

Omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie, komt zij tot een lagere straf dan geëist.

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is, maar ziet aanleiding in de omstandigheid dat behandeling noodzakelijk is en dat er per 24 februari 2020 een overbrugginsplek beschikbaar is om een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Dit heeft tot gevolg dat verdachte niet meer terug hoeft naar de gevangenis, maar per 24 februari 2020 zal worden overgeplaatst naar [naam 2] .

De rechtbank heft om die reden het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde gevangenisstraf. Deze beslissing is separaat geminuteerd.

Anders dan door de raadsman verzocht zal de rechtbank de klinische behandeling niet maximeren tot een duur van 1 jaar. Het is in het belang van verdachte dat er genoeg tijd kan worden genomen voor de behandeling. Daarnaast is het van belang dat, indien er na 1 jaar nog geen vervolgplek is gevonden, verdachte langer in de kliniek kan blijven om te voorkomen dat verdachte op straat komt te staan.

Aan verdachte wordt een gevangenisstraf van 210 dagen met aftrek, waarvan 107 dagen voorwaardelijk, opgelegd. Ter voorkoming van recidive zal de rechtbank aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, met een proeftijd van 3 jaar.

8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

Ten aanzien van 13/701377-18

Bij de stukken bevindt zich de op 6 januari 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/701377-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 20 maart 2018 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) weken, met bevel dat van deze straf 12 (twaalf) weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post op 7 april 2018 is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden, te weten het niet voldoen aan de meldplicht bij de reclassering en zijn behandelverplichting.

De rechtbank ziet aanleiding om de proeftijd met 1 jaar te verlengen, zodat het behandeltraject van verdachte niet wordt doorkruist.

Ten aanzien van 21/006544-17

Bij de stukken bevindt zich de op 29 november 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 21/006544-17, betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 17 april 2019 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 50 (vijftig) uur met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 (twee) jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte op 10 mei 2019 per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 184, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in de zaak B ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A en zaak C ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A (13/286791-19):

diefstal;

Zaak C - 13/268835-19

diefstal;

Zaak C - 13/264781-19

diefstal

Zaak C - 13/262293-19

opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 210 (tweehonderdtien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte van 107 (honderdzeven) dagen van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarde houdt.

Stelt als algemene voorwaarde:

- dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als de verdachte gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Opname in een zorginstelling

dat verdachte zich op 24 februari 2020 laat opnemen in zorginstelling [naam 2] . Indien een plek beschikbaar komt bij [naam 1] , zal verdachte zich daar moeten laten opnemen. De opname duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)

dat verdachte zich laat behandelen door de Forensisch Ambulante Zorg van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels

en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Bij overmatig middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Beschermd wonen of maatschappelijke opvang

dat verdachte verblijft bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische behandeling en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Geeft aan SVG (Stichting Verslavingsreclassering en GGZ) reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis van 17 juli 2019 met parketnummer 21/006544-17 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een taakstraf van 50 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen.

Verlengt de proeftijd met 1 jaar van het bij genoemd vonnis van 20 maart 2018 met parketnummer 13/701377-18 opgelegd voorwaardelijk strafdeel, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Dolfing, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en M. M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Onnink, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 20 februari 2020.

[...]