Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1814

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
13/278803-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 24-jarige man is veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf omdat hij een vrouw in juli 2019 in haar woning heeft verkracht nadat zij elkaar eerder waren tegengekomen in een Amsterdamse uitgaansgelegenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/278803-19 (Promis)

Datum uitspraak: 19 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

gedetineerd in het [detentieadres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.H. van der Meij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J. Sietsma naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 27 juli 2019 [slachtoffer] heeft verkracht.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage (bijlage I) die aan dit vonnis is gehecht.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 27 juli 2019 was aangeefster [slachtoffer] na een lange avond stappen op een afterparty voor horecamedewerkers in uitgaansgelegenheid ‘Bubbels’ in Amsterdam. Verdachte was daar ook. Verdachte en [slachtoffer] zijn uiteindelijk samen in een taxi gestapt en naar de woning van [slachtoffer] toegegaan. Verdachte is in haar woning naar het toilet geweest en [slachtoffer] heeft hem een drankje aangeboden, maar zij wilde eigenlijk gaan slapen. Na het aantrekken van haar nachtjapon in de badkamer, is zij op bed gaan liggen. Verdachte lag ook op het bed. Vervolgens heeft er seksueel contact tussen [slachtoffer] en verdachte plaatsgevonden.

De verklaringen van [slachtoffer] en verdachte over de aard en vrijwilligheid van dit seksuele contact lopen sterk uiteen. [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij door verdachte is verkracht. Verdachte is haar besprongen, is toen met zijn penis in haar vagina gegaan en heeft vervolgens hard met zijn penis in haar vagina gestoten. Daarnaast is hij met zijn vingers en hand in haar vagina en anus gegaan en heeft hij haar mond naar zijn penis gebracht en heeft hij met zijn penis in haar mond gestoten. Ook heeft verdachte zijn tong in de mond van [slachtoffer] geduwd. Verdachte heeft geweld gebruikt door [slachtoffer] vast te pakken, bij de keel te grijpen, op haar rug te slaan en in haar borsten en tepels te knijpen, krassen en bijten. [slachtoffer] heeft meerdere malen aangegeven dat verdachte moest ophouden, dat zij pijn had en zij heeft geprobeerd de armen van verdachte weg te duwen. Verdachte gebruikte in eerste instantie op verzoek van [slachtoffer] een condoom, maar heeft dat later afgedaan omdat hij er last van had. Op een gegeven moment zag verdachte dat zij bloedde, dat vond hij vies en toen is hij gestopt. Hij heeft toen iemand gebeld om hem op te komen halen. Aangeefster lag op bed met een kussen voor haar buik. Verdachte heeft dit kussen weggetrokken en haar een tweede keer verkracht. Daarna is hij weggegaan.

Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] heeft verkracht. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer] vrijwillig seks met hem heeft gehad, dat hij niet agressief is geweest en dat hij [slachtoffer] niet heeft gebeten of geslagen. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat zij toen ze in de woning waren aangekomen eerst een tijdje hebben gepraat. Op een gegeven moment begon het voorspel, waarna verdachte [slachtoffer] vaginaal heeft gepenetreerd. Daarbij heeft hij geen verbale of non-verbale signalen gekregen dat [slachtoffer] de geslachtsgemeenschap niet wilde of niet prettig vond. [slachtoffer] zei juist dat ze het harder wilde. Er was wel sprake van wat ruwere seks, maar dat was dus juist omdat [slachtoffer] daar zelf om vroeg. Verdachte stelt dat hij niet met zijn vingers in haar anus en vagina is geweest en [slachtoffer] op zijn verzoek vrijwillig haar mond naar zijn penis heeft gebracht en hij niet haar hoofd op zijn penis heeft gedrukt. Op een gegeven moment is hij gestopt omdat ze bloedde. Verdachte heeft toen nog iets gedronken en ze hebben nog gekletst, en toen is verdachte naar huis gegaan.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt de ten laste gelegde verkrachting bewezen.

Zij baseert zich daarbij op de verklaring van [slachtoffer] die zij consequent en consistent vindt ten aanzien van de gebeurtenissen en het tijdspad. De verklaring van [slachtoffer] is authentiek en eerlijk, wat ook blijkt uit het feit dat [slachtoffer] haar eigen gedrag niet onbenoemd laat. Zo heeft zij verklaard dat zij die avond behoorlijk dronken was en cocaïne had gebruikt. De officier van justitie vindt deze verklaring daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Bovendien vindt deze verklaring verankering in ander bewijsmateriaal, onder meer in de resultaten van het medisch forensisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] en het daarbij waargenomen letsel op haar borsten, genitaliën, rug en de blauwe plekken. Daarnaast zijn de verklaringen van getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] ondersteunend voor de verklaring van [slachtoffer] .

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft verkracht.

De verklaringen van [slachtoffer] moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat deze niet betrouwbaar zijn. [slachtoffer] was die avond zeer onder invloed van drank en drugs, wat maakt dat haar verklaringen onbetrouwbaar zijn. Bovendien zijn haar verklaringen op bepaalde punten inconsistent. De verklaringen van [slachtoffer] kunnen daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Daarnaast is er geen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. Het medisch forensisch onderzoek is niet getoetst aan een hypothese, zodat de letselverklaring niet als bewijs kan dienen. De letselverklaring biedt bovendien geen steun voor de verklaring van [slachtoffer] omdat geen letsels zijn waargenomen direct rondom de anus en niet wordt beschreven dat bijtwonden of wonden of krassen veroorzaakt door nagels zijn geconstateerd. Ook zijn geen blauwe plekken op de rug en buik van [slachtoffer] waargenomen, terwijl zij wel verklaard heeft dat ze zo hard werd geslagen dat het voelde als een brandplek. Bovendien is niet uitgesloten dat de letsels die in de letselverklaring staan beschreven, zijn ontstaan door vrijwillige, ruige seks. De overige getuigen die een verklaring hebben afgelegd, hebben de informatie uit één en dezelfde bron, namelijk aangeefster, zodat ook die verklaringen niet ondersteunend zijn voor de lezing van [slachtoffer] .

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Dat verdachte en [slachtoffer] seksuele gemeenschap hebben gehad, wordt niet door verdachte betwist. Het draait in deze zaak om de vraag of het seksuele contact al dan niet met wederzijdse instemming heeft plaatsgevonden.

Anders dan de raadsman, vindt de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De verklaringen lijken authentiek en ondanks dat [slachtoffer] in aanloop naar de gebeurtenis alcohol en drugs had gebruikt, heeft zij een consistente en heldere beschrijving kunnen geven van wat zich in haar woning heeft voorgedaan. De volgorde van de verschillende handelingen van verdachte heeft zij wellicht niet helemaal duidelijk en wisselt iets in de informele verklaring ten opzichte van de aangifte. Dit neemt niet weg dat de lijn en de strekking van de gebeurtenissen volstrekt helder is in haar verklaringen. Haar verklaring vindt bovendien op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Allereerst wordt deze ondersteund door de verklaring van verdachte dat hij op 27 juli 2019 samen met haar naar haar woning is gegaan en daar seksueel contact met haar heeft gehad.

De verklaring van [slachtoffer] vindt daarnaast bevestiging in de uitkomsten van het medisch forensisch onderzoek. Hieruit blijkt dat [slachtoffer] op 27 juli 2019 in de middag, enkele uren nadat zij zegt door verdachte met geweld te zijn verkracht, letsel had op verschillende plekken op haar lichaam, waaronder bloeduitstortingen en krasletsel aan haar hals, borsten, rug, genitaliën en armen. Dat geen letsel is geconstateerd bij de anus, terwijl [slachtoffer] zegt dat verdachte met zijn vinger en hand haar anus binnendrong, doet daar niet aan af. De medische verklaring meldt immers ook dat dit niet uitsluit dat er (pogingen tot) penetratie van de anus hebben plaatsgevonden. De verklaring van verdachte dat het letsel van [slachtoffer] mogelijk is ontstaan door vrijwillige ‘ruige’ seks, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.

De verklaring van [slachtoffer] vindt ook bevestiging in diverse getuigenverklaringen en bevindingen van de politie. Op 27 juli 2019 om 08:34 uur heeft [slachtoffer] aan getuige [getuige 1] een voicememo gestuurd waarin zij [getuige 1] vertelt dat ze seks heeft gehad met een jongen en dat hij haar heel veel pijn heeft gedaan. Ondanks dat ze tegen deze jongen heeft gezegd dat hij op moest houden, ging hij gewoon door. Later sprak [getuige 1] [slachtoffer] aan de telefoon. [slachtoffer] vertelde het verhaal opnieuw en was aan het huilen. Toen [getuige 1] bij [slachtoffer] thuis kwam, was zij nog steeds aan het huilen. Later heeft [slachtoffer] [getuige 1] ook verteld dat de jongen haar hoofd had vastgepakt en om zijn penis had geforceerd, haar heel veel had geslagen en ook anaal had verkracht. Ze heeft zijn armen geprobeerd weg te trekken, maar dat lukte niet. Getuige [getuige 2] kwam [slachtoffer] die ochtend tussen 10:30 en 11:30 uur tegen in de binnentuin. [slachtoffer] maakte een verslagen en verdrietige indruk en vertelde huilend dat er iets heel ergs was gebeurd met een jongen en dat er dingen zijn gebeurd die zij niet wilde. Om 10:48 uur die ochtend heeft [slachtoffer] getuige [getuige 4] opgebeld. Zij heeft hem verteld dat zij verkracht was en dat die jongen haar veel pijn heeft gedaan. [getuige 4] is naar het huis van [slachtoffer] gegaan en daar trof hij haar gebroken aan. [slachtoffer] was aan het huilen, was verward en had trillingen in haar stem. Omstreeks 11:15 uur die ochtend arriveerden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] na een melding van verkrachting op het adres van [slachtoffer] . [slachtoffer] verklaarde dat ze vaginaal, anaal en oraal is verkracht en dat de jongen haar pijn heeft gedaan en zij blauwe plekken had op haar borst omdat hij zo hard in haar borsten had geknepen en er ook in had gebeten. Getuige [getuige 3] heeft [slachtoffer] diezelfde dag aan de telefoon gesproken en merkte dat ze helemaal van slag was. Ze had haar nog nooit zo meegemaakt. Later heeft [slachtoffer] haar verteld dat ze verkracht is.

Deze, door verschillende getuigen waargenomen, emotionele gesteldheid van [slachtoffer] kort na de gemeenschap met verdachte, ondersteunt de verklaringen van [slachtoffer] dat zij de seksuele gedragingen niet vrijwillig heeft ondergaan. Daarmee komt het ondersteunende bewijs voor de verklaring van aangeefster op dit punt – anders dan de raadsman stelt – niet uit één en dezelfde bron. Uit de verschillende getuigenverklaringen volgt bovendien dat [slachtoffer] aan alle getuigen een weergave van de gebeurtenissen van die ochtend heeft gegeven die overeenkomt met haar verklaringen tegenover de politie. Dat ondersteunt de betrouwbaarheid van haar politieverklaringen.

Het verweer van de raadsman dat voor verdachte niet kenbaar is geweest dat [slachtoffer] geen seks met hem wilde, wordt verworpen. Zelfs als de seks in de beleving van verdachte min of meer vrijwillig zou zijn begonnen, moet voor verdachte gedurende het verloop van de gebeurtenissen duidelijk zijn geworden dat [slachtoffer] niet wilde en niet instemde met zijn handelingen. Dit volgt uit de geweldshandelingen die de rechtbank bewezen acht. De rechtbank vindt bovendien bewezen dat aangeefster meerdere keren aan verdachte heeft gevraagd of hij weg wilde gaan en op wilde houden, dat zij zijn armen probeerde weg te duwen en dat zij heeft gezegd dat hij haar pijn deed.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de seksuele handelingen opzettelijk tegen de wil van aangeefster heeft gepleegd. Omdat de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar vindt en deze verklaring op essentiële punten steun vindt in ander bewijs, sluit de rechtbank bij de bewezenverklaring aan bij dat wat [slachtoffer] over de door verdachte verrichte seksuele gedragingen heeft verklaard.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in een bijlage (bijlage II) opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 27 juli 2019 te Amsterdam door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte,

- [slachtoffer] krachtig vastgepakt en

- [slachtoffer] bij de keel gegrepen en

- hard met zijn hand en vuist op de rug van [slachtoffer] geslagen en

- meermalen hard in de borsten of met zijn nagels in de tepels van [slachtoffer] geknepen/gekrast en in de borsten van [slachtoffer] gebeten en

- zijn tong in de mond van [slachtoffer] geduwd en

- het hoofd van [slachtoffer] vastgepakt en naar zijn penis geduwd en

- zijn penis in de mond van [slachtoffer] geduwd en

- hard met zijn penis in de mond van [slachtoffer] gestoten en

- zijn hand, in elk geval een of meer vingers, meermalen hard in de vagina en de anus van [slachtoffer] geduwd/gestoten en

- meermalen zijn penis in de vagina van [slachtoffer] geduwd en

- meermalen met zijn penis hard in de vagina van [slachtoffer] gestoten.

De taal- en schrijffouten die in de tenlastelegging stonden, zijn verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat sprake is van een hoog herhalingsrisico, de mate van geweld waardoor aangeefster fors letsel heeft opgelopen, het besmettingsrisico omdat verdachte het condoom heeft afgegaan en het gebrek aan berouw en empathie bij verdachte. [slachtoffer] kampt tot op de dag van vandaag met psychische en fysieke klachten door het delict.

7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsman geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, namelijk het verkrachten van [slachtoffer] . Verdachte is in de nacht van 27 juli 2019 in contact gekomen met [slachtoffer] en zij zijn samen met de taxi naar het huis van [slachtoffer] gegaan. In de woning heeft hij haar gedwongen seks met hem te hebben waarbij hij fors geweld heeft gebruikt. Verdachte heeft met zijn handelen de door [slachtoffer] aangegeven grenzen overschreden en daarmee een grove inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. [slachtoffer] heeft op de zitting een verklaring voorgedragen waaruit blijkt wat voor verregaande gevolgen deze gebeurtenis heeft gehad op haar leven. Zij heeft nog steeds pijnscheuten in haar onderbuik omdat zij door het trauma spanning op haar bekken houdt. Zij is bang voor geluid, zij is bang voor mannen en voelt zich niet meer veilig op straat. Door toedoen van verdachte is haar vertrouwen in mensen beschadigd. Zij is als gevolg van het misdrijf haar baan verloren en omdat zij gezien haar gesteldheid niet in staat is een nieuwe baan te zoeken, dreigt zij in financiële problemen te raken. Ook is [slachtoffer] gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis waarvoor zij wordt behandeld.

Voor het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar het oriëntatiepunt dat in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) is vastgesteld voor verkrachting. Dat oriëntatiepunt noemt als vertrekpunt bij een verkrachting een gevangenisstraf van 24 maanden. De rechtbank vindt dat er in dit geval strafverzwarende factoren zijn die maken dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken. In de eerste plaats heeft verdachte fors geweld gebruikt als gevolg waarvan [slachtoffer] fysiek letsel heeft opgelopen. Dat [slachtoffer] door het delict is getraumatiseerd, is ook zonder meer strafverzwarend. Ook bestond er een risico voor [slachtoffer] dat zij besmet zou zijn met een seksueel overdraagbare aandoening omdat verdachte tijdens de seks het condoom heeft afgedaan. Tot slot vindt de rechtbank strafverzwarend dat verdachte het feit heeft begaan in de woning van [slachtoffer] , terwijl dit juist voor haar de plek moet zijn waar zij zich veilig zou moeten voelen.

De rechtbank heeft op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van 4 februari 2020 van verdachte gezien dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Dit strafblad geeft de rechtbank dus geen reden om aan verdachte een hogere of lagere straf op te leggen.

Over de persoon van verdachte is een pro-Justitiarapportage van 21 februari 2020 opgesteld door psycholoog Y. Yntema. De psycholoog concludeert dat sprake is van een lichte stoornis in het gebruik van alcohol bij verdachte en dat dit ten tijde van het plegen van het delict ook al zo was. Deze lichte stoornis heeft, ondanks dat verdachte stelt aangeschoten te zijn geweest ten tijde van het delict, geen invloed gehad op zijn gedragskeuzes op dat moment. Wel kan deze problematiek mogelijk van invloed zijn op het denken en handelen van verdachte. De psycholoog heeft geadviseerd het delict volledig aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt dit advies over.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van 27 februari 2020.

Hoewel er geen stoornis is vastgesteld en er geen behandeladvies is gegeven vanuit het pro-Justitiarapport, maakt de reclassering zich ernstig zorgen om verdachte. Zij vinden interventies wel noodzakelijk, onder andere vanwege de ernst van het feit, de antisociale gedragingen van verdachte en zijn psychosociaal functioneren. Zij zien aanwijzingen voor pro-criminele opvattingen en er spelen problemen op het gebied van wonen en werken. Daarnaast is er sprake van een hoog recidiverisico. Bij een veroordeling wordt daarom een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van ambulante behandeling bij De Waag, oplegging van een alcohol- en een contactverbod, en overige voorwaarden zoals meewerken aan schuldhulpverlening en middelencontrole. Op de zitting heeft verdachte aangegeven dat hij zich niet in het advies van de reclassering en de voorgestelde voorwaarden kan vinden en het niet eens is met het door de reclassering geadviseerde behandel- en begeleidingsplan.

Hoewel de rechtbank wel de noodzaak ziet van interventies op de gebieden wonen, werk, inkomen en de alcoholproblematiek van verdachte, ziet zij op dit moment geen mogelijkheden voor behandeling en begeleiding door de reclassering omdat verdachte heeft laten blijken dat hij daar niet open voor staat. Aangezien de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van aanzienlijke duur zal opleggen, kunnen de door de reclassering voorgestelde voorwaarden mogelijk in het kader van de voorlopige invrijheidsstelling, als verdachte daarvoor in aanmerking komt, uitgevoerd worden.

Alles afwegende, in het bijzonder de ernst van het feit, vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren, een passende en geboden straf. De strafduur is lager dan de officier van justitie heeft geëist omdat de rechtbank niet uitgaat van de richtlijnen van het Openbaar Ministerie maar de LOVS-oriëntatiepunten waarin een lager oriëntatiepunt wordt genoemd.

8. Beoordeling van de vordering benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 265,90 als vergoeding van materiële schade en € 20.000,- als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de bepleite vrijspraak verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair moet niet-ontvankelijkheid volgen omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van de strafzaak oplevert. Meer subsidiair kan het causaal verband tussen de gevolgen die de gebeurtenis voor [slachtoffer] heeft gehad en het ten laste gelegde niet worden aangetoond omdat [slachtoffer] al vóór 27 juli 2019 onder behandeling was bij een psycholoog.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Op de zitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer] niet een onevenredige belasting van de strafzaak oplevert.

Verder staat vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De hoogte van de vordering van de materiële schade is onderbouwd met een factuur van huisarts [huisarts] voor het opstellen van een schriftelijke beantwoording van vragen en een kopie van een bon van de kosten voor een matras.

Ook staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij door het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit. Dat daarvan evident sprake is, blijkt uit de aard van het delict, de omstandigheden waaronder die verkrachting heeft plaatsgevonden en de onderbouwing van de vordering met onder meer een verklaring van huisarts [huisarts] van 28 februari 2020, waaruit volgt dat [slachtoffer] na de gebeurtenis ruim twee weken last had van pijn in het genitaal gebied en tot op de dag van vandaag last heeft van bekkenpijnen door bekkenbodemhypertonie waarvoor zij later nog behandeld zal worden. Daarnaast is de vordering onderbouwd met een verklaring van psychiater H. Dalmeijer en sociotherapeut A. Duinmeijer van 18 februari 2020, waarin wordt beschreven dat [slachtoffer] naar aanleiding van de gebeurtenis klachten heeft die passen bij een posttraumatische stress-stoornis waarvoor zij wordt behandeld met EMDR therapie. Ook krijgt [slachtoffer] medicatie vanwege hardnekkige slaapklachten en voert zij ondersteunende gesprekken met voornoemde sociotherapeut. Het causaal verband tussen het psychisch letsel en het bewezenverklaarde is daarmee voldoende aangetoond. Ook is hiermee aangetoond dat de gevolgen van het bewezenverklaarde feit voor de benadeelde zeer groot zijn en tot op de dag van vandaag voortduren. Dit volgt ook uit de verklaring die de benadeelde als slachtoffer op de zitting heeft afgelegd. Alles bij elkaar genomen vindt de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 20.000,- redelijk en billijk.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van in totaal € 20.265,90 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2019 tot aan de dag waarop het bedrag volledig is voldaan.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte tegenover het slachtoffer [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die haar door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 20.265,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2019 tot aan de dag waarop het bedrag volledig is voldaan.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

verkrachting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van in totaal

€ 20.265,90 (twintigduizendtweehonderdvijfenzestig euro en negentig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juli 2019 tot aan de dag waarop het bedrag volledig is voldaan, bestaande uit € 265,90 aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,- aan vergoeding van immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 20.265,90 (twintigduizendtweehonderdvijfenzestig euro en negentig cent) te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 juli 2019 tot aan de dag waarop het bedrag volledig is voldaan. Wanneer verdachte niet of niet volledig betaalt kan gijzeling worden toegepast voor de maximale duur van 136 (honderdzesendertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P. Bleeker, voorzitter,

mrs. B.M. Visser en E.G.C. Groenendaal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. van Breukelen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2020.