Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1811

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
13.279412.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

jeugdstrafrecht, geen GBM ondanks de adviezen van de hulpverlening, geen schakelbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd

Parketnummer: 13.279412.19

Datum uitspraak: 20 maart 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

wonende op het adres [adres] .

1
1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 maart 2020.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Vermeulen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door mevrouw [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [naam 2] , namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS) en de ouders van verdachte naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 oktober 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een muts en/of een telefoon (Apple 8 plus) en/of Airpods, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededaders

- op voornoemde [slachtoffer 1] is/zijn afgelopen en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geroepen: “je moet meekomen”, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- hoorbaar voor voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geroepen dat [medeverdachte 1] mes bij zich zou

hebben, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( daarbij) met zijn/hun, verdachtes, hand(en) naar zijn/hun, verdachtes nektasje is/zijn gegaan en/of

- de muts van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben afgepakt en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geroepen: “loop de trap af naar beneden naar het tunneltje”, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- de telefoon van voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben afgepakt (terwijl voornoemde [slachtoffer 1] zijn vader aan het bellen was) en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geroepen: “ophangen, niet bellen”, althans

woorden van gelijke aard of strekking en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] bij de schouders heeft/hebben vastgepakt en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft/hebben geroepen: “jij gaat nu 100 euro pinnen”, althans woorden van gelijke aard of strekking (waarbij hij/zij, verdachte(n) met zijn/hun hand(en) weer in zijn/hun tasje zat(en) en/of

- uit de binnenzak van voornoemde [slachtoffer 1] Airpods heeft/hebben gepakt;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht, artikel 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, artikel 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 15 november 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een telefoon (merk Apple, Iphone 8) en/of Aipods en/of een

geldbedrag (van ongeveer 20 Euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte en/of zijn mededaders

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat hij mee moest lopen en/of

- in een steeg tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben geroepen dat hij zijn waardevolle spullen moest afgeven, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- zijn/hun verdachtes hand(en) in zijn/hun verdachtes borst heeft/hebben gedaan (alsof hij/zij iets wilde(n) pakken) en/of

- tegen voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben geroepen: “ik ga je sheffen” , althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking en/of

- in de zakken van voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gevoeld en/of

- voornoemde telefoon en/of Aipods en/of een geldbedrag uit de zakken van voornoemde [slachtoffer 2] heeft/hebben gepakt;

(artikel 310 Wetboek van Strafrecht, artikel 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, artikel 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde (Straatroof op 15 november 2019)

Volgens de officier van justitie is er voldoende bewijs in het dossier dat de aangifte van [slachtoffer 2] ondersteunt. De reisbewegingen van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (van wie de telefoon ook een paal in de buurt van de plaats delict heeft aangestraald die avond) kloppen met het verhaal van aangever. Mocht het bewijsminimum niet worden gehaald, dan zijn de bewijsmiddelen van de straatroof op 29 oktober 2019 redengevend als schakelbewijs om bij te dragen aan de bewezenverklaring.

De rechtbank is - met de raadsman - van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet kan worden bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De verklaring van [slachtoffer 2] in zijn aangifte dat hij rond 22.45 uur in de buurt van metrostation Rokin door drie jongens, waaronder verdachte, is beroofd van zijn telefoon wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Zo zijn er bijvoorbeeld geen beelden van de straatroof of gebruiksgegevens van de telefoon van [slachtoffer 2] nadat deze gestolen zou zijn in het dossier beschikbaar. Evenmin zijn er getuigen die het verhaal van aangever ondersteunen. De enkele omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachten gedurende een tijdspanne van tenminste vier uur die avond in het centrum van Amsterdam aanwezig waren vormt onvoldoende steunbewijs voor de stelling van aangever dat hij is beroofd. De rechtbank kan met andere woorden niet met zekerheid vaststellen dat er daadwerkelijk een straatroof heeft plaatsgevonden. Het bewijsminimum wordt daarmee niet gehaald zodat de rechtbank ook niet toekomt aan het toepassen van het door de officier van justitie aangevoerde schakelbewijs. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

5. Beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde (Straatroof op 29 oktober 2019)

De officier van justitie heeft betoogd dat de aan verdachte ten laste gelegde diefstal met geweld kan worden bewezen. De aangifte wordt door voldoende bewijsmiddelen ondersteund, zoals onder meer het signalement van verdachte en de herkenning door aangever van verdachte als ‘ [verdachte] ’, de bevindingen van het onderzoek naar de telefoon van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] , waaruit blijkt dat verdachte ‘ [verdachte] ’ is, de reisbewegingen van verdachte en zijn medeverdachten naar het Europaplein en vanaf het Europaplein naar het Noorderpark en het onderzoek naar de gestolen telefoon waaruit volgt dat deze op 8 november 2019 is gebruikt door iemand anders dan aangever.

Volgens de verdediging dient verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Er is enkel sprake van één getuige uit wiens verklaring bewijs van het tenlastegelegde kan worden aangenomen. Alleen de aangever verklaart over de betrokkenheid van verdachte bij het feit. Er zijn verder geen andere bewijsmiddelen - zoals andere getuigenverklaringen of camerabeelden van het incident - die de betrokkenheid van verdachte bevestigen. Ook is de buit niet bij verdachte aangetroffen. Of verdachte al dan niet ‘ [verdachte] ’ is, is voor de vraag of verdachte een straatroof heeft gepleegd niet relevant. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verdachte ‘ [verdachte] ’ is en hij ook aanwezig is geweest bij het ten laste gelegde, dan heeft verdachte volgens de raadsman geen wezenlijk bijdrage geleverd aan de straatroof, waardoor hij niet als medepleger kan worden veroordeeld.

De rechtbank acht - met de officier van justitie – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Daartoe overweegt zij als volgt.

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van een straatroof op 29 oktober 2019 door drie jongens, waarvan hij twee van de drie jongens gelijk heeft herkend als [medeverdachte 1] en [verdachte] . Hij kwam rond 15.30 uur uit het winkelcentrum in de buurt van de RAI en moest eerst mee met de metro vanaf het Europaplein naar het Noorderpark. Toen zij bij het metrostation Noorderpark kwamen heeft de aangever nog geprobeerd om zijn vader te bellen. Dat was precies om 15.52 uur en vlak daarna is hij beroofd van zijn spullen. Het slachtoffer heeft een foto van [verdachte] overgelegd aan de politie - verdachte heeft zichzelf ter zitting op die foto herkend - en aangegeven dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op het [naam school] zitten en dat [verdachte] Colombiaans is. Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat hij onderwijs heeft gevolgd op het [naam school] en dat zijn moeder Colombiaans is, maar ook gezegd dat hij verder niets te maken heeft met de straatroof. Zijn bijnaam is niet ‘ [verdachte] ’ en hij kent medeverdachte [medeverdachte 2] niet en [medeverdachte 1] kent hij alleen via een gymles die ze samen hebben gevolgd een tijd geleden, zegt hij. Het kan zo zijn dat hij die dag de reisbewegingen van en naar het Europaplein heeft gemaakt, omdat hij in de buurt van de RAI op school zat en in Noord woont.

Uit het onderzoek naar de telefoon van aangever volgt dat de telefoon op 8 november 2019 door iemand anders dan aangever is gebruikt. De aangifte wordt daarmee ondersteund ten aanzien van het feit dat de telefoon van aangever daadwerkelijk is weggenomen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de straatroof heeft plaatsgevonden. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of bewezen kan worden dat verdachte bij die straatroof aanwezig is geweest en zo ja, wat zijn rol is geweest.

Op basis van de onderzoeken naar de telefoons van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stelt de rechtbank allereerst vast dat de persoon die door aangever is aangeduid als ‘ [verdachte] ’ verdachte is geweest. De telefoon die bij verdachte thuis in beslag is genomen is volgens verdachte de werktelefoon van zijn vader, die hij wel eens gebruikte om voor school dingen te checken. Uit het onderzoek dat naar de telefoon is gedaan volgt dat het account [adres account] in gebruik is genomen op die telefoon. Het telefoonnummer van verdachte is bij zowel medeverdachte [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] opgeslagen als contactpersoon ‘ [verdachte] ’ en er is ook een chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en verdachte gevonden op de telefoon van [medeverdachte 1] . De verklaring van verdachte dat hij [medeverdachte 2] helemaal niet kent en [medeverdachte 1] alleen van een gymles, acht de rechtbank op basis van voorgaande telefoongegevens niet geloofwaardig.

Daarnaast valt uit de ov-chipkaartgegevens van verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] af te leiden dat zij op 29 oktober 2019 precies dezelfde reisbewegingen hebben gemaakt naar het Europlein en van het Europlein naar het Noorderpark als aangever. Zowel [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] als verdachte hebben op 29 oktober 2019 omstreeks 15.36 uur ingecheckt op metrostation Europaplein en omstreeks 15.50 uur uitgecheckt bij het station Noorderpark. Dit laatste tijdstip komt overeen met het tijdstip dat aangever [slachtoffer 1] vanuit dit station heeft geprobeerd om naar zijn vader te bellen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij zijn ov-chipkaart niet uitleent aan anderen. Ter zitting op 6 maart 2020 heeft verdachte iets anders verklaard, namelijk dat anderen ook weleens gebruik maken van zijn ov-chipkaart. Ook zou hij van school zijn gekomen. Echter, de rechtbank heeft verdachte ter zitting geconfronteerd met de website van de school van verdachte, waaruit volgt dat de school ten tijde van de straatroof was verhuisd naar een locatie dichtbij het Amstelstation en dus niet in de buurt van het Europaplein. Nu verdachte steeds wisselend heeft verklaard over het gebruik van zijn ov-chipkaart en waar hij die dag was, acht de rechtbank geen van deze verklaringen geloofwaardig. De rechtbank concludeert uit het onderzoek naar de ov-chipkaart gegevens van de drie verdachten dan ook dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en aangever [slachtoffer 1] de reisbewegingen heeft gemaakt en daarmee kan verdachte op het plaats delict worden geplaatst. Uit deze vaststelling en de vaststelling dat verdachte ‘ [verdachte] ’ is geweest concludeert de rechtbank dat verdachte bij de straatroof betrokken is geweest.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van medeplegen door verdachte van de straatroof is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Over de rol van de daders heeft [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris verklaard dat NN3 zijn telefoon heeft gepakt en [medeverdachte 1] hem heeft vastgepakt en zijn andere spullen heeft afgepakt, maar dat alle drie de jongens de hele tijd om hem heen stonden. Toen hij naar de metro liep, liepen de daders met hem mee en keek verdachte hem boos aan. Ook in de metro stonden zij alle drie om hem heen, waardoor het slachtoffer het gevoel had dat hij niets kon doen. Eenmaal in Noord aangekomen heeft NN3 zijn telefoon gepakt en is er samen met verdachte vandoor gegaan. [medeverdachte 1] heeft vervolgens zijn andere spullen gepakt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich op meerdere momenten had kunnen distantiëren van de straatroof, maar hij heeft dat niet gedaan. Nu is dat op zichzelf onvoldoende om te spreken van medeplegen. Echter uit de verklaring van aangever volgt dat sprake is geweest van een numerieke meerderheid gedurende een lange tijd, namelijk een korte wandeling naar het metrostation en aansluitend een metrorit van de ene naar de andere kan van de stad, die heeft gezorgd voor een bedreigende situatie. Aangever is daardoor vanaf Amsterdam Zuid mee gegaan naar Amsterdam Noord om daar vervolgens van, onder meer, zijn telefoon beroofd te worden. Al hoewel verdachte zelf geen spullen heeft gepakt, heeft verdachte daarmee wel een wezenlijke bijdrage geleverd aan de straatroof van de telefoon. Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Ten aanzien van diefstal van de airpods en het vastpakken van aangever dat heeft plaatsgevonden nadat verdachte en [medeverdachte 2] al weg waren kan niet worden geconcludeerd dat hij daar nog een wezenlijke bijdrage aan heeft geleverd. Van dat deel van de tenlastelegging zal verdachte worden vrijgesproken.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 laste gelegde:

op 29 oktober 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een muts en een telefoon Apple 8 plus, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden, dat hij, verdachte en zijn mededaders

- op voornoemde [slachtoffer 1] zijn afgelopen en

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] hebben geroepen: “je moet meekomen” en

- hoorbaar voor voornoemde [slachtoffer 1] hebben geroepen dat [medeverdachte 1] een mes bij zich zou hebben en

- daarbij met hun hand naar hun nektasje zijn gegaan en

- de muts van voornoemde [slachtoffer 1] hebben afgepakt en

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] hebben geroepen: “loop de trap af naar beneden naar het tunneltje” en

- de telefoon van voornoemde [slachtoffer 1] hebben afgepakt terwijl voornoemde [slachtoffer 1] zijn vader aan het bellen was en

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] hebben geroepen: “ophangen, niet bellen”.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

8 Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 71 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast dient de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: gedragsbeïnvloedende maatregel of GBM) te worden opgelegd voor de duur van een jaar. Daartegenover dienen 12 maanden vervangende jeugddetentie te staan. De maatregel dient te worden ingevuld zoals door de Raad en de WSS geadviseerd en dient ook dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de strafeis ten aanzien van de duur van de maatregel aan de forse kant is. Dit geldt ook voor de vervangende jeugddetentie. De raadsman heeft verzocht om aan verdachte geen elektronisch toezicht op te leggen. Verdachte kan door zijn enkelband niet sporten en hij laat geen goede indruk achter bij zijn nieuwe werkgever.

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door first offenders. Het betreft in de onderhavige zaak een diefstal met geweld (straatroof) waarvoor als uitgangspunt geldt dat – bij een first offender – een taakstraf zal worden opgelegd vanaf 60 uur, dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie.

Bij de eerste keer recidive wordt een verhoging toegepast van maximaal 50% of een andere strafmodaliteit toegepast. Bij verdere recidive kan een verhoging worden toegepast van meer dan 50% of een andere strafmodaliteit.

Strafverzwarende omstandigheden zijn aanleiding om de strafmaat te verhogen. Als strafverzwarende omstandigheden neemt de rechtbank in aanmerking het georganiseerd karakter van de straatroof en de plaats van het delict (door het slachtoffer [slachtoffer 1] eerst mee te nemen met de metro en vervolgens mee te nemen naar een tunneltje).

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof. Uit de aangifte blijkt dat het slachtoffer erg bang is geweest, omdat de jongens hebben gezegd dat zij een mes bij zich hadden. Hij schrok hier zo van dat hij besloot om mee te werken. Het slachtoffer moest vanuit Amsterdam Zuid met de metro mee naar Amsterdam Noord, vervolgens met de daders meelopen naar een tunneltje waar hij van zijn spullen is beroofd. Het slachtoffer heeft nog geprobeerd om zijn vader te bellen, maar zijn telefoon werd afgepakt. De rechtbank neemt het grimmige karakter van dit feit verdachte zeer kwalijk en vindt dat verdachte en zijn medeverdachten zwaar kan worden aangerekend dat zij hebben gehandeld zonder ook maar een beetje rekening te houden met de gevolgen voor het slachtoffer.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie
d.d. 29 januari 2020 waaruit blijkt dat verdachte op 5 maart 2019 door de meervoudige kamer van deze rechtbank is veroordeeld tot een jeugddetentie van 180 dagen waarvan 171 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, in verband met acht ernstige gewelds- en vermogensdelicten. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank diverse bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast is aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf van 160 uren opgelegd. Op 22 februari 2018 is verdachte door de kinderrechter van deze rechtbank veroordeeld voor een straatroof.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van enkele rapporten die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt. Het meest recente rapport van de Raad dateert van 20 februari 2020. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van het haalbaarheidsonderzoek van de WSS (inzake het GBM-advies van de Raad) van 3 maart 2020.


Ter zitting heeft de Raad geadviseerd om aan verdachte de GBM op te leggen voor de duur van een jaar, met vervangende jeugddetentie van 12 maanden als stok achter de deur. Daarbij is het noodzakelijk dat verdachte zich houdt aan de voorwaarden dat hij naar school gaat volgens zijn rooster, meewerkt met het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van bijbaan of sport, meewerkt aan nadere diagnostiek en individuele behandeling bij [naam instelling] (of een vergelijkbare instelling met forensische expertise) en meewerkt met de begeleiding van IFA. Tevens dienen het huidige elektronische toezicht en de avondklok (19.00 – 07.00 uur) nog door te lopen voor de duur van 3 maanden. Op dit moment dient verdachte zich te houden aan de strakke kaders van zijn schorsing en het lijkt er op dat sprake is van een positieve gedragsverandering. Door de duidelijke regels en afspraken gaat het veel beter met verdachte, maar hij is nog erg impulsief en hij denkt niet goed na over zijn handelen. De ouders van verdachte vinden het verschrikkelijk dat hij met politie in aanraking komt, maar hebben daarin precies hetzelfde patroon ontwikkeld als verdachte, namelijk zijn gedrag goed praten en de aanleiding van zijn gedrag bij een ander neerleggen. De GBM lijkt voor nu de meest geschikte reactie op de houding en het gedrag van verdachte.

De WSS heeft zich aangesloten bij het advies van de Raad. De hulpverlening is al langer betrokken bij verdachte, waarbij het vooral ging om een lichte vorm van reclasseringstoezicht. De begeleiding in het kader van de bijzondere voorwaarden - zoals opgelegd bij vonnis van 5 maart 2019 - is (nog) niet goed van de grond gekomen en mogelijk is verdachte daarom gerecidiveerd. Tijdens het eerste jaar van de maatregel is veel tijd gaan zitten in het creëren van een werkrelatie met verdachte en ouders en is nog weinig aandacht besteed aan de voorwaarden zelf. Sinds de schorsing van verdachte gaat het beter. Inmiddels is de begeleiding van IFA aangevraagd, werkt verdachte mee met de afspraken van de hulpverlening en is hij positief aanwezig op school en stage. Als IFA niet tot de mogelijkheden behoort, zal de WSS naar een alternatieve passende interventie kijken. De WSS maakt zich zorgen om de thuissituatie, omdat het gezin te beschermend is.

Het is van belang dat de ouders meegenomen worden om verdachte actief te sturen en begrenzen, maar de haalbaarheid van systeemgerichte behandeling wordt gelet op de mogelijkheden van de ouders enigszins beperkt. De ouders hebben eerder weinig bereidheid laten zien in het meewerken met de systeemgerichte behandeling (FAST) en daarom heeft de WSS een verzoek tot onderzoek bij de Raad ingediend om binnen het civiele kader te bekijken of een kinderbeschermingsmaatregel nodig is voor de ontwikkeling van verdachte. De hulpverlening vindt het wenselijk dat er meer zicht komt op de opvoedvaardigen van de ouders en het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de verdachte is recent ingediend.

In afwijking van het advies van de Raad en de strafeis van de officier van justitie zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van een GBM. Daartoe overweegt zij als volgt.

De rechtbank dient allereerst na te gaan of aan de wettelijke vereisten is voldaan en deze GBM dus opgelegd zou kunnen worden. In artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de GBM slechts kan worden opgelegd indien, onder meer, de ernst van het begane misdrijf of de veelvuldigheid van de begane misdrijven of voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf hiertoe aanleiding geven. De rechtbank komt - anders dan de officier van justitie - tot een bewezenverklaring van één straatroof. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de rol van verdachte hierin zodanig ernstig is dat dit enkele feit aanleiding geeft tot het opleggen van een ingrijpende maatregel als de GBM. De voorafgaande veroordelingen van verdachte wegens misdrijven zijn ernstig en talrijk, maar rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank evenmin oplegging van de GBM. Uit de toelichting van de WSS ter zitting volgt dat het na de veroordeling (van 5 maart 2019) bepaalde strafrechtelijk kader nog onvoldoende was ingezet voorafgaand aan het plegen van het huidige strafbare feit om tot een positieve gedragsverandering te komen. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat hij er alles aan zal doen om zijn leven een positieve wending te geven. Ook is gebleken dat de eerdere opgelegde voorwaarden inmiddels zijn opgestart en dat verdachte een prille positieve wending laat zien. De vertraging in het kunnen uitvoeren van de eerdere voorwaarden lijkt ook niet geheel aan verdachte te wijten. Ouders van verdachte spelen hier een instrumentele rol in en dat verdient dan ook aandacht. De rechtbank begrijpt dat binnen het civiele kader onderzoek gedaan zal worden naar de opvoedsituatie.. Gelet op al deze omstandigheden in samenhang bezien ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om aan verdachte een GBM op te leggen.

Gelet op de persoon van verdachte, zijn strafblad en het feit dat hij in zijn proeftijd is gerecidiveerd, vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie - gelijk aan het voorarrest - op zijn plaats. De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van verdachte, de (emotionele) beperkingen en zijn beïnvloedbaarheid, waardoor een jeugddetentie voor een langere duur niet wenselijk wordt geacht.

De positieve ontwikkelingen van verdachte zijn nog erg pril. Om deze reden zal de rechtbank ook een voorwaardelijke werkstraf opleggen, als stok achter de deur, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden, de onderdelen zoals deze geadviseerd zijn in het kader van de GBM. De voorwaarden zijn zowel in het belang van verdachte als in het belang van de samenleving en hebben tot doel verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Tot slot zal de rechtbank het geadviseerde elektronisch toezicht, en ook de avondklok, niet opleggen. Verdachte is sinds 13 januari 2020 verbonden aan een enkelband en hij is sindsdien niet gerecidiveerd. De rechtbank is bereid om verdachte een kans te geven om te laten zien dat hij ook zonder een enkelband geen politiecontacten meer zal hebben.


Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] (het slachtoffer van de onder 1 ten laste gelegde straatroof)

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 310,50 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering niet onderbouwd is met stukken waaruit volgt dat restwaarde van de gestolen goederen meer zou dan het bedrag dat de verzekeraar reeds heeft vergoed voor deze goederen.

De raadsman deelt het standpunt van de officier van justitie om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade (anders dan ten aanzien van de gevorderde schade voor de AirPods) is toegebracht door verdachte. De rechtbank zal de vordering echter niet-ontvankelijk verklaren, nu de verzekering een bedrag van € 658,50 heeft uitgekeerd voor de telefoon van het merk Iphone 8, de AirPods en de muts van het merk Louis Vuitton. Uit de vordering volgt niet waarom de waarde die de verzekeraar aan deze spullen heeft toegekend te laag zou zijn. De rechtbank vindt het uitgekeerde bedrag passend voor de geleden schade. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, omdat bijvoorbeeld het toestaan van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering voor het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 2] (het slachtoffer van de onder 2 ten laste gelegde straatroof)

De benadeelde partij [slachtoffer 2] wordt in de vordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, , 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:


Verklaart het ten laste gelegde onder 2 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 41 (eenenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 41 dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren.

Beveelt dat deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast op grond van het overtreden van de na te noemen algemene en bijzondere voorwaarden.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- naar school gaat volgens zijn rooster;

- meewerkt aan het vinden en houden van een positieve vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan en/of sport;

- meewerkt aan nadere diagnostiek en (individuele) behandeling bij [naam instelling] (of een vergelijkbare instelling met forensische expertise);

- meewerkt aan de begeleiding van IFA.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.


Heft op het geschorste bevel tot voorlopig hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Dinjens, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E.M. Devis en M. van der Kaay, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Bakir, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2020.