Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1806

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
13/096614-19, 13/227536-19, 13/260380-19, 13/701351-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor witwassen, schuldheling, wederspannigheid en eenvoudige belediging; toepassing ASR

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/096614-19 (A), 13/227536-19 (B), 13/260380-19 (C), 13/701351-18 (D)

Datum uitspraak: 17 maart 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 januari 2020 en 3 maart 2020.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, B, C en D aangeduid.

Zaak A is ter terechtzitting van 3 maart 2020 gelijktijdig behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] met parketnummer 13/096600-19.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Vermeulen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. F.D.W. Siccama naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

zaak A

1.

hij op of omstreeks 19 april 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 60 bolletjes cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 19 april 2019, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van circa 2200 euro, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, was, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

zaak B

1.

hij op of omstreeks 21 september 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een goed te weten een fiets heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 21 september 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtenaren, te weten verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun

bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, bestond door zijn armen los te trekken en/of weg te trekken (waardoor voornoemde [verbalisant 1] tezamen met zijn motor ten val kwam);

zaak C

hij op of omstreeks 29 april 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [naam 1] , in zijn tegenwoordigheid, heeft beledigd door op de arm en/of tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam, van die [naam 1] te spugen;

zaak D

1.

hij op of omstreeks 01 maart 2018 tussen (ongeveer) 05:00 en 07:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in een woning gelegen aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bankpas (bank:ING ten name van: [naam 2] ) en/of een creditcard (type:Mastercard/Bijenkorfcard ten name van: [naam persoon] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam persoon] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij op of omstreeks 01 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een bankpas (bank:ING ten name van: [naam 2] ) en/of een creditcard (type:Mastercard/Bijenkorfcard ten name van: [naam persoon] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 01 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 1,67 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 1,71 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, beide een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, waarbij in zaak D het onder 1 primair ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard.

3.2

Standpunt van de verdediging

zaak A

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Er was geen sprake van ernstige bezwaren in de zin van artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet waardoor het onderzoek aan de kleding van verdachte onrechtmachtig was. Als de eerste fouillering al niet onrechtmatig was, dan was in ieder geval de tweede fouillering onrechtmatig. Dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting en subsidiair tot strafvermindering.

Indien de rechtbank niet komt tot bewijsuitsluiting heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Ten aanzien het onder 1 ten laste gelegde kan uitsluitend het aanwezig hebben van cocaïne worden bewezen, zodat verdachte van het overige moet worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat sprake is van handel, noch dat de drugs werd vervoerd. Evenmin kan worden bewezen dat sprake was van medeplegen. Omdat de exacte hoeveelheid drugs niet kan worden vastgesteld nu niet blijkt dat de bij elke verdachte aangetroffen hoeveelheid drugs afzonderlijk is gewogen, kan slechts ‘een hoeveelheid’ worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van bewijs. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte in ieder geval moet worden vrijgesproken van medeplegen, en dat uitsluitend het witwassen van een bedrag van € 1.100,00 kan worden bewezen.

zaak B

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1 ten laste gelegde wegens het ontbreken van bewijs van opzet- en schuldheling. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken omdat er geen sprake was van ‘verzet’.

zaak C

De raadsman heeft zich ten aanzien van zaak C gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft dit feit bekend.

zaak D

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat uitsluitend schuldheling, zoals subsidiair ten laste gelegd, kan worden bewezen. Verdachte dient van de primair ten laste gelegde diefstal met braak te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van bewijs. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat uitsluitend het aanwezig hebben van 1,69 gram cocaïne kan worden bewezen omdat nergens uit blijkt dat verdachte van plan was om de cocaïne te verhandelen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

zaak A, feit 1

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Verbalisanten zien een voertuig met daarin drie personen dubbel geparkeerd staan en bij navraag naar het kenteken blijkt dat dit voertuig mogelijk betrokkenheid heeft gehad bij het vervaardigen van softdrugs. Een man, naar later blijkt verdachte, komt aanlopen en gedraagt zich zodanig dat het de verbalisanten voor komt alsof hij iets te verbergen heeft. Het voertuig gaat rijden en verbalisanten geven de bestuurder, naar later blijkt [medeverdachte] , een stopteken. [medeverdachte] blijkt in 2015 en 2016 aangehouden geweest voor het verkopen van nepdope. Verbalisanten ruiken dat uit de auto een sterke henneplucht komt. Zij vragen de inzittenden om een identiteitsbewijs. Verdachte heeft een brandende joint in zijn hand. Uit het politiesysteem blijkt dat verdachte in augustus 2018 in het bezit was van 16 bolletjes verdovende middelen en ook een derde inzittende had een Opiumwet antecedent. De mannen stappen uit, gedragen zich zenuwachtig en zaten constant met hun handen in hun broekzakken, waarbij het er op leek dat zij iets wegstopten. Verbalisanten zijn overgegaan tot een onderzoek aan de kleding op grond van de Opiumwet. Er worden kleine telefoontjes gevonden die mogelijk gebruikt worden als dealertelefoon. [medeverdachte] neemt plaats in de auto en een verbalisant neemt daarna waar dat de tas die eerst met gesloten rits op de achterbank stond nu met geopende rits op de voorstoel staat. [medeverdachte] wordt nogmaals gefouilleerd waarna

€ 1.100 in zijn onderbroek wordt aangetroffen. Deze omstandigheid, naast de vele bewegingen van de andere mannen rondom de auto, is aanleiding om de overige drie mannen nogmaals aan de kleding te onderzoeken. Gevoeld wordt dat verdachte een verdikking had net onder zijn broeksriem. Na aanhouding van verdachte zien verbalisanten verdachte een zakje met witte bolletjes op de grond gooide.

Gelet op deze bevindingen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat voldoende ernstige bezwaren bestonden om verdachte aan de kleding te onderzoeken als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet. Het feit dat verdachte nogmaals aan de kleding is onderzocht, ziet de rechtbank niet als een op zichzelf staande toepassing van deze bevoegdheid en is in die zin niet te beschouwen als een tweede fouillering. Ook hiervoor bestonden voldoende ernstige bezwaren gelet op alle bevindingen, waaronder het aantreffen van geld in de onderbroek van medeverdachte [medeverdachte] . Het verweer slaagt niet.

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte opzettelijk een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad. Het in zaak A onder 1 ten laste gelegde zal worden bewezenverklaard.

Echter, niet kan worden bewezen dat sprake was van medeplegen. De daarvoor vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is niet komen vast te staan. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Bij de strafmaat zal de rechtbank rekening houden met de bij verdachte aangetroffen hoeveelheid van negentien bolletjes cocaïne.

zaak A, feit 2

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.


Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

Tijdens een onderzoek aan de kleding van verdachte op grond van de Opiumwet wordt een bedrag van € 1.100,- in coupures van € 100,- in de onderbroek van verdachte aangetroffen. Dit bedrag is niet tot een legaal inkomen of vermogen van verdachte te herleiden. Ook worden er bolletjes cocaïne bij verdachte en bij andere personen in de auto aangetroffen.

Op grond hiervan acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.

Pas één dag voor de terechtzitting op 3 maart 2020 heeft de verdediging stukken toegezonden waarin een verklaring wordt gegeven voor het aanwezig hebben van het desbetreffende geldbedrag. Eén van de toegezonden stukken betreft een brief van de moeder van verdachte waarin zij verklaart op 4 april aan verdachte 1.500 euro te hebben gegeven als cadeau. De brief is gedateerd op 18 november 2019. Uit het bijgevoegde overzicht van ABN AMRO blijkt dat op 2 en 4 januari 2019 750 euro is gepind van de rekening van de moeder van verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij dit geldbedrag voor zijn verjaardag heeft gekregen en dat dit bedrag bedoeld was om zijn rijlessen te betalen. Verdachte dacht dat toen de verbalisanten hem staande hielden zij het geld zouden afpakken. Daarom had hij het geld in zijn onderbroek gestopt.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die verdachte heeft gegeven niet kan worden aangemerkt als een verklaring die nu nog te verifiëren is. Immers, uit de data van de overgelegde stukken volgt dat de verdediging deze al veel eerder had kunnen verstrekken. Gelet hierop ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de verklaring van verdachte alsnog te verifiëren, temeer omdat de voortgang van de strafzaak daardoor zou worden geschaad. Bij gebreke van een verifieerbare verklaring concludeert de rechtbank dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank concludeert dat verdachte de vindplaats van het geld heeft verborgen en dat hij heeft verhuld wie de rechthebbende is geweest. Het geldbedrag was verstopt in de onderbroek van verdachte. Dit is een niet voor de hand liggende plaats. Hierdoor is het geld niet bereikbaar geweest voor de gemiddelde mens en het resultaat is geweest dat het geld effectief verborgen en vrijwel onvindbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden worden gesproken van een situatie die een uitzonderlijke vorm van voorhanden hebben overstijgt.


De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. Van het tenlastegelegde medeplegen zal verdachte worden vrijgesproken, nu niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] . Gelet hierop zal de rechtbank “een geldbedrag” bewezen verklaren in plaats van het ten laste gelegde bedrag, nu dit ziet op het geld dat zowel bij [medeverdachte] als bij verdachte is aangetroffen. Bij de strafmaat zal de rechtbank rekening houden met het bij verdachte aangetroffen bedrag van 1100 euro.

zaak B, feit 1

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Op het moment dat verdachte de fiets voorhanden heeft gekregen, had hij redelijkerwijs moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was. Het betreft een fiets van het merk Cortina met een waarde van € 350,-. Verdachte heeft verklaard dat hij op de desbetreffende dag door een persoon op straat werd aangesproken die hem vroeg of hij een fiets wilde kopen. Verdachte heeft hiermee ingestemd en heeft de fiets voor € 20,- gekocht. Verdachte heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de herkomst van de fiets. Gelet op de prijs die verdachte heeft betaald en de omstandigheden waaronder hij de fiets heeft gekocht, had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de fiets van misdrijf afkomstig was.

zaak B, feit 2

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de inhoud van het door de betreffende verbalisanten opgemaakte proces-verbaal.

zaak C

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat hij het in zaak C ten laste gelegde heeft begaan.

Zaak D, feit 1

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het in zaak D onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. Niet kan worden vastgesteld dat de gepleegde woninginbraak op 1 maart 2018 heeft plaatsgevonden. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer en zijn vrouw op 24 februari 2018 uit hun woning zijn vertrokken om op vakantie te gaan. Op 1 maart 2018 wordt vervolgens, nadat een gestolen bankpas en creditcard van aangever bij verdachte worden aangetroffen, door de buurman van verdachte geconstateerd dat er in de woning is ingebroken. Op basis hiervan kan slechts worden vastgesteld dat de inbraak tussen 24 februari 2018 en 1 maart 2018 heeft plaatsgevonden. Dat verdachte op 1 maart 2018 rond 5 uur in de ochtend in de buurt van de woning van aangever is aangetroffen vormt gelet hierop onvoldoende bewijs dat verdachte de woninginbraak mede heeft gepleegd. Verder is onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte een van de personen is geweest die op 1 maart 2018 rond 7 uur met de pinpas van aangever heeft gepind. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het in zaak D onder 1 primair ten laste gelegde.

Op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen acht de rechtbank wel bewezen dat verdachte het in zaak D onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Gelet op de omstandigheid dat op de creditcard en bankpas de naam van een ander stond en geprobeerd is de naam op de creditcard weg te krassen, had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de bankpas en creditcard van misdrijf afkomstig waren.

zaak D, feit 2

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte opzettelijk 1,67 gram cocaïne en 1,71 gram heroïne aanwezig heeft gehad. Het in zaak D onder 2 ten laste gelegde zal worden bewezenverklaard.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

zaak A, feit 1

op 19 april 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

zaak A, feit 2

op 19 april 2019 te Amsterdam van een geldbedrag de vindplaats heeft verborgen en heeft verhuld wie de rechthebbende op dat geldbedrag was, terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

zaak B, feit 1

op 21 september 2019 te Amsterdam een fiets voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

zaak B, feit 2

op 21 september 2019 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen meerdere ambtenaren, te weten verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door zijn armen los te trekken en weg te trekken (waardoor voornoemde [verbalisant 1] tezamen met zijn motor ten val kwam);

zaak C

op 29 april 2018 te Amsterdam opzettelijk [naam 1] , in zijn tegenwoordigheid, heeft beledigd door op de arm en tegen het hoofd van die [naam 1] te spugen;

zaak D, feit 1 subsidiair

op 1 maart 2018 te Amsterdam een bankpas (bank: ING ten name van: [naam 2] ) en een creditcard (type: Mastercard/Bijenkorfcard ten name van: [naam persoon] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

zaak D, feit 2

op 1 maart 2018 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,67 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 1,71 gram van een materiaal bevattende heroïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast en heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1 en 2, in zaak B onder 1 en 2, in zaak C en in zaak D onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat jeugddetentie zal worden toegepast van 75 dagen en daarnaast twee maanden jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk deel van deze straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met de officier van justitie op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast. De raadsman heeft verzocht geen jeugddetentie aan verdachte op te leggen, maar te volstaan met oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Adolescentenstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten negentien en twintig jaar en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd die daartoe aanleiding geven.

De reclassering heeft in haar rapport van 13 september 2019 geadviseerd het adolescentenstrafrecht toe te passen. Verdachte is ontvankelijk voor pedagogische beïnvloeding; hij heeft baat bij begeleiding. Hij is proactief in het op orde brengen van zijn leven en gemotiveerd om weer naar school te gaan, maar zonder begeleiding lukt hem dit echter niet goed. De deskundige E. van Ree, medewerkster van de reclassering, heeft dit ter terechtzitting bevestigd. Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toepassen van het adolescentenstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte als ook in het belang van de maatschappij, om verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal dan ook toepassing geven aan het adolescentenstrafrecht.

Motivering van de straffen

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere misdrijven. Hij heeft een bedrag van €1.100,- witgewassen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een schadelijke werking op de samenleving. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van een fiets, bankpas en creditcard. Heling is een ernstig en hinderlijk feit waarmee verdachte bewust heeft bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen en het plegen van andere vermogensdelicten bevorderd. Daar komt bij dat verdachte zich tijdens zijn aanhouding wegens heling van een fiets heeft verzet, waarmee hij de uitoefening van de taak van verbalisanten ernstig heeft bemoeilijkt. Verdachte heeft daarnaast cocaïne en heroïne in zijn bezit gehad. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs. Niet zelden leidt de verkoop en het gebruik van drugs tot andere vormen van criminaliteit. Tot slot heeft verdachte een buschauffeur beledigd door hem te bespugen. Dit is volstrekt onacceptabel en respectloos gedrag.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 3 februari 2020. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor opzetheling en de illegale handel in verdovende middelen. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de adviezen en de persoonlijke omstandigheden, zoals die zijn gebleken uit de verschillende reclasseringsrapportages over verdachte en die zijn toegelicht op de terechtzitting door Van Ree voornoemd. Bij een veroordeling wordt geadviseerd om een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: meldplicht, begeleid wonen bij Multipluszorg, dagbesteding en eventueel een ambulante behandeling.

Nu de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie bestaat aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Alles afwegende en met inachtneming van de LOVS-orientatiepunten Jeugd acht de rechtbank jeugddetentie voor de duur van 39 dagen en een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 150 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar passend. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten (in totaal 39 dagen), moet van de jeugddetentie worden afgetrokken. Aan het voorwaardelijk deel van de taakstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.

9 Beslag

Onder verdachte zijn blijkens de beslaglijst van 28 januari 2020 en 1 februari 2020 de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. Geld euro waarde 80,00

1 x 50; 1 x 20; 1 x 10 euro (5537998)

1100 EUR; IBGN 19-4-2019

(5739485)

9.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de het geldbedrag van € 80,- teruggegeven mag worden aan verdachte. Het geldbedrag van €1.100,- dient te worden verbeurd verklaard.

9.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich enkel uitgelaten over het inbeslaggenomen bedrag van € 80,- en zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag teruggegeven dient te worden aan verdachte.

9.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt als volgt.

Retour rechthebbende

Het onder 1 inbeslaggenomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 80,- behoren aan verdachte toe en dienen aan hem te worden geretourneerd.

Verbeurdverklaren

Het geldbedrag van € 1.100,- behoort aan verdachte toe. Nu het een voorwerp betreft met betrekking tot welk het in zaak A onder feit 2 bewezenverklaarde is begaan, zal dit geldbedrag verbeurd worden verklaard.

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

10.1.

Benadeelde partij Nationale Politie, eenheid Amsterdam (zaak B, feit 1)

De benadeelde partij Nationale Politie, eenheid Amsterdam vordert € 34,36 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de gevorderde kosten van een nieuw fietsslot geen rechtstreekse schade betreft van de heling.

De rechtbank oordeelt als volgt. Niet kan worden vastgesteld dat door het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks de gestelde schade is toegebracht, nu verdachte voor heling en niet voor de diefstal zelf zal worden veroordeeld. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

10.2

Benadeelde partij [naam 1] (zaak C)

De benadeelde partij [naam 1] vordert € 216,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente, moet worden toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd. De raadsman heeft uitsluitend opgemerkt dat de jurisprudentie waarnaar in de vordering van de benadeelde partij wordt verwezen, ziet op belediging van een ambtenaar in functie en dus niet op een eenvoudige belediging zoals het ten laste gelegde. Niet wordt betwist dat aan de benadeelde partij een vergoeding dient toe te komen maar het bedrag van € 216,- moet worden gematigd.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit in zijn eer is aangetast. Gelet op de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag passend en zal de vordering daarom toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 57, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 180, 266, 417bis en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A, feit 1 en zaak D, feit 2

telkens: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van zaak A, feit 2

witwassen;

ten aanzien van zaak B, feit 1 en zaak D, feit 1 subsidiair

telkens: schuldheling;

ten aanzien van zaak B, feit 2

wederspannigheid;

ten aanzien van zaak C

eenvoudige belediging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 39 (negenendertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren.

Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen.

Beveelt dat van deze straf het gedeelte van 50 (vijftig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat:

1. veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. veroordeelde medewerking verleent aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt de volgende bijzondere voorwaarden:

1. veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd op dagen en tijdstippen bij Reclassering Nederland bij [adres reclassering] melden, zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. veroordeelde moet gedurende de proeftijd, verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten Multipluszorg, of een soortgelijke instelling, en moet zich houden aan het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

3. indien de reclassering het nodig vindt, moet veroordeelde een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling volgen, teneinde hem handvatten aan te reiken om adequate keuzes te maken met betrekking tot het voorkomen van recidive en het ondersteunen bij agressiebeheersing.

4. veroordeelde werkt mee aan het verkrijgen en behouden van een structurele dagbesteding, bestaande uit scholing en/of werk.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de teruggave aan veroordeelde van:

Geld euro waarde 80,00

1 x 50; 1 x 20; 1 x 10 euro (5537998)

Verklaart verbeurd:

1100 EUR; IBGN 19-4-2019

(5739485)

Verklaart Nationale Politie, eenheid Amsterdam niet-ontvankelijk in haar vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1] toe tot een bedrag van € 216,00 (tweehonderdzestien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade, 29 april 2018, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] aan de Staat € 216,00 (tweehonderdzestien euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade, 29 april 2018, tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 4 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. W.H. van Benthem en M.C. Eggink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2020.