Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1804

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
13/201881-19, 13/170749-19, 23/000423-18 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedrijfsinbraak, twee poging tot bedrijfsinbraak en poging zware mishandeling; dagvaarding geldig, voldoet aan eis begrijpelijkheid; geen ISD opgelegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/201881-19 (A) en 13/170749-19 (B) en 23-000423-18 (TUL)

Datum uitspraak: 17 maart 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [gebooteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , [plaats] , gedetineerd in [plaats detentie] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 20 december 2019 en 3 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.F. van Drumpt, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. Stroobach, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zaak A

1.

hij op of omstreeks 11 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 2] ) een of meerdere goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam B.V.] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, naar voornoemd (bedrijfs)pand is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) eenmaal of meermalen een plaat van een (toegangs)luik van voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben verwijderd en/of geforceerd en/of op/tegen een luik en/of toegangsdeur aan/bij/van voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben gestampt en/of geschopt en/of getrapt;

2.

hij op of omstreeks 20 juni 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres 3] [nummer 1] ) een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam Café 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels, naar voornoemd (bedrijfs)pand is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (met behulp van een code) een (smartlock)kastje heeft/hebben geopend en/of (vervolgens) een of meerdere sleutel(s) uit het (smartlock)kastje heeft/hebben gepakt en/of (vervolgens) met voornoemde (valse) sleutel(s), in elk geval (een)

sleutel(s) tot het gebruik, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet is/was/zijn/waren gerechtigd, een of meerdere (toegangs)deur(en) en/of rolluiken van/aan voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben geopend en/of (vervolgens) in voornoemd (bedrijfs)pand een alarmkastje heeft/hebben losgetrokken en/of geforceerd;

3.

hij op of omstreeks 5 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres 4] ) een kluis, met daarin een of meerdere geldbedrag(en) en/of envelop(pen) met

daarin een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [persoon 1] en/of [naam Café 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.

hij op of omstreeks 29 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres 5] ) een kluis (met inhoud, waaronder een of meerder geldbedrag(en) en/of OV-chipkaart(en) en/of sleutel(s) en/of pas(sen) en/of kantoorbenodigdheden) en/of een tas en/of een of meerder laptop(s) en/of een iPad en/of een camera en/of een cameralens, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

5.

hij op of omstreeks 20 juni 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres 6] ) een of meerdere geldbedrag(en) en/of een of meerdere tabakswa(a)r(en) met een waarde gelegen tussen de 8.800 en 9.000 euro en/of een of meerdere grinder(s) en/of een of meerdere kledingstukken en/of een of meerdere andere goed(eren) (totale waarde 2.100 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam winkel] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft

en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

6.

hij op of omstreeks 17 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen aan [persoon 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een wond van 1,5 cm welke gehecht moest worden en/of een gebroken vinger, heeft toegebracht, door

- met een kapot (bier)fles eenmaal of meermalen te slaan en/of te steken in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de handen en/of de armen, althans tegen het lichaam van voornoemde [persoon 3] en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [persoon 3] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 17 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een kapot (bier)fles eenmaal of meermalen heeft geslagen en/of gestoken in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de handen en/of de armen, althans tegen het lichaam van voornoemde [persoon 3] en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [persoon 3] ;

zaak B

hij op of omstreeks 1 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een restaurant (gelegen aan [adres 7] ) heeft weggenomen (in/uit een kassalade) 1300,- Euro,-, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan restaurant [restaurant] en/of [persoon 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door één of meer ra(a)m(en)/ruit(en) van dat restaurant te verbreken en/of te forceren en/of dat restaurant in te klimmen, althans door middel van braak op en/verbreking en/of inklimming van dat restaurant.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2 en 6 subsidiair ten laste gelegde partieel nietig moet worden verklaard. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de zinssnede “terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid” ontbreekt, terwijl de tenlastelegging wel spreekt over een “voorgenomen misdrijf”. Hierdoor is onduidelijk of bedoeld is de poging dan wel het voltooide delict ten laste te leggen, zodat de dagvaarding voor dit deel niet voldoet aan de eis dat zij een begrijpelijke opgave dient te bevatten van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Het onderhavige verweer is door verdachte bij gelegenheid van zijn laatste woord naar voren gebracht. Tijdens het pleidooi is de raadsvrouwe ten aanzien van de onder 1, 2 en 6 subsidiair tenlastegelegde feiten ingegaan op de aan verdachte hierin verweten pogingen. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat er bij de verdediging geen sprake was van onduidelijkheid over het verwijt dat verdachte wordt gemaakt. Bovendien blijkt uit de tenlastelegging van deze feiten telkens van een voorgenomen misdrijf en een begin van uitvoering door bepaalde feitelijkheden. Het verweer wordt daarom verworpen.

3.2

Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A onder 1, 2, 5 en 6 subsidiair en het in zaak B ten laste gelegde. Ten aanzien van het in zaak A onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van bewijs.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde. Er is geen sprake van een strafbare poging nu niet gesproken kan worden van een begin van uitvoering. Indien de rechtbank meent dat er wel sprake is van een strafbare poging, dient vrijspraak te volgen omdat geen sprake is van medeplegen. De bijdrage van verdachte kan immers niet worden gekwalificeerd als een wezenlijke bijdrage en een nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt. Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs van betrokkenheid van verdachte. De herkenning is onbetrouwbaar. Indien de rechtbank de herkenning van verdachte wel voor het bewijs zou gebruiken, dient verdachte ook dan van dit feit te worden vrijgesproken, omdat hij geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd en medeplegen niet kan worden bewezen. Ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit omdat de herkenning dusdanig onbetrouwbaar is dat niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken was bij deze inbraak. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken omdat hij niet bij de inbraak betrokken is geweest en geen wezenlijke bijdrage daaraan heeft geleverd. Daarbij heeft de raadsvrouw opgemerkt dat de tenlastegelegde datum van 20 juni 2019 niet overeenkomt met de datum in de aangifte en de datum op de beelden. Ten aanzien van het in zaak A onder 6 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde bepleit. Het primair ten laste gelegde kan niet worden bewezen omdat het door het slachtoffer opgelopen letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde dient vrijspraak te volgen omdat uit de inhoud van het dossier geen wettig en overtuigend bewijs volgt dat verdachte de verweten handeling heeft verricht. Voor het geval de rechtbank daar niet in mee gaat, doet de verdediging een voorwaardelijk verzoek om de twee aangevers als getuige te horen.

Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken omdat niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat verdachte de persoon is die als NN3 wordt aangeduid. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat vrijspraak moet volgen omdat niet blijkt van een wezenlijke bijdrage van de zijde van deze NN3, of van een nauwe en bewuste samenwerking tussen NN3 en de overige twee verdachten.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Algemene bewijsoverweging ten aanzien van herkenningen

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van herkenningen behoedzaamheid betracht dient te worden. Dit geldt te meer, indien herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij de ten laste gelegde feiten kunnen aantonen. Het komt bij de beoordeling van het bewijs erop aan dat kan worden getoetst of de aan de hand van (al dan niet bewegende) beelden door de verbalisanten gedane herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Voor de betrouwbaarheid van een herkenning zijn onder meer de kwaliteit van foto’s en camerabeelden en de zichtbaarheid van de dader op deze beelden van groot belang. Voorts kan relevant zijn in welke hoedanigheid de waarnemer en de dader elkaar eerder getroffen hebben, of de herkenning heeft plaatsgevonden op basis van specifieke onderscheidende kenmerken en speelt eveneens het aantal herkenningen een rol bij de beoordeling. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de wetenschap volgt dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch, in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Vanwege de holistische herinnering aan gezichten is het weinig zinvol om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van verdachte heeft herkend. Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces. Zie Gerechtshof Amsterdam 28 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4535.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen aan de hand van beelden in de eerste plaats beoordeeld of deze van voldoende kwaliteit zijn (qua helderheid, duidelijkheid en zichtbaarheid van de daarop voorkomende daders) om daarop een herkenning te kunnen baseren. Voor zover dit het geval is heeft de rechtbank voorts mee gewogen hoe goed de herkenner de verdachte kent, alsmede het aantal in aanmerking komende herkenningen.

zaak A, feit 1

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Het verweer dat verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt wordt verworpen. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat wel sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten, gelet op het proces-verbaal waarin de camerabeelden worden beschreven (pagina 36 e.v.). Hieruit blijkt namelijk dat de drie mannen samen aankomen met een auto, vervolgens naar het luik toelopen en dat terwijl één van hen handelingen verricht met het luik, de anderen erbij staan, waarna ze samen weglopen.

Uit de inhoud van het dossier is naar oordeel van de rechtbank duidelijk geworden dat het geheel van handelingen van verdachte en zijn medeverdachten naar zijn uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als een poging tot inbraak. Door midden in de nacht een luik van een café op te tillen en hiertegen te schoppen, hebben verdachte en zijn medeverdachten een begin van uitvoering gegeven aan het voornemen om goederen uit het café weg te nemen. De verklaring van verdachte dat zij het luik optilden omdat zij dachten dat een onbekende persoon iets achter het luik had verstopt en zij nieuwsgierig waren, wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak.

zaak A, feit 2

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

zaak A, feit 3

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte het in zaak A onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt vast dat zowel de stills als de bewegende beelden ten aanzien van verdachte van onvoldoende kwaliteit zijn om een betrouwbare herkenning daarop te kunnen baseren. Daarbij komt dat slechts sprake is van één herkenning door een verbalisant. Dit maakt dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid en daarmee de betrouwbaarheid van de door de verbalisant gedane herkenning. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde.

zaak A, feit 4

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte het in zaak A onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt vast dat zowel de stills als de bewegende beelden van onvoldoende kwaliteit zijn om een betrouwbare herkenning daarop te kunnen baseren. Dit maakt dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid en daarmee de betrouwbaarheid van de door de verbalisanten gedane herkenningen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde.

zaak A, feit 5

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte het in zaak A onder 5 ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij uit baldadigheid tegen de deur heeft getrapt, maar ontkent betrokken te zijn bij de inbraak. De rechtbank constateert op basis van het proces-verbaal van bevindingen van het bekijken van de camerabeelden (pagina 84 e.v.) dat op 21 juni 2019 om 04:24:47 uur drie mannen bij de deur staan en dat er tegen de deur wordt getrapt. Vervolgens lopen de drie mannen weg. Blijkens voornoemd proces-verbaal komen pas op 21 juni 2019 om 12:09:14 uur opnieuw drie mannen in beeld, die de winkel via de eerder ingetrapte deur betreden. Uit de aangifte blijkt echter dat de inbraak tussen 20 juni 2019 om 22:00 uur en 21 juni 2019 om 10:50 uur heeft plaatsgevonden. De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat de tijdstippen op de beelden niet kunnen kloppen en is – daarmee samenhangend en wegens het ontbreken van overige aanknopingspunten – van oordeel dat niet duidelijk is hoeveel tijdverschil er tussen het trappen tegen de deur en het betreden van de winkel heeft gezeten. Daar komt bij dat de rechtbank vast stelt dat de stills van de beelden met daarop de drie personen die later terugkeren weliswaar helder zijn, maar dat de betreffende personen hun gezicht dusdanig goed hebben afgeschermd dat geen betrouwbare herkenning mogelijk is. Nu niet is vastgesteld dat verdachte één van de drie mannen is die de winkel uiteindelijk heeft betreden en evenmin vast staat dat er een band bestaat tussen verdachte en de drie mannen die de winkel hebben betreden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte betrokken was bij de inbraak, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

zaak A, feit 6

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak A onder 6 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Betrokkenheid verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij op de desbetreffende avond in de avondwinkel is geweest en dat hij degene is waarvan op beeld is te zien dat hij met aangever in die winkel een verhit gesprek heeft. Dit komt overeen met de verklaring van beide aangevers. Volgens aangevers is het diezelfde man, verdachte dus, die vervolgens buiten een bierflesje kapot heeft geslagen en het slachtoffer daarmee meermalen heeft geslagen. De rechtbank heeft geen aanleiding om ten aanzien van dit deel van de verklaringen van aangevers te twijfelen aan de inhoud hiervan. Daarnaast is verdachte later die nacht aangetroffen in het voertuig waarin de dader samen met anderen na de vechtpartij is weggereden, hetgeen is waargenomen door een medewerker van de avondwinkel die het kenteken van dat voertuig heeft genoteerd. Gelet op het voorgaande wordt de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde geschoven en oordeelt de rechtbank dat verdachte degene is geweest die aangever heeft geslagen.

Zware mishandeling

Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt wanneer sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Hiervan is – kort gezegd – sprake als het letsel levensbedreigend is, er sprake is van een zeer langdurige herstelperiode of geen volledige genezing wordt verwacht. Bij het vaststellen van zwaar lichamelijk letsel zal de rechter moeten kijken naar de ernst van het letsel, in hoeverre medisch ingrijpen nodig is geweest en of er uitzicht is op volledig herstel.

Als gevolg van het handelen van verdachte heeft aangever pijn ondervonden en heeft hij letsel opgelopen, te weten een wond in zijn rechterhand, een gebroken vinger en oppervlakkig letsel aan het hoofd. Uit de medische stukken is gebleken dat de wond enkel is gehecht en de vinger is gespalkt. Daarnaast bestond er uitzicht op volledig herstel. Dit betekent dat het geconstateerde letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de primair tenlastegelegde zware mishandeling.

Poging zware mishandeling

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij tien tot vijftien keer tegen zijn lichaam is geslagen en dat hij met zijn armen zijn gezicht heeft beschermd. Gelet hierop en op de foto’s van het letsel waarop een forse snijwond aan de hand van het slachtoffer zichtbaar is, kan worden vastgesteld dat verdachte meerdere malen met een kapot bierflesje in de richting van het hoofd en in ieder geval tegen het lichaam van verdachte heeft geslagen. Dit handelen had eenvoudig kunnen leiden tot letsel waarbij medisch ingrijpen en/of langdurig herstel nodig was geweest. De kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is bij meermalen slaan met een scherp voorwerp in de richting van het gezicht, naar de ervaring leert, aanmerkelijk. Door aldus te handelen heeft verdachte op zijn minst genomen deze aanmerkelijke kans willens en wetens aanvaard. Aldus is sprake van opzet, tenminste in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een poging tot zware mishandeling. Verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen nu van een nauwe en bewuste samenwerking onvoldoende is gebleken.

Het door de raadsvrouw gedane voorwaardelijk verzoek tot het horen van de twee aangevers wordt verworpen. De rechtbank vindt het horen van deze getuigen niet noodzakelijk.

zaak B

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Betrokkenheid van verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de beelden van de inbraak van voldoende kwaliteit zijn om daarop herkenningen te baseren. Verdachte is op deze beelden door twee verbalisanten herkend en de verbalisanten hebben duidelijk omschreven waaraan zij verdachte herkennen en hoe zij verdachte kennen. Bovendien heeft verdachte niet ontkend dat hij betrokken was bij de inbraak, maar heeft hij enkel verklaard te twijfelen of hij een van de personen op de beelden is. Hij weet het niet meer zeker. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de herkenningen. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

Medeplegen

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, gelet op het proces-verbaal van bevindingen (pagina 4 e.v.). Hieruit blijkt dat NN3 – die door verbalisanten als verdachte is herkend – aan het raam van het restaurant heeft gevoeld en heeft geprobeerd om met zijn linkerhand het raam te openen. Hiermee heeft verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan het delict geleverd. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

zaak A, feit 1

op 11 juli 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] goederen van hun gading, toebehorende aan [naam B.V.] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, naar voornoemd bedrijfspand zijn toegegaan, waarna verdachte en zijn mededaders een plaat van een (toegangs)luik van voornoemd bedrijfspand hebben verwijderd en tegen een luik of toegangsdeur bij voornoemd bedrijfspand hebben geschopt;

zaak A, feit 2

op 20 juni 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om uit een bedrijfspand gelegen aan [adres 3] [nummer 2] een of meer goederen van hun gading, toebehorende aan [naam Café 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van valse sleutels, naar voornoemd bedrijfspand is toegegaan, waarna verdachte en zijn mededaders een smartlock kastje hebben geopend en vervolgens sleutels uit het smartlock kastje hebben gepakt en vervolgens met voornoemde sleutels, in elk geval sleutels tot het gebruik waarvan verdachte en zijn mededaders niet zijn gerechtigd, deuren en/of rolluiken van voornoemd bedrijfspand hebben geopend en vervolgens in voornoemd bedrijfspand een alarmkastje hebben losgetrokken;

Ten aanzien van het adres van het bedrijfspand heeft de rechtbank een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging hersteld. In de tenlastelegging stond huisnummer [nummer 1] , terwijl uit de aangifte blijkt dat het [naam Café 1] is gevestigd op huisnummer [nummer 2] . Verdachte is door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

zaak A, feit 6 subsidiair

op 17 augustus 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een kapotte bierfles heeft geslagen tegen het lichaam van voornoemde [persoon 3] .

zaak B

op 1 juli 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een restaurant gelegen aan [adres 7] heeft weggenomen 1300 euro, toebehorende aan restaurant [restaurant] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1, 2, 5 en 6 subsidiair en in zaak B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar.

9.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de ISD-maatregel niet aan verdachte moet worden opgelegd omdat verdachte niet aan de harde en zachte ISD-criteria voldoet. De raadsvrouw heeft verzocht om een deels voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen met daaraan de bijzondere voorwaarden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd en die door de rechter-commissaris als schorsingsvoorwaarden in zaak B waren opgenomen. Indien de rechtbank van oordeel is dat een dergelijke stok achter de deur niet stevig genoeg is, heeft de raadsvrouw oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel in overweging gegeven.

9.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan één bedrijfsinbraak, waarbij een geldbedrag van € 1.300,00 is gestolen, en twee pogingen daartoe. Dit zijn ergerlijke feiten die tot overlast en financiële schade leiden en die voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving zorgen. Verdachte heeft er met zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een kapotte bierfles te slaan tegen het lichaam van aangever. Met zijn handelswijze heeft verdachte niet alleen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, ook kunnen dergelijke geweldshandelingen gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders oproepen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat aan de zogenaamde ‘harde’ criteria is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Dat ten aanzien van een aantal in eerste instantie voorwaardelijk oplegde straffen de vordering tenuitvoerlegging is toegewezen maar dat deze straffen nog niet ten uitvoer zijn gelegd, doet daar niet aan af. Voldoende is dat de destijds onvoorwaardelijk opgelegde straffen ten uitvoer zijn gelegd. De rechtbank is er echter niet van overtuigd dat verdachte voldoet aan de zogenaamde ‘zachte’ criteria. Daarbij is van belang dat de rechtbank twijfelt aan de zorgvuldigheid waarmee het reclasseringsrapport van 20 januari 2020 is opgesteld. Niet alleen wordt in de conclusie van dat rapport de naam van een andere verdachte vermeld, maar ook staat er dat verdachte niet zou worden vermeld op de TOP600 lijst (hetgeen wel het geval is), dat hij zou kampen met dakloosheid (terwijl verdachte ten tijde van zijn aanhouding verbleef bij HVO Querido en daarvoor bij familie), en dat hij in 2018 zou zijn veroordeeld door vuurwapenbezit (hetgeen niet blijkt uit zijn uittreksel justitiële documentatie). Gelet op deze onzorgvuldigheden zal de rechtbank deze rapportage niet aan haar oordeel over de strafmaat ten grondslag leggen en verdachte daarom geen ISD-maatregel opleggen maar een gevangenisstraf.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot bedrijfsinbraken en zware mishandeling. Als strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee dat er sprake is van medeplegen en dat er bij het geweldsmisdrijf fors geweld is gebruikt. Ook de omstandigheden dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor het plegen van bedrijfsinbraken en dat verdachte in een proeftijd liep van een voorwaardelijke straf ten tijde van het bewezen verklaarde weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee. Als straf verminderende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde sprake is van een poging. Aangezien aan verdachte in het verleden meermalen voorwaardelijke straffen zijn opgelegd en deze straffen verdachte er kennelijk niet van hebben weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen, acht de rechtbank het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een gepasseerd station.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en de omstandigheid dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justite, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van elf maanden passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, moet van de gevangenisstraf worden afgetrokken.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam winkel] vordert € 16.295,05 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank oordeelt als volgt. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte zal worden vrijgesproken van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 23-000423-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 8 augustus 2018 van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot drie weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op drie jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 2 en 6 subsidiair en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zaak A, feit 1

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

zaak A, feit 2

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

zaak A, feit 6 subsidiair

poging tot zware mishandeling;

zaak B

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 11 (elf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart [naam winkel] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 8 augustus 2018, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. W.H. van Benthem en M.C. Eggink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2020.