Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1803

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
13/201847-19, 13/170738-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor twee bedrijfsinbraken, één poging bedrijfsinbraak en het aanwezig hebben van hennep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/201847-19 (A) en 13/170738-19 (B)

Datum uitspraak: 17 maart 2020

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , [plaats] , gedetineerd in [plaats detentie] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 20 december 2019 en 3 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.F. van Drumpt, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Verstegen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zaak A

1.

hij op of omstreeks 11 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 2] ) een of meerdere goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam B.V.] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, naar voornoemd (bedrijfs)pand is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) eenmaal of meermalen een plaat van een (toegangs)luik van voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben verwijderd en/of geforceerd en/of op/tegen een luik en/of toegangsdeur aan/bij/van voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben gestampt en/of geschopt en/of getrapt;

2.

hij op of omstreeks 20 juni 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 3] ) een of meer goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam Café 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels, naar voornoemd (bedrijfs)pand is toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (met behulp van een code) een (smartlock)kastje heeft/hebben geopend en/of (vervolgens) een of meerdere sleutel(s) uit het (smartlock)kastje heeft/hebben gepakt en/of (vervolgens) met voornoemde (valse) sleutel(s), in elk geval (een)

sleutel(s) tot het gebruik, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet is/was/zijn/waren gerechtigd, een of meerdere (toegangs)deur(en) en/of rolluiken van/aan voornoemd (bedrijfs)pand heeft/hebben geopend en/of (vervolgens) in voornoemd (bedrijfs)pand een alarmkastje heeft/hebben losgetrokken en/of geforceerd;

3.

hij op of omstreeks 5 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan de [adres 4] ) een kluis, met daarin een of meerdere geldbedrag(en) en/of envelop(pen) met

daarin een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [persoon 1] en/of [naam Café 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.

hij op of omstreeks 29 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres 5] ) een kluis (met inhoud, waaronder een of meerder geldbedrag(en) en/of OV-chipkaart(en) en/of sleutel(s) en/of pas(sen) en/of kantoorbenodigdheden) en/of een tas en/of een of meerder laptop(s) en/of een iPad en/of een camera en/of een cameralens, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

5.

hij op of omstreeks 15 augustus 2019 te Amsterdam, in geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres 6] ) een geldbedrag van 180 euro en/of een iPad (merk Apple), in elk geval enig

goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam Café 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag en/of iPad onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van en/of inklimming via een raam van/aan voornoemd (bedrijfs)pand;

6.

hij op 20 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

7.

hij op of omstreeks 17 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen aan [persoon 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een wond van 1,5 cm welke gehecht moest worden en/of een gebroken vinger, heeft toegebracht, door

- met een kapot (bier)fles eenmaal of meermalen te slaan en/of te steken in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de handen en/of de armen, althans tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 17 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [persoon 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- met een kapot (bier)fles eenmaal of meermalen heeft geslagen en/of gestoken in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de handen en/of de armen, althans tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] en/of

- eenmaal of meermalen (met kracht) heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt op/tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [persoon 2] ;

zaak B

hij op of omstreeks 1 juli 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een restaurant (gelegen aan de [adres 7] ) heeft weggenomen (in/uit een kassalade) 1300,- Euro,-, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan restaurant [restaurant] en/of [persoon 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door één of meer ra(a)m(en)/ruit(en) van dat restaurant te verbreken en/of te forceren en/of dat restaurant in te klimmen, althans door middel van braak op en/verbreking en/of inklimming van dat restaurant.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2 en 7 subsidiair ten laste gelegde kennelijk is bedoeld een poging ten laste te leggen, maar dat telkens de zinssnede “terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid” ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat dit onverlet laat dat sprake is van een geldige dagvaarding, omdat uit de tenlastelegging van deze feiten telkens blijkt van een voorgenomen misdrijf en een begin van uitvoering door bepaalde feitelijkheden. Daarmee is voldoende duidelijk dat aan verdachte telkens een poging is ten laste gelegd. Overigens constateert de rechtbank dat er bij de verdediging kennelijk geen onduidelijkheid bestaat over de tenlastelegging nu zij hiertegen geen verweer heeft gevoerd.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A onder 1, 2, 3, 5, 6 en 7 subsidiair en het in zaak B ten laste gelegde. Ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte. Volgens de raadsvrouw zijn de herkenningen onvoldoende betrouwbaar. Ten aanzien van het in zaak A onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan met worden vrijgesproken omdat een proces-verbaal van herkenning ontbreekt. Ook ten aanzien van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit omdat de herkenningen niet voldoende betrouwbaar zijn. Ten aanzien van het in zaak A onder 6 en het in zaak B ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het in zaak A onder 7 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Herkenningen

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van herkenningen behoedzaamheid betracht dient te worden. Dit geldt te meer, indien herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij de ten laste gelegde feiten kunnen aantonen. Het komt bij de beoordeling van het bewijs erop aan dat kan worden getoetst of de aan de hand van (al dan niet bewegende) beelden door de verbalisanten gedane herkenningen voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Voor de betrouwbaarheid van een herkenning zijn onder meer de kwaliteit van foto’s en camerabeelden en de zichtbaarheid van de dader op deze beelden van groot belang. Voorts kan relevant zijn in welke hoedanigheid de waarnemer en de dader elkaar eerder getroffen hebben, of de herkenning heeft plaatsgevonden op basis van specifieke onderscheidende kenmerken en speelt eveneens het aantal herkenningen een rol bij de beoordeling.

Uit de wetenschap volgt dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen en wel in visuele vorm. Dit is ook de wijze waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat het heel lastig kan zijn een beschrijving te geven van een gezicht dat men goed kent en goed kan herkennen. Vanwege de holistische herinnering aan gezichten is het weinig zinvol om aan een getuige te vragen waaraan hij precies het gezicht van verdachte heeft herkend. Dit zal niet meer kunnen opleveren dan een in woorden gegoten rationalisatie achteraf van een niet-rationeel proces. Zie Gerechtshof Amsterdam 28 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4535.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen aan de hand van beelden in de eerste plaats beoordeeld of deze van voldoende kwaliteit zijn (qua helderheid, duidelijkheid en zichtbaarheid van de daarop voorkomende daders) om daarop een herkenning te kunnen baseren. Voor zover dit het geval is heeft de rechtbank voorts mee gewogen hoe goed de herkenner de verdachte kent, alsmede het aantal in aanmerking komende herkenningen.

zaak A, feit 1

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Uit de inhoud van het dossier is naar oordeel van de rechtbank duidelijk geworden dat het geheel van handelingen van verdachte en zijn medeverdachten naar zijn uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als een poging tot inbraak. Door midden in de nacht een luik van een café op te tillen en hiertegen te schoppen hebben verdachte en zijn medeverdachten een begin van uitvoering gegeven aan het voornemen om goederen uit het café weg te nemen. De verklaring van verdachte dat zij het luik optilden omdat zij dachten dat een onbekend persoon iets achter het luik had verstopt en zij nieuwsgierig waren, wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak.

zaak A, feit 2

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat zowel de stills als de bewegende beelden van onvoldoende kwaliteit zijn om een betrouwbare herkenning daarop te kunnen baseren. Dit maakt dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid en daarmee de betrouwbaarheid van de door de verbalisanten gedane herkenningen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

zaak A, feit 3

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak A onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de beelden van de inbraak ten aanzien van verdachte van voldoende kwaliteit zijn om daarop herkenningen te baseren. Verdachte is op deze beelden door maar liefst negen verbalisanten herkend en de verbalisanten hebben duidelijk omschreven waaraan zij verdachte herkennen en hoe zij verdachte kennen. Anderzijds zijn er geen feiten of omstandigheden gebleken die de herkenningen zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar zouden kunnen maken. De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de herkenningen.

zaak A, feit 4

De rechtbank acht – met de officier van justitie en de raadsvrouw – niet bewezen dat verdachte het in zaak A onder 4 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt vast dat zowel de stills als de bewegende beelden van onvoldoende kwaliteit zijn om een betrouwbare herkenning daarop te kunnen baseren. Dit maakt dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid en daarmee de betrouwbaarheid van de door de verbalisanten gedane herkenningen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde

zaak A, feit 5

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het in zaak A onder 5 ten laste gelegde heeft begaan en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat zowel de stills als de bewegende beelden van onvoldoende kwaliteit zijn om een betrouwbare herkenning daarop te kunnen baseren. Dit maakt dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid en daarmee de betrouwbaarheid van de door de verbalisanten gedane herkenningen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het in zaak A onder 5 ten laste gelegde

zaak A, feit 6

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat verdachte het in zaak A onder 6 ten laste gelegde heeft begaan.

zaak A, feit 7

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het in zaak A onder 7 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank overweegt dat de getuige [getuige] drie verklaringen heeft afgelegd, die alle van elkaar verschillen op punten die voor de bewijsvraag van belang zouden kunnen zijn. Dat maakt dat de verklaringen van deze getuige onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te worden gebruikt. De rechtbank zal deze dan ook niet tot het bewijs bezigen. Nu de betrokkenheid van verdachte overigens niet is komen vast te staan, zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

zaak B

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

zaak A, feit 1

op 11 juli 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] goederen van hun gading, toebehorende aan [naam B.V.] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, naar voornoemd bedrijfspand zijn toegegaan, waarna verdachte en zijn mededaders een plaat van een (toegangs)luik van voornoemd bedrijfspand hebben verwijderd en tegen een luik of toegangsdeur bij voornoemd bedrijfspand hebben geschopt;

zaak A, feit 3

op 5 juli 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres 4] een kluis, met daarin geldbedragen, toebehorende aan [naam Café 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

zaak A, feit 6

op 20 augustus 2019 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1 kilogram hennep;

zaak B

op 1 juli 2019 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een restaurant gelegen aan de [adres 7] heeft weggenomen 1300,- euro, toebehorende aan restaurant [restaurant] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1, 2, 3, 5, 6 en 7 subsidiair, en in zaak B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.

9.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

9.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan twee bedrijfsinbraken, waarbij geldbedragen zijn gestolen, en één poging daartoe. Dit zijn ergerlijke feiten die tot overlast en financiële schade leiden en die voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving zorgen. Verdachte heeft er met zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. Daarnaast heeft verdachte ongeveer 1 kilo hennep in zijn bezit gehad. Daardoor heeft hij een bijdrage geleverd aan de handel in en verspreiding van een voor de samenleving schadelijke softdrug.

De rechtbank heeft acht geslagen op de adviezen en de persoonlijke omstandigheden, zoals die zijn gebleken uit de verschillende reclasseringsrapportages over verdachte. Uit het meest recente reclasseringsadvies van 3 december 2019 volgt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. De reclassering adviseert om – ingeval van veroordeling – een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen: meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, ambulante behandeling, begeleid wonen en meewerken aan diagnostiek. Ook wordt geadviseerd om daarbij de reclassering opdracht te geven toezicht te houden op de naleven van deze voorwaarden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) met betrekking tot bedrijfsinbraken en het voorhanden hebben van softdrugs. Als strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee dat er sprake is van medeplegen. Ook de omstandigheid dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor het plegen van inbraken, zoals blijkt het uit strafblad van 31 januari 2020, weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee. Als straf verminderende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde sprake is van een poging.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en de omstandigheid dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten moet van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf worden afgetrokken. Dat betekent dat verdachte het onvoorwaardelijke gedeelte van de aan hem op te leggen gevangenisstraf inmiddels in voorarrest heeft uitgezeten. De voorlopige hechtenis is daarom bij afzonderlijke beslissing opgeheven. Aan het voorwaardelijk deel van de straf worden de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht verbonden zoals door de reclassering geadviseerd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 2, 4, 5 en 7 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, 3 en 6 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zaak A, feit 1

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

zaak A, feit 3 en zaak B

telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

zaak A, feit 6

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis bij het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering op het adres [adres, te plaats] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren. Hij houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering.

2. Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden

Veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.

3. Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering indien de gedragsinterventie niet toereikend lijkt te zijn. De behandeling start op een moment te bepalen voor de reclassering indien de gedragsinterventie niet toereikend lijkt te zijn. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

4. Begeleid wonen

Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

5. Meewerken aan diagnostiek

Veroordeelde werkt mee aan een persoonlijkheidsonderzoek.

Geeft aan de reclassering van het Leger des Heils, Jeugdbescherming & Reclassering op het adres [adres, te plaats] , de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. W.H. van Benthem en M.C. Eggink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2020.