Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1801

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
13/684474-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toetsing ISD; voorzetting ISD maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/684474-18 (tussentijdse toetsing)

BESLISSING

De rechtbank Amsterdam heeft op 21 februari 2019 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar opgelegd aan:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1972,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans verblijvende in de [plaats detentie] .

Procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2019, waarin is beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel;

  • -

    een uittreksel Justitiële Documentatie betreffende veroordeelde van 21 januari 2020;

  • -

    het rapport ‘voortgangsverslag tenuitvoerlegging ISD-maatregel’ van 2 december 2019, opgemaakt door [naam deskundige], senior casemanager ISD;

  • -

    een e-mail van 11 februari 2020, afkomstig van mevrouw [naam deskundige].

De rechtbank heeft op 12 februari 2020 de officier van justitie mr. J. Geurts, veroordeelde, zijn raadsvrouw mr. J. van Koesveld, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundige [naam deskundige], senior casemanager ISD, verbonden aan de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) [locatie] , op de openbare terechtzitting gehoord.

Beoordeling

Verloop van het ISD-traject

Uit voornoemd rapport ‘voortgangsverslag tenuitvoerlegging ISD-maatregel’ blijkt onder meer het volgende.

Veroordeelde is per 2 april 2019 geplaatst op de ISD-afdeling in de PI [locatie] . Sinds de plaatsing op de ISD-afdeling heeft hij zich onbegeleidbaar en onbehandelbaar opgesteld. Tijdens een Traject bepalingsoverleg op 16 mei 2019 heeft veroordeelde aangegeven af te zien van elke hulp en zijn tijd in de ISD kaal uit te willen zitten. Diverse malen is door de mentor en casemanager van veroordeelde gepolst of hij geen ondersteuning of hulp nodig heeft. Telkens heeft hij herhaald dat hij niets wil en niets nodig heeft. Het advies van de PI [locatie] is om de ISD-maatregel voort te zetten, om te zorgen dat door veroordeelde geen overlast meer kan worden gepleegd.

Advies van de deskundige

Op de openbare terechtzitting van 18 december 2019 heeft de deskundige, [naam deskundige], bovengenoemd advies bevestigd en zij heeft naar aanleiding van de wens van veroordeelde om terug te keren naar [geboorteland] , aangeboden om te onderzoeken of veroordeelde kan vertrekken naar [geboorteland] en wie de kosten hiervan kan betalen.

In de e-mail van 11 februari 2020 en op de openbare terechtzitting van 12 februari 2020 heeft de deskundige, [naam deskundige], aangegeven dat na navraag is gebleken dat veroordeelde kan verblijven bij familie in [geboorteland] . Indien veroordeelde zijn Nederlandse status inlevert en een reisdocument aanvraagt om naar [geboorteland] te kunnen reizen is terugkeer mogelijk en zullen de kosten worden betaald door het IOM.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de weg via het IOM geen oplossing biedt omdat veroordeelde de Nederlandse nationaliteit niet kan inleveren, als hij nog geen andere nationaliteit bezit. Vertrek met behoud van de Nederlandse nationaliteit zou mogelijk moeten zijn op korte termijn. De ISD-maatregel zou dan met ingang van één maand na deze zitting moeten worden beëindigd. Of de zitting moet worden aangehouden, zodat het Openbaar Ministerie de gelegenheid krijgt om financiering voor terugkeer van veroordeelde naar [geboorteland] te regelen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot voortzetting van de ISD-maatregel. Op dit moment is onvoldoende informatie voorhanden om zeker te weten dat veroordeelde bij opheffing van de ISD-maatregel naar [geboorteland] kan vertrekken..

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient in het kader van de onderhavige procedure te beoordelen of voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel noodzakelijk is. In artikel 38m lid 2 Sr is bepaald dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte.

De rechtbank is, op grond van de hierboven genoemde stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nog steeds noodzakelijk is ter beëindiging van de recidive en een optimale bescherming van de maatschappij. Veroordeelde heeft zich gedurende deze ISD-maatregel onbegeleidbaar en onbehandelbaar opgesteld. Vooralsnog is dan ook geen informatie op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen dat het recidiverisico is afgenomen.

Ten aanzien van wens van veroordeelde om terug te keren naar [geboorteland] is op dit moment nog onvoldoende komen vast te staan hoe dit kan worden gerealiseerd. Het verzoek tot aanhouding wordt afgewezen. Zodra de terugkeer van veroordeelde geregeld is, heeft de raadsvrouw de mogelijkheid om een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel aan te vragen. De rechtbank

zal er naar streven dat tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel in dat geval spoedig op zitting zal worden aangebracht.

Daarom wordt als volgt beslist.

Gezien artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering.

Beslissing

De rechtbank bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.

Deze beslissing is gegeven door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en H.E. Hoogendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2020.