Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1800

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
13/226163-19, 15/162974-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bedrijfsinbraak, diefstal en betalen met gestolen pinpas

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/226163-19 (A), 15/162974-19 (B)

Datum uitspraak: 26 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.P. Sholeh en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.C. Honig naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is in zaak A ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 31 juli 2019 in/uit het bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een Apple Macbook en/of een laptoptas (toebehorende aan [persoon 1] ) en/of

- een Asus Laptop en/of een Macbook Pro en/of Sonos Speakers en/of een Cannon Camera (toebehorende aan [persoon 2] ) en/of

- een Apple Macbook en/of een Apple Ipad Pro (toebehorende aan [persoon 3] ) en/of

- een Apple Macbook (toebehorende aan [persoon 4] ),

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [persoon 5] en/of [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 17 september 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om enig geldbedrag en/of een goed van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [persoon 6] en/of [persoon 7] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

- naar het bedrijfspand gelegen aan de [adres 3] is/zijn toegelopen en/of

- ( vervolgens) het slot van de voordeur heeft/hebben verbroken en/of de deur heeft/hebben opengebroken en/of

- ( vervolgens) het bedrijfspand binnen is/zijn gegaan en/of

- op de uitkijk heeft/hebben gestaan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte] op of omstreeks 17 september 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om enig geldbedrag en/of goed(eren) van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die [medeverdachte] en/of aan verdachte toebehoorde, te weten aan [persoon 6] en/of [persoon 7] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak,

- naar het bedrijfspand gelegen aan de [adres 3] is/zijn toegelopen en/of

- ( vervolgens) het slot van de voordeur heeft/hebben verbroken en/of de deur heeft/hebben opengebroken en/of

- ( vervolgens) het bedrijfspand binnen is/zijn gegaan

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 17 september 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door op de uitkijk te staan;

Aan verdachte is in zaak B – na wijziging op de zitting van 23 september 2019 – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 2 december 2018 te Landsmeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een of meerdere rijbewijzen (3) en/of

- een of meerdere betaalpassen (zeven stuks) en/of

- een of meerdere creditcards (3 stuks)

- een of meerdere kentekenbewijzen (2 stuks) en/of

- een of meerdere zorgpassen (2 stuks) en/of

- meerdere stukken sportkleding en/of

- een of meerdere tassen ent of

- een of meerdere portemonnees (2 stuks) en/of

- ( huis)sleutels en/of

- meerdere telefoons (een Samsung Galaxy J6 en/of een Huawei PS Smart)

- Een hoeveelheid contant geld,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan aan [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of [persoon 11] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2.

hij op of omstreeks 2 december 2018 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 46,06 euro, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [persoon 8] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [persoon 8] , in elk geval een sleutel tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – kort gezegd – gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde en het in zaak B onder 1 ten laste gelegde wegens het ontbreken van bewijs. Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde en het in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank gelet op de bekennende verklaringen van verdachte.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat hij het in zaak A onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft begaan. Indien verdachte al op de plaats delict is geweest, kan niet worden vastgesteld welke feitelijke bijdrage hij heeft geleverd aan het ten laste gelegde. Er is in het proces-verbaal ook onduidelijkheid of NN1 of NN2 in het pand [adres 3] is geweest.

De rechtbank heeft bij vonnis van dezelfde datum als dit vonnis medeverdachte [medeverdachte] vrijgesproken van dit feit. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het in zaak A onder 2 als primair en als subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van in het zaak B onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het in zaak B onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en overweegt hiertoe als volgt.

Op de beelden van de Albert Heijn is te zien dat verdachte, kort nadat is ingebroken in de auto van aangever en hierbij onder andere een bankpas van de aangever is weggenomen, met de gestolen bankpas van aangever afrekent. Aangever heeft verklaard dat hij verdachte op de camerabeelden van de Albert Heijn herkent als de man die hij vlak voor de diefstal van goederen uit zijn auto op de parkeerplaats heeft zien lopen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte degene is geweest die heeft ingebroken in de auto van aangever.

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat hij het in zaak B onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

op 31 juli 2019 uit het bedrijfspand gelegen aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen,

- een Apple Macbook en een laptoptas en

- een Asus Laptop en een Macbook Pro en Sonos Speakers en een Cannon Camera en

- een Apple Imac en een Apple Ipad Pro en

- een Apple Macbook,

toebehoorde aan [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van de weggenomen goederen van [persoon 3] heeft de rechtbank een kennelijke verschrijving in de tenlastelegging hersteld. In de tenlastelegging stond Apple Macbook, terwijl zowel uit de aangifte als uit de vordering tot schadevergoeding van [persoon 3] blijkt dat er een Apple Imac is weggenomen. Verdachte is door deze verbetering niet in zijn verdediging geschaad.

ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde

op 2 december 2018 te Landsmeer

- rijbewijzen en

- betaalpassen en

- creditcards en

- een of meerdere kentekenbewijzen en

- een of meerdere zorgpassen en

- stukken sportkleding en

- tassen en

- een of meerdere portemonnees en

- ( huis)sleutels en

- telefoons (een Samsung Galaxy J6 en een Huawei PS Smart)

- een hoeveelheid contant geld,

toebehoorde aan [persoon 8] en [persoon 9] en [persoon 10] en [persoon 11] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde

op 2 december 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander 46,06 euro toebehoorde aan [persoon 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [persoon 8] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke deel moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering.

8.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een taakstraf van 120 uren en daarnaast een aanzienlijke voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen ingebroken bij een bedrijf en daar een groot aantal kostbare goederen gestolen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van goederen uit een auto en heeft hij vervolgens gebruik gemaakt van één van de gestolen pinpassen. Dit zijn ergerlijke en overlast gevende feiten, waarbij eveneens schade is veroorzaakt. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Uit het 36 pagina’s tellende strafblad van verdachte van 6 december 2019 blijkt dat hij in het verleden veelvuldig met politie en justitie in aanraking is geweest en eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. De eerder aan hem opgelegde straffen hebben hem er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het advies en de persoonlijke omstandigheden, zoals die zijn gebleken uit verschillende rapportages over verdachte. Uit het meest recente reclasseringsrapport van 29 november 2019, opgesteld door I. Kapteijn, volgt dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, alcohol- en drugsverbod, contactverbod en meewerken aan schuldhulpverlening en het verkrijgen van dagbesteding.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan de officier van justitie.

Alles overziend en rekening houdend met de LOVS-uitgangspunten voor inbraken acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten moet van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf worden afgetrokken. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de straf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

Benadeelde partij [persoon 3] (zaak A, feit 1)

De benadeelde partij [persoon 3] vordert in totaal een bedrag van € 8.314,14 aan materiële schade (bestaande uit € 2.188,89 aan een Imac, € 829,00 aan een Ipad, € 2.500,00 cash geld en € 2.796,25 aan een vloerkleed) en € 4.114,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Van deze schade is reeds € 4.780,07 vergoed. De resterende vordering bedraagt in totaal € 7.648,07.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat uitsluitend een bedrag van € 125,00 voor het eigen risico van haar verzekering moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat eveneens een geldbedrag van € 2.500,00 is weggenomen. Het geldbedrag komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De verzekeraar heeft bij het te vergoede bedrag reeds rekening gehouden met een redelijke afschrijving van de Imac, Ipad en het vloerkleed. Het verschil van de aanschafprijs van deze goederen en het vergoede bedrag door de verzekeraar komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Hoewel als immateriële schade gevorderd, vallen de kosten voor het opnieuw maken van opdrachten/ werk ook onder materiële schade. Deze kosten zijn echter niet onderbouwd en dienen derhalve niet te worden toegewezen. De raadsvrouw heeft zich bij het standpunt van de officier van justitie aangesloten.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uitsluitend het bedrag van € 125,00 aan eigen risico voldoende is onderbouwd. Voor de overige materiële schadeposten en de als immaterieel gevorderde materiële schade (de kosten voor het opnieuw maken van opdrachten/werk) is onvoldoende onderbouwing geleverd. De rechtbank concludeert dat de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 125,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op 1 week.

9.2

Benadeelde partij [persoon 5] (zaak A, feit 1)

De benadeelde partij [persoon 5] vordert in totaal een bedrag van € 13.133,18 aan materiële schade. De vordering bestaat uit de volgende drie nota’s voor de verrichte herstelwerkzaamheden:

- Nota d.d. 16 augustus 2019 van [naam] : € 953,60 (incl. btw)

- Nota d.d. 31 september 2019 van [naam] : € 8.694,78 (incl. btw)

- Nota d.d. 30 september 2019 van [naam bedrijf BV] : € 3.484,80 (incl. btw)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering, behoudens de btw, vermeerderd met de wettelijke rente, dient te worden toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden afgewezen omdat deze niet duidelijk is. Uit de nota’s blijkt niet welke kosten samenhangen met de inbraak van 31 juli 2019 en welke met de inbraken van 11 en 12 augustus 2019.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld welke kosten samenhangen met de inbraak van 31 juli 2019, zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank schat de kosten uit de nota van [naam bedrijf BV] op een bedrag van € 1.000,00 en de kosten uit de nota’s van [naam] op € 788,10. De vordering tot materiële schadevergoeding zal daarom tot een bedrag van in totaal € 1.788,10 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering toe te passen gijzeling op 1 week.

9.3

Benadeelde partij [persoon 9] (zaak B, feit 1)

De benadeelde partij [persoon 9] vordert een bedrag van € 943,35 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Van deze schade is reeds € 546,05 vergoed. De resterende vordering bedraagt in totaal € 897,30.

De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de materiële schade toewijsbaar is, behoudens de € 207,00 aan aanvullende kosten. De benadeelde partij moet voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd gelet op de geldende jurisprudentie

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet moet worden toegewezen omdat zij vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank stelt vast dat [persoon 9] door het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde materiële schade is voldoende onderbouwd, met uitzondering van de schadepost aanvullende kosten. Aan materiële schade zal daarom een bedrag van € 190,50 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Naast materiële schade heeft de benadeelde partij eveneens immateriële schadevergoeding gevorderd. De benadeelde partij stelt dat door de auto-inbraak gevoelens van onveiligheid bij hem zijn ontstaan en deze gebeurtenis tot slapeloosheid heeft geleid. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Voor het aannemen van psychisch leed dient aannemelijk gemaakt te worden dat er sprake is van geestelijk letsel. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 (NJ 2002, 240) is voor vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW vereist dat het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. In het arrest van 9 mei 2003 (NJ 2005, 168) heeft de Hoge Raad de aan geestelijk letsel als persoonsaantasting te stellen eisen gepreciseerd en bepaald dat de partij die zich op aantasting van de persoon beroept, voldoende concrete gegevens zal moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Dit zal in de regel betekenen dat rapportage door een deskundige onontbeerlijk is, aldus de Hoge Raad.

Dit is slechts anders als de aard van de normschending – van het bewezen feit – meebrengen dat de gevolgen zodanig voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het gaat dan om misdrijven waarbij er bijvoorbeeld sprake is geweest van een fysieke aantasting van de persoon.

Gezien deze jurisprudentie van de Hoge Raad komt de rechtbank tot het oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partijen als gevolg van het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde onvoldoende aannemelijk is geworden. De vordering is immers onvoldoende onderbouwd doordat er geen stukken van een deskundige zijn bijgevoegd waaruit dit zou kunnen blijken. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 9] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij aanleiding die zich kan voordoen, bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

2. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Betrokkene accepteert de ambulante hulp van Kwintes of een andere instelling of woont intern bij Kwintes of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

3. Alcohol- en drugsverbod

Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en is verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

4. Meewerken aan schuldhulpverlening

Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening en/of budgetbeheer. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

5. Dagbesteding

Veroordeelde beschikt over nuttige dagbesteding en zet zich ervoor in dit te verkrijgen/ te behouden.

Geeft aan de reclassering de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

a. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling Tactus Reclassering Flevoland ( [adres 4] ) zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 3] toe tot een bedrag van € 125,00 (honderdvijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade, 31 juli 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] aan de Staat € 125,00 (honderdvijfentwintig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade, 31 juli 2019, tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 5] toe tot een bedrag van € 1.788,10 (duizendzevenhonderdachtentachtig euro en tien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade, 31 juli 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 5] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 5] aan de Staat € 1.788,10 (duizendzevenhonderdachtentachtig euro en tien cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade, 31 juli 2019, tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 9] toe tot een bedrag van € 190,50 (honderdnegentig euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade, 2 december 2018, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 9] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 9] aan de Staat € 190,50 (honderdnegentig euro en vijftig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade, 2 december 2018, tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. R.A.J. Hübel en H.E. Hoogendijk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.P.H. Borghans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2020.