Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1791

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
13/221793-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 30-jarige man krijgt 9 maanden gevangenisstraf omdat hij samen met een 37-jarige man skimsets en (micro) SD-kaarten in bezit had op 13 september 2019 in Amsterdam. De mannen wisten dat die voorwerpen bestemd waren voor het vervalsen van betaalpassen en om via skimmen zichzelf of een ander te bevoordelen. De rechtbank sluit de vondst van goederen, die rechtstreeks resultaat zijn van opsporingshandelingen waarbij diverse vormverzuimen zijn begaan in het kader van doorzoeking en inbeslagneming, uit van het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/221793-19 (Promis)

Datum uitspraak: 18 maart 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting op 4 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Staal en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.M.F.R. Ketwaru naar voren hebben gebracht.

De strafzaak tegen verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaak tegen [medeverdachte] (13/221803-19) en de rechtbank doet in beide zaken gelijktijdig uitspraak.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er van beschuldigd dat hij samen met de medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk 19 valse betaalpassen heeft gemaakt en/of voorhanden heeft gehad (feit 1). Verder wordt hij ervan verdacht dat hij samen met de medeverdachte stoffen, voorwerpen en/of gegevens heeft gemaakt, ontvangen of voorhanden heeft gehad waarvan zij wisten dat die bestemd waren om betaalpassen te vervalsen om daarmee geautomatiseerde betalingen te kunnen verrichten, ook wel aangeduid als het maken, ontvangen of voorhanden hebben van skimapparatuur (feit 2).

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

Een verbalisant passeert op 13 september 2019 een pinautomaat op de Prins Hendrikkade in Amsterdam waarvan hij weet dat er regelmatig skimapparatuur wordt geplaatst. Dit houdt in dat er onopvallend een opzetstuk met daarin een videocamera geplaatst wordt die de pincodes van gebruikers van de pinautomaat filmt en opslaat. Middels een ander opzetstuk wordt ook de magneetstrip van de bankpas gelezen en opgeslagen.

De verbalisant kijkt naar de pinautomaat en ziet dat er op dat moment skimapparatuur op de automaat zit. De verbalisant blijft in de buurt van de pinautomaat en ziet uiteindelijk de verdachten naar de pinautomaat lopen en samen, schouder aan schouder, voor de pinautomaat gaan staan. Hij ziet dat de medeverdachte [medeverdachte] beide opzetstukken van de pinautomaat afhaalt en meeneemt. De verdachten zijn daarna aangehouden door de politie. Bij de medeverdachte [medeverdachte] worden verschillende opzetstukken aangetroffen die voor het skimmen van verschillende pinautomaten gebruikt kunnen worden, en een haak waarmee een opzetstuk van een pinpassleuf kan worden verwijderd.

Na de mededeling van verdachte dat hij in het hotel Teleport verblijft, neemt de verbalisant contact op met dat hotel om dit te verifiëren. De medewerker van het hotel geeft aan dat beide verdachten als gast staan ingeschreven en de verbalisant zegt tegen de hotelmedewerker dat de verdachten zijn aangehouden en mogelijk niet meer naar de hotelkamer zullen terugkeren.

Als de medewerker aangeeft dat hij de kamer dan wil gaan ontruimen en vrijgeven voor nieuwe gasten, waarbij de goederen uit de kamer zullen worden opgeslagen, neemt de verbalisant contact op met de officier van justitie om te overleggen over de situatie. Na dat overleg gaat een andere verbalisant naar het hotel en zegt tegen de manager dat de kamer onder toeziend oog van de politie leeggemaakt kan worden.

De manager heeft de kamer opengemaakt en goederen (waaronder afgesloten tassen) uit die kamer aan de verbalisant overgedragen. De verbalisant heeft sommige van die goederen in beslag genomen en andere goederen in de fouillering van de verdachten gedaan.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van feit 1 bewezen kan worden dat verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] 9 passen valselijk heeft opgemaakt en voorhanden heeft gehad. Er is dan sprake van eendaadse samenloop.

Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie dat er tot een bewezenverklaring van medeplegen van het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde zaken gekomen kan worden over de periode van 4 februari 2019 tot en met 13 september 2019. Deze periode blijkt uit de grote hoeveelheid goederen die is aangetroffen, de grote hoeveelheid beelden op de laptop en de aangetroffen beschreven giftcards. Daarnaast heeft [medeverdachte] bij de politie verklaard dat hij het skimmen al een aantal keer eerder heeft gedaan en de verdachten hebben, blijkens de gegevens van het hotel, vanaf 4 februari 2019 meerdere keren samen in het hotel verbleven. Het medeplegen blijkt uit het feit dat ze samen zijn opgetrokken. Zo verbleven ze samen in de hotelkamer, waren zij samen in het bezit van de apparatuur die van de pinautomaat is gehaald en zijn zij samen naar Nederland gekomen om te skimmen.

De inbeslagname van goederen uit de hotelkamer is niet onrechtmatig en er is geen sprake van een vormverzuim. Omdat er in de hotelkamer geen doorzoeking door de politie heeft plaatsgevonden hoefde de procedure van artikel 110 Wetboek van Strafvordering (Sv) niet gevolgd te worden. Er is evenmin sprake van binnentreden door de verbalisant. Het ontruimen van de hotelkamer gebeurde op initiatief van de hotelmedewerkers. De verbalisant heeft de goederen op de gang in ontvangst genomen en is niet binnengetreden in de hotelkamer. Er heeft enkel beslag op basis van artikel 94 en 96 Sv plaatsgevonden. Op het moment dat de tassen in beslag zijn genomen mogen de verbalisanten in die tassen kijken.

Indien de rechtbank vindt dat een machtiging van de hulpofficier van justitie voor binnentreden van de kamer vereist zou zijn geweest, dan had dat weinig gevolgen voor de verdachten gehad. Deze machtiging zou zijn afgegeven door de hulpofficier van justitie. Ook zou een machtiging voor een doorzoeking door de rechter-commissaris zijn afgegeven. Als er dan sprake is van een vormverzuim, zijn de gevolgen voor de verdachten beperkt. Dat het strafbare feit anders niet was ontdekt is geen rechtens te respecteren belang en verder lagen er slechts wat kleren van verdachte. Deze zijn aan hem teruggegeven. Er kan dan worden volstaan met het vaststellen van het verzuim en er dienen geen rechtsgevolgen aan verbonden te worden.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt primair om verdachte vrij te spreken van feit 1 en feit 2. Er is sprake van een onrechtmatig binnentreden in de hotelkamer en al hetgeen daar is aangetroffen dient van het bewijs te worden uitgesloten omdat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Er kan niet tot een bewezenverklaring gekomen worden.

Subsidiair stelt hij dat verdachte voor het onder 1 cumulatief tenlastegelegde feit (valselijk opmaken dan wel vervalsen van betaalpassen/waardekaarten) moet worden vrijgesproken omdat niet is vastgesteld dat het om valse dan wel vervalste giftcards ging. Meer subsidiair verzoekt hij om verdachte vrij te spreken van het onder 1 cumulatief tenlastegelegde feit, omdat het bestanddeel medeplegen niet bewezen kan worden verklaard. Hij verzoekt ook vrijspraak van het alternatief tenlastegelegde feit (voorhanden hebben van vervalste/valse betaalkaarten/waardepassen) omdat verdachte geen wetenschap van en/of beschikkingsmacht over de giftcards heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2 stelt de raadsman (subsidiair) dat de tenlastegelegde periode niet bewezen kan worden verklaard.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder 1 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank meent dat het handelen van de hotelmanager en de verbalisant, namelijk het leegruimen van de hotelkamer door de manager en het vervolgens in beslagnemen van de in de hotelkamer aangetroffen goederen door de verbalisant, feitelijk neerkomt op het binnentreden en ter inbeslagneming doorzoeken van de hotelkamer. De verbalisanten hadden gebruik moeten maken van de hen toekomende bevoegdheden, in plaats van het hotel de kamer te laten ontruimen en alle persoonlijke eigendommen van de verdachten onder zich te nemen.

De rechtbank stelt vast dat de hotelmedewerkers niet op eigen initiatief zijn overgegaan tot ontruiming van de kamer. Verbalisant [verbalisant 1] heeft het hotel – naar de rechtbank meent in strijd met de privacywetgeving - medegedeeld dat de verdachten zijn aangehouden en mogelijk niet meer zullen terugkeren gelet op de aard van de zaak. De hotelmedewerker heeft vervolgens enkel te kennen gegeven de kamer te willen ontruimen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt niet dat het hotel onmiddellijk wilde ontruimen, terwijl uit de in datzelfde proces-verbaal opgenomen boekingsgegevens blijkt dat de hotelkamer nog tot 19 september 2019 was geboekt op naam van verdachte [verdachte] . Het hotel is pas tot ontruiming van de hotelkamer overgegaan nadat verbalisant [verbalisant 2] de hotelmanager toestemming had gegeven de kamer onder toeziend oog van de politie leeg te maken.

Wettelijk kader doorzoeking woning

De verdachten hebben de verbalisant geen toestemming gegeven om de hotelkamer te betreden. De bij de hen in gebruik zijnde (en op naam van één van hen geboekte) hotelkamer moet, op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, gelijk gesteld worden met een woning. In een dergelijke situatie moeten de verbalisanten de volgende voorschriften in acht nemen. Het ter inbeslagneming doorzoeken van een woning betreft een exclusieve bevoegdheid van de rechter-commissaris (art. 110 Sv). Indien een verbalisant meent dat een doorzoeking van een woning wenselijk is, dient de officier van justitie bij de rechter-commissaris te toetsen of de komst van de rechter-commissaris kan worden afgewacht. Indien dat het geval is, dient een zoeking met de rechter-commissaris plaats te vinden. Indien de komst van de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, kan ex artikel 97 Sv de officier van justitie (of de hulpofficier van justitie, als de komst van de officier van justitie niet kan worden afgewacht) met de vereiste machtiging van de rechter-commissaris zelf gaan zoeken. Deze voorschriften zijn in dit geval niet in acht genomen.

Verder heeft een opsporingsambtenaar op grond van het eerste lid van art. 96 Sv de bevoegdheid om, in geval van een ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit, een plaats te betreden en de daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen. Voor het binnentreden van een woning gelden echter de aanvullende vereisten van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). Nu het hier gaat om een aan een woning gelijkgestelde ruimte, had de verbalisant een schriftelijke machtiging tot binnentreden moeten aanvragen conform artikel 2 Awbi, met de uitdrukkelijke bepaling dat het binnentreden buiten aanwezigheid van de bewoner is toegestaan. Het blijkt niet dat terstond in de kamer moest worden binnengetreden ter voorkoming of bestrijding van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen. De verbalisant heeft niet de vereiste schriftelijke machtiging aangevraagd.

Indien de verbalisant meende dat er maatregelen nodig waren om wegmaking, onbruikbaarmaking, onklaarmaking of beschadiging van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen te voorkomen had hij er op grond van art. 96 lid 2 Sv nog voor kunnen kiezen de situatie te bevriezen, in afwachting van de komst van de rechter of ambtenaar die bevoegd is ter inbeslagneming de plaats te doorzoeken. Ook dit is niet gebeurd.

De betrokken verbalisanten hebben niet gehandeld conform de wettelijke vereisten.

De verslaglegging van de inbeslagneming is onvolledig en onnauwkeurig. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat er in de hotelkamer een paar gesloten tassen, een laptop en een tablet aanwezig waren en dat deze goederen direct zijn overgedragen aan verbalisant [verbalisant 2] . Uit het dossier blijkt echter niet om hoeveel tassen het gaat en aan wie de tassen konden worden toegeschreven. Evenmin zijn er kennisgevingen van inbeslagneming van de tassen in het dossier opgenomen. Weliswaar is door verbalisant [verbalisant 2] in het proces-verbaal vermeld dat op één van de tassen de naamkaart van medeverdachte [medeverdachte] stond en dat de aangetroffen skimmingapparaten hoofdzakelijk in die tas werden aangetroffen, maar verzuimd is te vermelden welke van de in beslag genomen goederen zich in die tas dan wel de andere tas(sen) bevonden. Uit het dossier blijkt evenmin welke -andere- goederen in de tassen zijn aangetroffen, welke daarvan in beslag zijn genomen en welke in de fouillering van verdachte en zijn medeverdachte zijn gedaan. Ook blijkt niet van inbeslagneming van kleding van de verdachten, terwijl deze blijkens het dossier wel in de kamer aanwezig is geweest. Op deze manier kunnen het openbaar ministerie, de verdediging en de rechtbank de gang van zaken rond de inbeslagneming niet verifiëren en controleren.

De rechtbank stelt ook vast dat verbalisant [verbalisant 1] op 13 september 2019 gegevens heeft opgevraagd bij het hotel en bij Equens zonder dat hij voorafgaand daaraan toestemming van de officier van justitie had verkregen voor het vorderen van deze gegevens. Hoewel dit gebrek achteraf is hersteld, is het tekenend voor de gang van zaken bij het opsporingsonderzoek.

Vormverzuim ex art. 359a Sv. en bewijsuitsluiting

Ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de rechtbank, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door dat verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de tenlastegelegde feiten. Bewijsuitsluiting kan alleen aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en indien door de onrechtmatige bewijsvergaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Uit de hierboven beschreven gang van zaken volgt dat de hotelmanager op instigatie van de politie de hotelkamer van de verdachten heeft doorzocht, waarna de politie de bij die gelegenheid gevonden goederen in beslag heeft genomen. Dat de vondst van de goederen het resultaat is geweest van een doorzoeking en niet slechts van zoekend rondkijken, kan worden opgemaakt uit de omstandigheid dat de gehele hotelkamer is ontruimd (teneinde door het hotel opnieuw verhuurd te kunnen worden) en dat de meeste in beslag genomen goederen (kennelijk) zijn aangetroffen in een aantal afgesloten tassen. Aangezien deze doorzoeking op instigatie en onder het toeziend oog van de politie heeft plaatsgevonden, moet dit handelen aan de politie worden toegerekend. De wettelijke voorschriften (zie hiervoor) voor een dergelijke doorzoeking van een (aan een woning gelijk te stellen) hotelkamer zonder toestemming van de bewoner zijn niet nageleefd, zodat sprake is van een vormverzuim, dat niet kan worden hersteld.

Bij de beoordeling of en zo ja welk rechtsgevolg moet worden toegepast, dient de rechtbank op grond van artikel 359a lid 2 Sv rekening te houden met het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

De genoemde voorschriften ter zake van een doorzoeking zijn aan te merken als belangrijke strafvorderlijke voorschriften. Een doorzoeking van een woning zonder toestemming van de bewoner levert een vergaande inbreuk op van diens persoonlijke levenssfeer, reden waarom de wetgever hiervoor procedurele regels heeft vastgesteld en heeft bepaald dat dit niet zonder (de machtiging van) de rechter-commissaris kan plaatsvinden. Deze belangrijke strafvorderlijke voorschriften zijn door de handelswijze van de politie in aanzienlijke mate geschonden. De doorzoeking door de hotelmedewerker op instigatie van de politie heeft niet alleen plaatsgevonden zonder toestemming van verdachte en zonder voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris, maar ook zonder toezicht op de uitvoering daarvan door de rechter-commissaris of door een (hulp)officier van justitie en zonder dat de gang van zaken tijdens de doorzoeking en inbeslagneming volledig is vastgelegd in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, zodat dit niet voldoende door de rechtbank valt te toetsen. Hierdoor is niet alleen een vergaande inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, maar is eveneens het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden. Gelet op de hierboven genoemde belangen die de geschonden voorschriften dienen, de ernst van het verzuim en de omstandigheden waaronder het verzuim is begaan, en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, is de rechtbank van oordeel dat het bewijsmateriaal dat door de onrechtmatige doorzoeking is verkregen moet worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank is van oordeel dat het door het verzuim veroorzaakte nadeel niet op andere wijze kan worden gecompenseerd dan door het uitsluiten van het daardoor verkregen bewijs. De rechtbank weegt hier in mee dat er sprake is van een herhaaldelijk onbevoegd handelen door de verbalisanten.

De rechtbank verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij.

3.4.2

Het oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank sluit de goederen, die het rechtstreeks resultaat zijn van de opsporingshandelingen waarbij het vormverzuim is begaan, uit van het bewijs.

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte samen met de medeverdachte op 13 september 2019 twee skimsets en SD-kaarten met gegevens voorhanden heeft gehad.

Verbalisant [verbalisant 1] ziet dat de verdachten samen naar de pinautomaat gaan en dat de medeverdachte, afgeschermd door verdachte, een skimset van de pinautomaat verwijdert. De verdachten worden vervolgens samen door de politie aangehouden en bij medeverdachte [medeverdachte] worden twee sets skimapparatuur en SD-kaarten aangetroffen. Verdachte heeft bekend dat hij die dag samen met [medeverdachte] is aangehouden.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich over een langere periode heeft schuldig gemaakt aan het tenlastegelegde.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

2.

op 13 september 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , voorwerpen en gegevens, te weten meer complete skimsets en meer (micro) SD-kaarten en videomodules, bevattende onder meer videobeelden, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en zijn mededader wisten dat die bestemd waren voor het opzettelijk valselijk opmaken en/of vervalsen van betaalpassen en/of waardekaarten en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaarten en/of voor het publiek beschikbare dragers van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten en/of verkrijgen van betalingen en/of andere prestaties langs de geautomatiseerde weg, zulks met het oogmerk om zichzelf of een ander te bevoordelen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank baseert haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde feit heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen. Het overzicht van de bewijsmiddelen is opgenomen in bijlage II bij dit vonnis. Die bijlage hoort bij dit vonnis en maakt daar deel van uit.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar, met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een straf overeenkomstig de voorlopige hechtenis op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich met de medeverdachte schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van complete skimsets, waarvan één set kort daarvoor in werking is geweest op een pinautomaat, en van gegevensdragers met daarop videobeelden van pintransacties. Hiermee kunnen bankpassen valselijk opgemaakt of vervalst worden. Indien zij van deze goederen gebruik gemaakt hadden en dergelijke passen gemaakt hadden, zou dit hebben geleid tot een inbreuk op het vertrouwen dat door de consument en de acceptant in het elektronisch betalingsverkeer wordt gesteld. Dit vertrouwen is van groot economisch en maatschappelijk belang. Wanneer dit vertrouwen niet meer aanwezig is, bestaat het risico van een ontwrichting van het maatschappelijk en economisch verkeer. De verdachte heeft kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten waarin voor het voorhanden hebben van skimapparatuur een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden is vermeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 19 november 2019. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder door de Nederlandse strafrechter is veroordeeld. Dit is dus niet van invloed op de straf.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit komt.

Alles afwegende vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden in dit geval passend.

7 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

- Goednr. 5806481, 6 stuks, Geldbiljetten, € 215,-;

- Goednr. 5806482, Bankpas;

- Goednr. 5806484, Tankpas;

- Goednr. 5806485, Klantenpas;

- Goednr. 5806489, Hotelkaart.

Uit het dossier blijkt dat tevens de volgende voorwerpen in beslag zijn genomen. Daarbij is in de kennisgeving van inbeslagneming geen beslagene vermeld:

- Goednr. 5806810, Fashion giftcard. 5 met stift geschreven;

- Goednr. 5806811, Nationale juweliers cadeaukaart. 16 met stift geschreven;

- Goednr. 5806812, Holiday inn express kaart (toegangspas);

- Goednr. 5806813, App store en i tunes cadeaukaart;

- Goednr. 5806814, Restaurant cadeaubon;

- Goednr. 5806816, Boekenbon;

- Goednr. 5806818, Boekenbon;

- Goednr. 5806820, Boekenbon;

- Goednr. 5806822, Boekenbon;

- Goednr. 5806823, Boekenbon;

- Goednr. 5806825, Pathé bioscoop cadeaubon. 2 met stift geschreven;

- Goednr. 5806826, Pathé bioscoop cadeaubon;

- Goednr. 5806827, Fashion giftcard. 1 met stift geschreven;

- Goednr. 5806828, Fashion giftcard;

- Goednr. 5806830, Fashion giftcard. 6 met stift geschreven;

- Goednr. 5806831, Fashion giftcard;

- Goednr. 5806832, Fashion giftcard. 7 met stift geschreven;

- Goednr. 5806837, Fashion giftcard;

- Goednr. 5806838, 1 Bulgaarse pas;

- Goednr. 5806842, Kaartlezer, met usb ingang;

- Goednr. 5806849, 14 stuks, Opzetstukjes kaartlezer;

- Goednr. 5806862, 5 stuks, Kaartlezer met chip;

- Goednr. 5806797, 15 stuks, 32 gb geheugenkaart;

- Goednr. 5806845, Geld uitwerp overzetstuk.

Voor zover deze voorwerpen onder verdachte in beslag zijn genomen, heeft de onderstaande beslissing ten aanzien van de voorwerpen betrekking op verdachte.

7.1

Onttrekking aan het verkeer

Nu de voorwerpen:

- Goednr. 5806849, 14 stuks, opzetstukjes kaartlezer;

- Goednr. 5806797, 15 stuks, 32 gb geheugenkaart;

- Goednr. 5806845, Geld uitwerp overzetstuk;

- Goednr. 5806810, Fashion giftcard. 5 met stift geschreven;

- Goednr. 5806811, Nationale juweliers cadeaukaart. 16 met stift geschreven;

- Goednr. 5806812, Holiday inn express kaart (toegangspas);

- Goednr. 5806813, App store en i tunes cadeaukaart;

- Goednr. 5806814, Restaurant cadeaubon;

- Goednr. 5806816, Boekenbon;

- Goednr. 5806818, Boekenbon;

- Goednr. 5806820, Boekenbon;

- Goednr. 5806822, Boekenbon;

- Goednr. 5806823, Boekenbon;

- Goednr. 5806825, Pathé bioscoop cadeaubon. 2 met stift geschreven;

- Goednr. 5806826, Pathé bioscoop cadeaubon;

- Goednr. 5806827, Fashion giftcard. 1 met stift geschreven;

- Goednr. 5806828, Fashion giftcard;

- Goednr. 5806830, Fashion giftcard. 6 met stift geschreven;

- Goednr. 5806831, Fashion giftcard;

- Goednr. 5806832, Fashion giftcard. 7 met stift geschreven;

- Goednr. 5806837, Fashion giftcard;

- Goednr. 5806838, 1 Bulgaarse pas;

- Goednr. 5806842, Kaartlezer, met usb ingang;

- Goednr. 5806862, 5 stuks, Kaartlezer met chip.

zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan en/of voorbereiden van een soortgelijk misdrijf en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

7.2

Retour aan verdachte

De voorwerpen met goednummers:

- Goednr. 5806481, 6 stuks, Geldbiljetten, € 215,-;

- Goednr. 5806482, Bankpas;

- Goednr. 5806484, Tankpas;

- Goednr. 5806485, Klantenpas;

- Goednr. 5806489, Hotelkaart.

behoren aan verdachte toe en zullen aan hem worden teruggegeven.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 47, 234 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 2:

Medeplegen van voorwerpen en gegevens voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in artikel 232, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- Goednr. 5806849, 14 stuks, Opzetstukjes kaartlezer;

- Goednr. 5806797, 15 stuks, 32 gb geheugenkaart;

- Goednr. 5806845, Geld uitwerp overzetstuk

- Goednr. 5806810, Fashion giftcard. 5 met stift geschreven;

- Goednr. 5806811, Nationale juweliers cadeaukaart. 16 met stift geschreven;

- Goednr. 5806812, Holiday inn express kaart (toegangspas);

- Goednr. 5806813, App store en i tunes cadeaukaart;

- Goednr. 5806814, Restaurant cadeaubon;

- Goednr. 5806816, Boekenbon;

- Goednr. 5806818, Boekenbon;

- Goednr. 5806820, Boekenbon;

- Goednr. 5806822, Boekenbon;

- Goednr. 5806823, Boekenbon;

- Goednr. 5806825, Pathé bioscoop cadeaubon. 2 met stift geschreven;

- Goednr. 5806826, Pathé bioscoop cadeaubon;

- Goednr. 5806827, Fashion giftcard. 1 met stift geschreven;

- Goednr. 5806828, Fashion giftcard;

- Goednr. 5806830, Fashion giftcard. 6 met stift geschreven;

- Goednr. 5806831, Fashion giftcard;

- Goednr. 5806832, Fashion giftcard. 7 met stift geschreven;

- Goednr. 5806837, Fashion giftcard;

- Goednr. 5806838, 1 Bulgaarse pas;

- Goednr. 5806842, Kaartlezer, met usb ingang;

- Goednr. 5806862, 5 stuks, Kaartlezer met chip.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- Goednr. 5806481, 6 stuks, Geldbiljetten, € 215,-;

- Goednr. 5806482, Bankpas;

- Goednr. 5806484, Tankpas;

- Goednr. 5806485, Klantenpas;

- Goednr. 5806489, Hotelkaart.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Steenbakkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2020.