Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1759

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
13.665500.15
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:4484, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

PIJ verlenging met 2 jaar, artikel 2.3 Wet forensische zorg is niet van toepassing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd


Parketnummer: 13-665500-15

Beslissing op de op 3 februari 2020 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland 2] ) op [geboortedag] 1997,

thans verblijvende in de [naam jeugdinrichting 1] .


die bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam d.d. 5 maart 2018 werd veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel).


De inhoud van de vordering.

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van de PIJ-maatregel met 24 maanden.

De procesgang.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

- het op 21 januari 2020 op grond van artikel 14 van het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 uitgebrachte advies opgesteld door mevrouw drs. [persoon 1] (werkzaam als hoofd behandeling in dienst bij [naam jeugdinrichting 1] ), mevrouw [persoon 2] (werkzaam als behandel coördinator bij [naam jeugdinrichting 1] ) en de heer [persoon 3] (werkzaam als directeur bij [naam jeugdinrichting 1] ), strekkende tot verlenging van de PIJ-maatregel met 24 maanden, alsmede de daarbij overgelegde aantekeningen;

- de brief met aanvullende informatie d.d. 27 februari 2020 opgesteld door mevrouw [persoon 2] (werkzaam als behandel coördinator bij [naam jeugdinrichting 1] );

- het Instrument SAVRY d.d. 24 oktober 2019 vastgelegd door mevrouw [persoon 2] (werkzaam als behandel coördinator bij [naam jeugdinrichting 1] );

- de YOUTURN perspectiefplannen, waaronder het meest recente (het negende perspectiefplan) d.d. 14 januari 2020 opgesteld door opgesteld door mevrouw drs. [persoon 1] (werkzaam als hoofd behandeling in dienst bij [naam jeugdinrichting 1] ) en mevrouw [persoon 2] (werkzaam als behandel coördinator bij [naam jeugdinrichting 1] ) .

De rechtbank heeft op 6 maart 2020 de vordering in de raadkamer met gesloten deuren behandeld.


Verschenen en gehoord zijn:

  • -

    de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. S. Ben Tarraf;

  • -

    de ouders, bijgestaan door een tolk in de Bulgaarse taal;

  • -

    de deskundige, mevrouw [persoon 2] verbonden aan de [naam jeugdinrichting 1] te [plaats].

  • -

    de deskundige, mevrouw [persoon 4] , verbonden aan de [naam jeugdinrichting 1] te [plaats]

De standpunten


Ter zitting hebben de deskundigen een toelichting gegeven op voornoemd verlengingsadvies. Veroordeelde heeft op sommige gebieden een kleine maar positieve ontwikkeling laten zien, maar over het algemeen zijn de behandelingen herhaaldelijk gestagneerd en daarom wordt een termijn van 24 maanden noodzakelijk geacht. In de afgelopen periode is veroordeelde vooral gericht geweest op externe zaken, zoals zijn hoger beroep, het doen van aangifte tegen medewerkers van [naam jeugdinrichting 2] en het verkrijgen van verlof. Hierdoor heeft hij veel onrust ervaren en zijn de psychotische klachten toegenomen. Vanwege het wantrouwen, gebrekkige openheid en het beperkte inzicht is niet altijd evenveel zicht op de psychotische klachten van veroordeelde. Bij uitvragen kan hij benoemen dat hij (meer) last heeft van stemmen die hem opdrachten geven tot zelfmutilatie (slaan op de muren) en dat hij de medewerkers binnen de JJI niet moet vertrouwen. Om deze reden was het niet mogelijk om de geïndiceerde behandelingen (EMDR en Seeking Safety) in te zetten. Ten aanzien van het drugsgebruik kan veroordeelde vooral impulsief handelen. In 2017 en 2018 was er sprake van positieve urinecontroles. Inmiddels kan veroordeelde de negatieve gevolgen van zijn drugsgebruik benoemen, maar de zucht naar drugs is nog steeds aanwezig. Veroordeelde wil meer roken dan toegestaan en hij vraagt hierop uitzonderingen bij verschillende groepsleiders. De verwachting is dat veroordeelde middelen zal gebruiken, zodra hij daar de mogelijkheden voor heeft. Tot slot hebben de deskundigen benadrukt dat het recidiverisico met het huidige kader en begeleiding hoog wordt ingeschat. Het wordt nodig geacht om terug te gaan naar de basis. Wanneer de onrust van de afgelopen periode met betrekking tot de aangifte en de aanloop naar de zitting minder is geworden, is de verwachting dat hij zich op zijn traject kan richten. Een verlenging voor de duur van een jaar of een verlenging van twee jaar inclusief het Scholings & Trainingsprogramma (hierna: het STP) achten de deskundigen niet in het belang van de ontwikkeling van veroordeelde. Een volgende formele beoordeling zou dan op te korte termijn weer plaatsvinden, waardoor veroordeelde zich teveel zal gaan richten op dat beoordelingsmoment (vergelijkbaar met de huidige zitting). Veroordeelde zal dan afgeleid raken en zich alleen maar daarop focussen, waardoor de behandeling naar verwachting niet van de grond zal komen. Alhoewel de deskundigen van oordeel zijn dat de “stemmen” chronisch van aard zijn, zijn zij wel van oordeel dat veroordeelde door de juiste behandeling daar op een goede manier mee kan leren omgaan. Zijn psychotische klachten kunnen naar verwachting gecontroleerd worden, zodat de lijdensdruk die veroordeelde nu in sterke mate ervaart verlicht kan worden. Op die manier kan toegewerkt worden naar de verschillende fases binnen het PIJ-traject die doorlopen dienen te worden. Voor de doelen waar veroordeelde aan moet werken om het recidiverisico te verlagen is een verlenging van 24 maanden noodzakelijk.
Veroordeelde heeft zich verzet tegen de geadviseerde verlenging voor de duur van 24 maanden, omdat hij een verlenging voor een kortere periode meer passend vindt. Hij heeft naar zijn gevoel positieve stappen gezet en op korte termijn wil hij beginnen met het STP.

De ouders hebben aangegeven dat zij geen vertrouwen meer hebben in het PIJ-traject. Het gaat alleen maar slechter met hun zoon. De ouders willen graag dat hun zoon weer thuis komt wonen. Zij zijn bereid om toezicht te houden, zelf de benodigde hulp in te schakelen en hem te helpen met zijn problemen.


De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij de inhoud van zijn vordering gelet op het advies van de deskundigen.


De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de officier van justitie af te wijzen. Ten eerste omdat er geen sprake is van herhalingsgevaar. Veroordeelde is hangende behandeling van de strafzaak geschorst en is niet gerecidiveerd in die periode. Daarnaast is in de SAVRY analyse de stoornis van veroordeelde niet meegewogen in de analyse omtrent het recidiverisico van een zedenfeit (hetgeen waarvoor veroordeelde veroordeeld is). Ten tweede is de verlenging niet in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van veroordeelde. In het begin van zijn PIJ-maatregel ging het een hele tijd heel goed met hem, maar de psychotische klachten zijn de laatste maanden alleen maar heviger geworden. Er is sprake van chronische psychiatrische problematiek. Subsidiair heeft de raadsman bepleit om de geadviseerde termijn van 24 maanden te matigen naar 12 maanden. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om de zaak aan te houden. Aangezien de psychiatrische problematiek van veroordeelde chronisch van aard is, dient onderzocht te worden of behandeling van veroordeelde niet beter binnen het civiele kader op grond van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) in plaats van het strafrechtelijk kader dient plaats te vinden. De raadsman verzoekt de rechtbank dan ook om aan de officier van justitie opdracht te geven om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor een dergelijke zorgmachtiging op grond van artikel 3.4 van de Wet forensische zorg (Wfz) (de rechtbank begrijpt: artikel 2.3 Wfz) kan onderzoeken. Volgens de raadsman zou het civiele kader moeten prevaleren boven het strafrechtelijk kader.

De beoordeling


Gelet op voormeld advies, het verhandelde in raadkamer en artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van veroordeelde eisen dat de termijn van de maatregel tot plaatsing in een

inrichting voor jeugdigen met 24 maanden, zonder het STP, wordt verlengd.

In de afgelopen twee jaar heeft veroordeelde aan verschillende behandeldoelen gewerkt, waaronder: het bekrachtigen van openheid en het vragen en accepteren van hulp en begeleiding, het verminderen van onrust en (psychotische) klachten, het vergroten van sociale vaardigheden, het vergroten van impulsbeheersing, het verminderen van middelengebruik en adequaat vormgeven van seksualiteit. Gebleken is dat veroordeelde op sommige gebieden een (prille) positieve ontwikkeling heeft laten zien, maar dat de behandeldoelen verder niet zijn behaald. De behandeling en daarmee de ontwikkeling van verdachte zijn gestagneerd, waardoor veroordeelde eigenlijk weer vanaf de basis moet gaan werken aan zijn doelen. Dit heeft vooral te maken met de positieve urinecontroles, de incidenten waarbij veroordeelde betrokken is geweest (23 incidenten en 18 time-outs) en de toenemende psychotische klachten. Daarnaast heeft veroordeelde vrijwel geen ontwikkeling doorgemaakt in zijn zelfreflectie, omdat hij het erg moeilijk vindt om verantwoordelijkheid te nemen voor zijn handelen. Wanneer hij wordt aangesproken op zijn gedrag, gaat hij in verdediging en/of ontkenning. Ook geeft hij regelmatig aan dat hij een overplaatsing wil aanvragen of aangifte zal doen tegen de medewerkers van de [naam jeugdinrichting 2] en wellicht ook [naam jeugdinrichting 1] . Zijn school en stage zijn inmiddels ook gestopt en ook dit moet weer opnieuw opgestart worden. Door al deze omstandigheden is er vrijwel geen vooruitgang geboekt in de behandelingen en is het risico op recidive onvoldoende verminderd. In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd volgt uit de SAVRY analyse dat ook het recidiverisico op een nieuw zedenfeit hoog is.

De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde hulp/begeleiding nodig heeft, ook op de lange termijn, zodat hij bewuster wordt van de risicofactoren. Het risico op recidive zonder behandeling wordt als hoog ingeschat. Met gerichte behandeling en een op zijn LVB gerichte opbouw in verlof wordt het risico als matig tot hoog ingeschat. Het is van belang dat het PIJ-traject van veroordeelde wordt voortgezet, omdat de deskundigen nog voldoende kansen zien om tot een positieve gedragsverandering te komen. De komende periode zal veroordeelde zich moeten inzetten voor de genoemde behandeldoelen, waarbij hij ongetwijfeld terug zal moeten gaan naar de basis. Het opnieuw herhalen van Leren van Delict fase I (naast de huidige lopende behandelingen) zal hem helpen om meer inzicht te krijgen in zijn beperkingen. Tevens kan hij – wanneer de onrust van de afgelopen periode minder wordt en hij zich volledig kan richten op zijn traject – starten met bijvoorbeeld de geïndiceerde EMDR en/of een behandeling gericht op zijn middelenproblematiek. Gelet op de reeds langdurig bestaande problemen, het grote aantal doelen waaraan dient te worden gewerkt en de bovengenoemde toelichting van de deskundigen over de benodigde duur van de PIJ_maatregel om teveel afleiding van veroordeelde te voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een kortere duur van de PIJ-maatregel dan de verzochte 24 maanden.

Ten aanzien van het meer subsidiaire verzoek van de raadsman om de officier van justitie de behandelmogelijkheden binnen het civiele zorgkader te onderzoeken overweegt de rechtbank als volgt.

In beginsel is de Wfz niet van toepassing op het jeugdstrafrecht (artikel 1.1, tweede lid, Wfz). Voor zover de raadsman heeft bedoeld om - door middel van zijn verzoek om de officier van justitie opdracht te geven onderzoek te doen naar een zorgmachtiging op grond van de Wvggz,- een beroep te doen op artikel 2.3, eerste lid onder 5 van de Wfz (een dergelijke zorgmachtiging op vordering van de officier van justitie) is deze mogelijkheid dus niet van toepassing op het jeugdstrafrecht. Dat laat onverlet de vraag of een dergelijk verzoek in zijn algemeenheid toewijsbaar is. Artikel 2.3, eerste lid, onder 8, 9 en 10 van de Wfz maakt het wel mogelijk om bij het niet verlengen van de (voorwaardelijke beëindiging van de) PIJ-maatregel, of het omzetten van de PIJ-maatregel in een TBS-maatregel, een civiele machtiging af te geven.


In deze zaak wordt de verlenging van de PIJ-maatregel noodzakelijk geacht zodat de vordering van de officier van justitie daartoe zal worden toegewezen. Daarmee zijn de uitzonderingsmogelijkheden van artikel 2.3 Wfz niet van toepassing zodat het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de zaak dient te worden afgewezen.. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat uit het stelsel van de Wfz afgeleid kan worden dat de “strafrechter” binnen het jeugdstrafrecht alleen een civiele zorgmachtiging kan afgeven indien de mogelijkheden binnen het jeugdstrafrecht zijn uitgeput. Artikel 2.3 Wfz is dus bedoeld als vangnet voor die specifieke gevallen en niet als een keuzemogelijkheid.

Beslissing.

De rechtbank:

  • -

    wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [verdachte] voornoemd met 24 (vierentwintig) maanden;

  • -

    wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door

mr. E.M. Devis, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E. Dinjens en M. van der Kaay, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Bakir, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2020.