Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1728

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
C/13/679783 / KG ZA 20-139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, Makers hoeven materiaal FIOD documentaire niet te verstrekken aan verdachten strafzaak.Geen grondslag om uitingsvrijheid te beperken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/679783 / KG ZA 20-139 MvW/MB

Vonnis in kort geding van 13 maart 2020

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te Rotterdam,

2. [eiser 2],

wonende te Rotterdam,

3. de stichting

[stichting] ,

gevestigd te Rotterdam,

eisers bij dagvaarding van 18 februari 2020,

advocaat mr. D.I.N. Levinson-Arps te Middelburg,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SELFMADE FILMS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde],

wonende te Amsterdam,

3. de vereniging

KRO-NCRV,

gevestigd te Hilversum,

gedaagden,

advocaat mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.

1 De procedure

Ter zitting van 3 maart 2020 hebben eisers, hierna afzonderlijk ook [eiser 1] , [eiser 2] en [stichting] , de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Gedaagden, hierna afzonderlijk ook Selfmade Films, [gedaagde] en KRO-NCRV, hebben verweer gevoerd. Beide partijen hebben schriftelijke stukken en een pleitnota ingediend. Vonnis is bepaald op heden.

Ter zitting waren aanwezig, voor zover hier van belang:

- aan de kant van eisers: [eiser 1] , [eiser 2] , [naam 1] , een van de bestuurders van [stichting] , mr. Levinson, mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Haarlem en mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort;

- aan de kant van gedaagden: [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , respectievelijk directeuren/bestuurders en eindredacteur/producent van Selfmade Films, [naam 5] namens KRO-NCRV, mr. van den Brink en zijn kantoorgenote

mr. L. Oranje.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] was eigenaar/exploitant van de landelijke sushirestaurantketen [bedrijf] en [eiser 2] is mede-grootaandeelhouder in die keten. [stichting] is houder van het beeldmerk waarvan de woorden “ […] ” een onderdeel zijn.

2.2.

Gedaagden, [gedaagde] als regisseur en Selfmade Films als productiehuis, zijn betrokken bij de totstandkoming van een documentaire met de werktitel “Het Werk van de FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, vzr.)” (hierna ook: de Film). Ten behoeve van die Film is op 11 juli 2014 een Mediacontract afgesloten tussen de Staat der Nederlanden (het Openbaar Ministerie (OM)) en de producent van de Film. KRO-NCRV is voornemens de Film op televisie uit te zenden.

2.3.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn gedaagd in een strafzaak, op verdenking van belastingfraude. Het strafrechtelijk onderzoek, dat in 2013 is gestart, kreeg de naam “Fuji” mee. In die zaak hebben zittingen plaatsgevonden op 1, 2, 4, 5 en 8 juli 2019, bij de rechtbank te Rotterdam. In door eisers in het geding gebrachte pleitnotities van hun advocaten in de strafzaak staat dat zij afroming van de omzet in de jaren 2011 tot 2014 en daarmee de benadeling van de belastingdienst hebben erkend en dat zij daarvoor met de FIOD regelingen hebben getroffen, voor een totaalbedrag van € 15,5 miljoen. Over de strafzaak en de daaraan voorafgaande inval door de FIOD is onder meer in 2014 gepubliceerd in het Algemeen Dagblad (AD).

2.4.

Op 22 en 25 juli 2019 zijn artikelen over de totstandkoming van de Film verschenen in het landelijke dagblad NRC (NRC.nl). In die artikelen staat onder meer dat de strafzaak van [eiser 2] en [eiser 1] in de Film centraal staat, zonder hun medeweten, en dat geheime tapgesprekken zijn gefilmd. In de artikelen staat ook dat de publieke omroep de Film rond die tijd op televisie had willen vertonen, maar dat dit onder druk van het OM tot nader order was uitgesteld. In het artikel van 25 juli 2019 staat dat de rechter opheldering wenst over de Film, dat daarom het vonnis in de strafzaak, dat die dag zou worden uitgesproken, is uitgesteld en dat de zaak op

16 september 2019 en 17 oktober 2019 wordt voortgezet.

2.5.

Het OM heeft de rechtbank Rotterdam en de advocaten van de verdachten op 22 juli 2019 op de hoogte gesteld van het bestaan van de Film, om te voorkomen dat zij dat in de krant zouden lezen.

2.6.

Op 2 september 2019 heeft de zaaksofficier van justitie in opdracht van de rechtbank een proces-verbaal van bevindingen afgegeven. Hierin is – kort gezegd – de inhoud van het Mediacontract (zie 2.2) beschreven.

2.7.

Tijdens de vervolgzitting van 16 september 2019 hebben de advocaten van [eiser 1] en [eiser 2] verzocht om, niet tijdens een openbare zitting, maar bijvoorbeeld op een USB-stick, beelden van de Film te kunnen zien die ook het OM heeft gezien.

In het proces-verbaal van 16 september 2019 van de voortgezette openbare behandeling van de strafzaak staat onder meer het volgende:

Er zijn twee verweren aangevoerd met betrekking tot het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard.

1. de zuiverheid van oogmerk.

De officier van justitie heeft bezworen dat het feit dat er een documentaire is gemaakt niet heeft geleid tot zijn vervolgingsbeslissing. (…) De maatstaf die de rechtbank in deze zaak aanlegt is of de documentaire in overwegende mate heeft bijgedragen aan de beslissing om (…) te vervolgen. Behalve naar het standpunt van de officier van justitie heeft de rechtbank ook gekeken naar het proces-verbaal van bevindingen (…). Hieruit blijkt dat in het mediacontract rekening is gehouden met de mogelijkheid dat er geen zitting komt, omdat bijvoorbeeld wordt getransigeerd of de zaak wordt geseponeerd. Er is dus wel degelijk in het mediacontract rekening gehouden met de mogelijkheid dat niet zal worden vervolgd. Ook overigens ziet de rechtbank geen begin van aannemelijkheid dat het feit dat er een documentaire is gemaakt in overwegende mate heeft bijgedragen aan de beslissing van de officier van justitie om één of alle verdachten te vervolgen. In dit stadium ziet de rechtbank daarom geen aanleiding om onderzoekswensen toe te wijzen die tot doel hebben nader verweer te kunnen voeren ten aanzien van een schending van het beginsel van onzuiverheid van oogmerk. (…)

2. het recht op privacy van de verdachten.

De verdediging heeft aangevoerd dat op het moment dat een cameraploeg meeloopt bij een opsporingsonderzoek het recht op privacy van de verdachten is geschonden. De rechtbank vindt dit een bepleitbaar standpunt.

(…)

Het criterium dat van toepassing is het verdedigingsbelang. (…) Het belang van de verdediging is, gezien het vorenstaande, niet geschonden als geen nader onderzoek, zoals verzocht door de verdediging, wordt gedaan.

Beslissing:

Alle onderzoekswensen van de raadslieden worden afgewezen.”

2.8.

Op 1 oktober 2019 heeft mr. Spong namens (onder anderen) eisers aangifte gedaan tegen de officier en destijds hoofdofficier van justitie van het functioneel parket te Rotterdam, wegens schending van het ambtsgeheim als bedoeld in artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht.

2.9.

In het proces-verbaal van de zitting in de strafzaak van 17 oktober 2017 staat onder meer het volgende:

De voorzitter deelt (…) mede dat de rechtbank als volgt heeft beslist. (…) In deze zaak is geen begin van aannemelijkheid dat er sprake is geweest van onzuiverheid van oogmerk. (…)Verder staat in het dossier, en dat vormt de basis van de vervolgingsbeslissing, dat er sprake is geweest van een fraude over een periode van in elk geval meer dan vier jaren met een afgeroomde restaurantomzet van ongeveer 25 miljoen euro en niet afgedragen BTW van ongeveer 1,6 miljoen euro. (…) Wat betreft de schending van de persoonlijke levenssfeer oordeelt de rechtbank als volgt. (…)

Bij het laten meekeken van documentaire makers bij een opsporingsonderzoek is van een incidentele verstrekking (van gegevens aan derden, vzr.) geen sprake meer. Dit betekent dat naar het voorlopig oordeel van de rechtbank het recht op privacy is geschonden. (…) Nogmaals, dit is een voorlopig oordeel. De rechtbank staat open voor argumenten dat het oordeel anders dient te luiden, bijvoorbeeld op basis van jurisprudentie, wetsgeschiedenis, literatuur of wetsystematiek. (…)

2.10.

De laatste inhoudelijke behandeling van de strafzaak staat geagendeerd voor

19 maart 2020, waarna in beginsel op 2 april 2020 de uitspraak zou moeten volgen.

2.11.

Door middel van een WOB (Wet Openbaarheid van Bestuur)-verzoek hebben de advocaten van eisers de beschikking gekregen over het onder 2.2 genoemde Mediacontract en over een Verklaring, eveneens gedateerd 11 juli 2014 (hierna: de Geheimhoudingsverklaring).

De Geheimhoudingsverklaring luidt voor zover hier van belang als volgt:

“1. De beeld- en geluidsopnamen die op vrijdag 11 juli 2014 plaatsvinden bij Het Functioneel Parket in Rotterdam ten behoeve van de hierboven genoemde documentaire, zullen niet openbaar gemaakt of anderzijds verspreid worden indien Het Openbaar Ministerie en (…) niet tot ondertekening komen van de onderlinge overeenkomst, waarover momenteel overleg gaande is.

2. Het beeld- en geluidsmateriaal zal worden bewaard op drie harddisks die met een wachtwoord zijn beveiligd en worden opgeslagen in een gesloten archief.

(…)

Het Mediacontract bevat de volgende bepalingen:

Artikel 4: De uitzending

4.1

Producent dient het Openbaar Ministerie binnen een termijn van minimaal één maand voorafgaand aan de eerste openbare vertoning of uitzending van de documentaire gelegenheid te bieden de documentaire te zien en beoordelen, Indien nodig frame voor frame, dan wel digitaal. (…) Het OM heeft zo dan de gelegenheid om te beoordelen of de documentaire moet worden gecorrigeerd met betrekking tot feitelijke onjuistheden en op het gebied van de in 4.2 genoemde belangen. De inhoudelijke en creatieve eindverantwoordelijkheid berust bij Producent. De in de ogen van het Openbaar Ministerie niet voor uitzending geschikte beeld en geluidsopnamen worden geschrapt.

4.2

Producent zal de, in de ogen van het Openbaar Ministerie niet voor uitzending geschikte beeld- en geluidsopnamen niet gebruiken, wanneer Het Openbaar Ministerie dat uit oogpunt van bescherming van de belangen op het gebied van privacy, slachtofferbescherming, opsporing en vervolging, politietactiek- en techniek en/of risico op (ernstige) reputatieschade noodzakelijk vindt.

Artikel 6: Opname en/of uitzending door derden

Producent is niet gerechtigd beeld- en geluidsopnamen voor derden (buiten de documentaire) te maken, behoudens in het geval deze derden voorafgaand aan de door hen te verrichten werkzaamheden door middel van ondertekening van een overeenkomst de bepalingen van deze Overeenkomst hebben aanvaard en aan het Openbaar Ministerie een kopie van de door deze derden ondertekende overeenkomst wordt verstrekt. De uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen voor Producent gelden dan tevens voor die derden.

Artikel 7: Geheimhouding

7.1

Producent dient strikte vertrouwelijkheid in acht te nemen ten aanzien van alle informatie over (aspecten van) de werkzaamheden van Het Openbaar Ministerie en al wat hem overigens ter kennis komt door het maken van beeld- en geluidsopnamen van (aspecten van) werkzaamheden van Het Openbaar Ministerie, al dan niet In het kader van het programma.

7.2

Het in artikel 7.1 bepaalde geldt tevens voor alle personen die door of namens Producent bij de uitvoering van deze overeenkomst worden ingeschakeld (o.a. cameraploegen, presentatoren etc.), hetgeen op verzoek van Het Openbaar Ministerie door ondertekening van individuele geheimhoudingsverklaringen dient te worden bekrachtigd. Producent draagt er in leder geval zorg voor dat deze personen, voorafgaand aan de door hen te verrichten werkzaamheden, nadrukkelijk worden gewezen op de inhoud van het in artikel 7.1 bepaalde.

7.3

De documentairemaker verricht geen eigen onderzoek naar de zaken die door de FIOD onder leiding van het Openbaar Ministerie onderzocht worden. De privacy van verdachten, getuigen en slachtoffers wordt beschermd, alsmede de belangen van de opsporing en de vervolging.”

2.12.

Onder meer bij brief van 4 februari 2020 hebben eisers KRO-NCRV gesommeerd om niet tot uitzending van de Film over te gaan. Volgens hen is uitzending, wegens schending van de privacy, onrechtmatig. In reactie daarop heeft KRO-NCRV aangevoerd dat van onrechtmatigheid geen sprake is en dat de Film niet eerder zal worden uitgezonden dan de datum waarop de rechter in de lopende strafzaak uitspraak zal doen.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen samengevat weergegeven:

- veroordeling van gedaagden om de door eisers in de dagvaarding gestelde onrechtmatige toestand op te heffen en/of te herstellen, in het bijzonder door hun te gebieden om uiterlijk binnen twee dagen, althans binnen een andere termijn, aan eisers af te geven of inzage te verlenen in:

( a) al het ruwe beeld- en geluidsmateriaal van de Film met de werktitel “Het Werk van de FIOD” dat gedaagden onder zich hebben, betrekking hebbend op de strafrechtelijke vervolging en/of de strafzaak/strafzaken tegen eisers, zoals nader gespecificeerd onder de nummers i tot en met viii in het petitum van de dagvaarding;

( b) de in de Geheimhoudingsverklaring Producent genoemde drie (3) harddisks, van de bijeenkomst op het Functioneel Parket op vrijdag 11 juli 2014 bedoeld voor gebruik in de documentaire film; en als er niets meer op staat (dan wel de inhoud niet meer kan worden hersteld), gedaagden te gebieden een onafhankelijke gerechtsdeurwaarder een ambtsedig rapport van constatering op te laten maken, mocht er van de betreffende harddisks informatie zijn gewist;

( c) vorenbedoeld (beeld)materiaal indien nodig foto's en frame-voor-frame (stills) dan wel digitaal op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 4 van het Mediacontract ("De uitzending"), lid 1, en dat met inbegrip van de ingevolge artikel 4, leden 1 en 2 van het OM-Mediacontract "in de ogen van het Openbaar Ministerie niet voor uitzending geschikte" en voor schrapping aangemerkte beeld- en geluidsopnamen;

( d) de uitgetypte transcripties (van onder andere maar niet beperkt tot de tapgesprekken) en schriftelijke uitwerkingen (“afschriften”), voor zover in het Nederlands, tevens vertaald c.q. opgesteld in een voor eisers begrijpelijke taal;

( e) kopieën van de door de in artikel 6 van het OM-Mediacontract bedoelde derden (buiten de documentaire) - al dan niet - ondertekende overeenkomsten;

( f) kopieën van de door de in artikel 7 lid 2 van het OM-Mediacontract bedoelde door of namens de Producent bij de uitvoering van het OM-Mediacontract ingeschakelde derden (al dan niet buiten de documentaire) - al dan niet - ondertekende individuele geheimhoudingsverklaringen;

een en ander desnoods onder toezicht van een door de voorzieningenrechter of eisers in te schakelen onafhankelijke gerechtsdeurwaarder, op kosten van gedaagden, bij voorschot aan eisers te voldoen, dan wel door voornoemde bescheiden voor dat doel - ter openlegging in dit kort geding - te deponeren ter griffie;

alles op straffe van verbeurte van dwangsommen,

althans:

- een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen andere voorziening te treffen, een en ander ter opheffing c.q. herstel van de door het maken/produceren van de Film aan eisers toegebrachte en nog toe te brengen (vermogens)schade en ander nadeel;

- veroordeling van gedaagden in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisers hebben bij hun vorderingen een spoedeisend belang. De laatste inhoudelijke behandeling van de strafzaak, met het oog waarop de vorderingen (deels) zijn ingediend zal plaatsvinden op 19 maart 2020 en de uitspraak wordt verwacht op 2 april 2020. Verder is aan eisers medegedeeld dat de Film niet zal worden uitgezonden voordat (in eerste aanleg) uitspraak is gedaan in de strafzaak.

Gedaagden hebben het spoedeisend belang overigens ook niet betwist.

4.2.

Eisers vorderen dat gedaagden wordt bevolen om over te gaan tot afgifte van, althans inzage in, al het materiaal dat zij ten behoeve van de totstandkoming van de Film hebben verzameld en alles wat daarmee samenhangt. Gedaagden hebben dit materiaal bijeengebracht en overeenkomsten gesloten (althans de producent) in het kader van hun journalistieke werkzaamheden. Anders dan eisers hebben gesteld is niet aannemelijk geworden dat het hier gaat om een in opdracht van de Staat (het OM en de FIOD) gemaakte propagandafilm. Daarvoor bestaan onvoldoende aanwijzingen, zodat geen gegronde reden bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van gedaagden, dat het initiatief tot het maken van de documentaire van hen is uitgegaan en dat zij de inhoudelijke en creatieve eindverantwoordelijkheid hebben. De omstandigheid dat het OM zich het recht heeft voorbehouden om passages uit de Film te schrappen, doet daaraan niet bij voorbaat af.

4.3.

Toewijzing van de vorderingen van eisers zou dan ook een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 EVRM (Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden) vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder ook valt de vrije journalistieke informatiegaring. Een dergelijke beperking is ingevolge artikel10 lid 2 EVRM slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 genoemde belangen, waaronder de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Daarnaast dient een dergelijke beperking proportioneel te zijn. Bij de beantwoording van de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan dienen alle omstandigheden van het betrokken geval in ogenschouw te worden genomen. Van belang in dit concrete geval is dat nog niet bekend is hoe de Film er uiteindelijk uit zal zien en of en wanneer wordt uitgezonden. De gevraagde voorzieningen zien dus op ingrijpen op voorhand door inzage of afgifte aan anderen dan degenen die betrokken zijn geweest bij het maken van de film, waaronder medewerkers van de FIOD en het OM. Gezien de waakhondfunctie van de pers en een ‘chilling effect’ dat van een dergelijk ingrijpen kan uitgaan, is daarbij uiterste terughoudendheid op zijn plaats.

Onrechtmatig handelen door gedaagden?

4.4.

Eisers stellen dat niet alleen de Staat (het OM), maar ook gedaagden door het maken van de Film, waarbij in hun visie zonder wettelijke basis informatie over eisers is verzameld en gebruikt, onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. Dit is volgens hen een wettelijke basis om de rechten van gedaagden te beperken. Eisers willen voorkomen dat zij (nog meer) schade lijden doordat vertrouwelijke gegevens over hen in de openbaarheid komen, wanneer de documentaire zou worden uitgezonden. De (dreigende) schending van hun rechten is volgens eisers zo ernstig dat de bescherming van artikel 10 EVRM (uitingsvrijheid), in dit geval moet wijken voor de bescherming op grond van artikel 8 EVRM (privacy- en reputatie-bescherming).

4.5.

Anders dan eisers hebben betoogd, wordt voorshands geoordeeld dat gedaagden door het maken van de documentaire geen onrechtmatige inbreuk hebben gemaakt op de privacy en/of hun reputatie hebben geschonden, zodat voor ingrijpen op die grond geen plaats is. De volgende feiten en omstandigheden zijn daarvoor redengevend.

4.6.

Voorop staat dat het gedaagden vrijstaat een documentaire te maken over de FIOD en (het optreden tegen) belastingfraude, een onderwerp dat in de publieke belangstelling staat. Dat zij daarbij gebruik maken van een concrete casus is een journalistieke keuze die aan hen is. Eisers zijn in dit verband wellicht gefilmd zonder hun medeweten, maar op zichzelf maakt dit de handelwijze van gedaagden niet op voorhand onrechtmatig. Van belang hierbij is dat eisers worden verdacht van grootschalige belastingfraude, die zij hebben bekend en waarvoor zij een transactie met de Belastingdienst hebben getroffen. Daarover is ook in het verleden al gepubliceerd. Gedaagden hebben terecht aangevoerd dat eisers als voormalig eigenaar en medeaandeelhouder van een grote restaurantketen met duizenden werknemers, door hun positie en hun handelwijze de publieke arena hebben betreden en dat hen daarom minder privacybescherming toekomt dan een willekeurig ander persoon.

4.7.

Gedaagden hebben verder aangevoerd bij de totstandkoming van de Film geen opnamen met verborgen camera’s of verborgen geluidsapparatuur te hebben gemaakt. Ook hebben zij verklaard dat de namen van eisers in de Film niet worden genoemd, dat [eiser 1] en [eiser 2] onherkenbaar zullen zijn, dat aan hen de gelegenheid zal worden geboden desgewenst voorafgaand aan uitzending een weerwoord te geven en dat het materiaal is opgeslagen in een kluis, onder strikte geheimhouding door betrokkenen.

4.8.

In het licht van de gegeven omstandigheden hebben gedaagden aldus voldoende rekening gehouden met de privacybelangen van eisers.

4.9.

De omstandigheid dat gedaagden bij de totstandkoming van de Film wellicht gebruik hebben gemaakt van informatie waarvan de verkrijging op gespannen voet staat met in acht te nemen ambtsgeheimen, is onvoldoende om op voorhand tot inperking van de journalistieke vrijheden over te gaan.

Eisers hebben op dit punt onder meer gesteld dat in strijd is gehandeld met de artikelen 7 van de Wet politiegegevens, 52 van de Wet justitiële en strafrechtelijke gegevens en 272 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. Voorshands bestaan echter onvoldoende aanwijzingen dat door toedoen van gedaagden bij het maken van de Film geheime informatie naar buiten komt of is gekomen. Als ambtsgeheimen zijn geschonden is dat de verantwoordelijkheid van (de medewerkers van) het OM en/of de FIOD, die geen partij zijn in dit kort geding. Ook het – voorlopige – oordeel van de rechtbank in de strafzaak aangehaald bij 2.9, dat de privacy van eisers is geschonden, ziet op de handelwijze van (medewerkers van) het OM, althans de FIOD, en niet op gedaagden. De rechtbank heeft die schending ook (nog) niet afgewogen tegen de overige belangen.

Overige grondslagen van de vorderingen

4.10.

Eisers hebben zich als grondslag voor hun vorderingen ook beroepen op de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), waarin in artikel 15 een inzagerecht is opgenomen. Het doel van deze bepaling is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van persoonsgegevens die over hen zijn verzameld en kunnen controleren of deze gegevens juist zijn en rechtmatig zijn vastgelegd. Uit dit artikel volgt niet dat zij zonder meer een recht op inzage hebben in over hen verzameld materiaal. Voor zover gedaagden aangemerkt moeten worden als verwerkingsverantwoordelijke komt daarbij dat vooralsnog moet worden aangenomen dat zij zich met succes kunnen beroepen op de journalistieke exceptie in de (artikelen 43 Uitvoeringswet AVG jo. 85) AVG. Ook deze grond is dus voor toewijzing van de vorderingen onvoldoende.

4.11.

Het beroep van eisers op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) slaagt evenmin. Dit artikel luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

“1 Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

(…)

4 Degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.”

4.12.

Eisers hebben er de nadruk op gelegd de gevorderde informatie nodig te hebben in het kader van de strafzaak, waarin zij onder meer de niet-ontvankelijkheid van het OM bepleiten, omdat de vervolgingsbeslissing oneigenlijk beïnvloed zou zijn door het maken van de Film. Artikel 843a Rv ziet echter op bewijsvergaring ten behoeve van een civielrechtelijke procedure en niet op zaken die ter beoordeling zijn aan de strafrechter. De strafrechter heeft inmiddels geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de documentaire van overwegende invloed is geweest op de vervolgingsbeslissing en heeft nadere onderzoeksvragen in dit verband, zoals het op een USB stick ter beschikking stellen van het ruwe materiaal voor de Film aan de advocaten van eisers, afgewezen. Het is niet aan de civiele rechter om met toepassing van artikel 843a Rv ten behoeve van het strafproces tot een ander oordeel te komen. Ook de omstandigheid dat (medewerkers van) het OM en/of de FIOD al voorvertoningen van (eerste versies van) de Film hebben gezien, waarmee zij volgens eisers in het kader van de strafzaak op een voorsprong zijn gezet ten opzichte van de verdediging, is een argument dat ter beoordeling moet worden voorgelegd aan de strafrechter. Deze omstandigheid is jegens gedaagden onvoldoende zwaarwegend.

4.13.

Eisers hebben verder gesteld afgifte van of inzage in de gegevens nodig te hebben ter voorbereiding van een aanhangig te maken civiele procedure, om de omvang van de door hen geleden schade ten gevolge van de privacy-schending vast te stellen. Daarvoor zijn er echter, zoals uit het voorgaande onder 4.5 tot en met 4.9 volgt, onvoldoende aanwijzingen dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld of zullen handelen. Gedaagden hebben bovendien terecht aangevoerd dat het materiaal waarop de vorderingen van eisers zien dermate omvangrijk is dat inzage in of afgifte daarvan zou neerkomen op het vissen naar informatie, oftewel een ‘fishing expedition’, waarvoor artikel 843a Rv niet is bedoeld.

Conclusie

4.14.

Het voorgaande leidt ertoe dat voor toewijzing van de vorderingen van eisers onvoldoende grond bestaat. De overige weren behoeven bij deze uitkomst geen bespreking. De vorderingen worden afgewezen, met (zoals gevorderd hoofdelijke) veroordeling van eisers, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van gedaagden begroot op:

– € 656,- € 656,- aan griffierecht en

– € 656,- € 980,- aan salaris advocaat;

5.3.

veroordeelt eisers hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 157,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt;

5.4.

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020.1

1 type: MB coll: MV