Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1673

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
19-5762
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard. Origineel, dan wel gewaarmerkt afschrift van last tot aanhouding. Status van 'Diplomatic Note'. Affidavit: is de feitomschrijving genoegzaam? Begrip 'conspiracy' in Amerikaans recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751733-19

RK nummer: 19/5762

Uitspraakdatum: 5 maart 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet (hierna: UW) van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 10 oktober 2019, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid ontvangen verzoek van de Amerikaanse autoriteiten tot uitlevering van

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] , Verenigde Staten van Amerika, op [geboortedag] 1965,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [plaats detentie] ,

hierna te noemen ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang.

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 februari 2020.
Gehoord zijn de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, en de opgeëiste persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft op 20 februari 2020 het onderzoek gesloten en bepaald dat zij op 5 maart 2020 uitspraak zal doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Amerikaanse nationaliteit bezit.

3 Het verzoek tot uitlevering.

De rechtbank heeft het volgende vastgesteld.

De vordering ex artikel 23 UW verwijst naar een uitleveringsverzoek dat gedateerd zou zijn op 14 augustus 2019. Een verzoek van die datum bevindt zich echter niet bij de stukken. Daarentegen bevindt zich wel in het dossier een ‘affidavit in support of request of extradition’ (hierna: ‘affidavit’) van 14 augustus 2019. Dit stuk is opgesteld door J.V. Rodriguez, assistant United States attorney for the Southern District of New York en behelst een omschrijving van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.
De voorzitter van de rechtbank heeft op 19 februari 2020 (e-mail van 11:06 uur) de officier van justitie ervan op de hoogte gesteld dat in het originele dossier geen verzoek om uitlevering was aangetroffen. Hij heeft haar verzocht hem hierover te informeren en het stuk, mocht zich dat nog bij het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) Amsterdam bevinden, ter zitting over te leggen en hiervan tevens ter kennisneming op voorhand een scan aan de rechtbank en de raadsman te zenden.

Op diezelfde dag (e-mail van 14:06 uur) heeft de officier van justitie aan de voorzitter bericht dat de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft laten weten dat de aanbiedingsbrief, gedateerd 7 oktober 2019 met het originele uitleveringsverzoek van 26 augustus 2019, aangetekend naar het IRC is gestuurd en zich reeds bij de stukken in het dossier zou moeten bevinden. Het zou een stuk zijn dat is voorzien van een zegel en waar rode linten omheen zitten.

De rechtbank heeft hierop geconstateerd dat het door de officier van justitie bedoelde stuk met zegel en rode linten zich inderdaad in het originele dossier bevindt, maar dat dit stuk geen verzoek tot uitlevering inhoudt.

Geconstateerd is dat het stuk met de zegel en de rode linten een door de Attorney General of the United States William P. Barr opgestelde verklaring betreft, gedateerd 26 augustus 2019, waarin wordt ingegaan op de status van J.E. Carter, associate director, Office of International Affairs, Criminal Division, Department of Justice, United States of America. Bijgevoegd is een ‘certificate’, ondertekend door genoemde Carter en gedateerd 23 augustus 2019 met betrekking tot de onderliggende ‘affidavit’. De aanbiedingsbrief ontbrak in het dossier.

De officier van justitie heeft vervolgens desgevraagd bewerkstelligd dat kort voor de behandeling ter zitting alsnog de aanbiedingsbrief van 7 oktober 2019, evenals een ‘Diplomatic Note’ van 1 oktober 2019 aan de rechtbank en de raadsman zijn gezonden. De stukken zijn aan het dossier toegevoegd. Gebleken is dat de ‘Diplomatic Note’ door het Ministerie van Justitie en Veiligheid op 7 oktober 2019 is doorgeleid naar de officier van justitie te Amsterdam, IRC, en door het IRC is ontvangen op 9 oktober 2019.

De ‘Diplomatic Note’ met kenmerk No. 083/19 bevat het aan het Koninkrijk der Nederlanden gerichte verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon opdat hij in de Verenigde Staten terecht kan staan in verband met de verdenking van ‘conspiracy to commit wire fraud’ (count 1) en ‘wirefraud’ (count 2). In de ‘Diplomatic Note’ wordt verwezen naar de ‘superseding indictment’ (de akte van beschuldiging), nummer S1 17 Cr. 461 (RMB), opgesteld op 28 juli 2017 in the United States District Court for the Southern District of New York.

De rechtbank gaat er derhalve van uit, dat de vordering ex artikel 23 UW van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 10 oktober 2019 er toe strekt het door tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid ontvangen verzoek van 1 oktober 2019 van de Amerikaanse autoriteiten tot uitlevering van de opgeëiste persoon in behandeling te nemen.

4 Gestelde overschrijding van de in artikel 23, lid 1 UW genoemde termijn

De rechtbank constateert – met de raadsman – dat de genoemde Diplomatic Note’ pas op 19 februari 2020, en daarmee in een laat stadium van de procedure bij deze rechtbank is verstrekt. Van een weigeringsgrond is in dit verband echter geen sprake. De rechtbank stelt voorts vast dat de ‘Diplomatic Note’, met daarin het verzoek tot uitlevering, is gedateerd 1 oktober 2019, terwijl de vordering als bedoeld in artikel 23 UW dateert van 10 oktober 2019. De raadsman heeft aangevoerd dat daarmee de termijn als bedoeld in artikel 23, eerste lid, UW is overschreden en dat hierdoor de belangen van de opgeëiste persoon zijn geschaad. De raadsman heeft deze overschrijding in strijd geacht met de UW, maar aan deze vaststelling geen gevolgen verbonden.

De raadsman heeft in dit verband terecht onder ogen gezien dat de UW aan een eventuele termijnoverschrijding op dit punt geen gevolgen verbindt (zie ook het arrest van de Hoge Raad (HR) van 17 december 1991, NJ 1992/344). Los daarvan geldt echter dat van een termijnoverschrijding in de zin van artikel 23 UW geen sprake is. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, is de ‘Diplomatic Note door het Ministerie van Justitie en Veiligheid op 7 oktober 2019 doorgeleid naar de officier van justitie te Amsterdam, IRC, en door het IRC ontvangen op 9 oktober 2019. De vordering ex artikel 23 UW is vervolgens binnen de bij deze wet voorgeschreven termijn van drie dagen na ontvangst van het verzoek om uitlevering gedaan, te weten op 10 oktober 2019.

5 Vertaling van stukken, artikel 9, lid 5 van het Verdrag.

De raadsman heeft erop gewezen dat er geen Nederlandse vertaling is verstrekt van de ‘Diplomatic Note’ van 1 oktober 2019, van the certificate van 23 augustus 2019 en van het bewijs met betrekking tot de functie van de heer Carter van 26 augustus 2019. Deze stukken vormen de basis van het verzoek tot uitlevering, aldus de raadsman. De raadsman heeft zich hierbij beroepen op artikel 9, vijfde lid, van het Verdrag. De raadsman heeft nadrukkelijk verzocht de zaak niet aan te houden om alsnog een vertaling te laten verstrekken.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Blijkens artikel 9, vijfde lid, van het Verdrag wordt de vertaling vereist van de stukken die overeenkomstig dit artikel en artikel 10 ter ondersteuning van het verzoek tot uitlevering moeten worden overgelegd. Hieronder valt in ieder geval de ‘affidavit’ waarin de feiten uiteen zijn gezet waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Dit stuk is in het Nederlands vertaald en bevindt zich bij de stukken. De door de raadsman bedoelde stukken behoeven op grond van artikel 9 lid 5 van het Verdrag geen vertaling. Het verweer wordt derhalve verworpen.

6 Inhoud en grondslag van het uitleveringsverzoek.

De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van een door de autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.
In verband hiermee is op 28 juli 2017 zijn aanhouding gelast door de edelachtbare K.H. Parker, Amerikaans rechter-commissaris, verbonden aan de Arrondissementsrechtbank voor het Zuidelijk District van New York.

Rekening houdend met het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 8 december 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:10270) heeft de rechtbank vastgesteld dat bovengenoemde last tot aanhouding een origineel, danwel een gewaarmerkt afschrift betreft en is opgemaakt door een rechter in de verzoekende Staat, zoals bedoeld in artikel 9, lid 3 onder a, van het Verdrag.

De feiten (naar Amerikaans recht gekwalificeerd als ‘conspiracy to commit wire fraud’ en ‘wire fraud’) zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van de beëdigde verklaring ter ondersteuning van een verzoek om uitlevering (‘affidavit in support of request for extradition’), gedateerd 14 augustus 2019 en uitgevaardigd door de hulpofficier van justitie van de Verenigde Staten van Amerika,

J.V. Rodriguez, ten overstaan van de edelachtbare H.B. Pitman, rechter-commissaris van de Verenigde Staten.

Het in die bijlage tussen [ ] geplaatste gedeelte (de punten 5 tot en met 31) dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf van meer dan een jaar worden opgelegd, terwijl die feiten naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar zijn en daarvoor telkens een vrijheidsstraf van meer dan een jaar kan worden opgelegd.

6.1

Conspiracy.

Met de officier van justitie is de rechtbank derhalve van oordeel dat ook het eerste feit, waarbij sprake is van ‘conspiracy’ dubbel strafbaar is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.


Volgens artikel 2, vierde lid, aanhef en onder a, van het Verdrag wordt uitlevering ook toegestaan voor poging tot of deelneming aan strafbare feiten die tot uitlevering kunnen leiden, daarbij inbegrepen deelneming aan een vereniging van personen wier oogmerk het is het strafbare feit te plegen.

In zijn uitspraak van 30 maart 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO4255) heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat het er niet om gaat of overeenstemming bestaat tussen de Amerikaanse en de Nederlandse strafbepaling, maar of het materiële feit waarvoor de uitlevering is verzocht en dat strafbaar is naar het recht van de verzoekende staat binnen de termen van een Nederlandse strafbepaling valt. De HR heeft in dit arrest daartoe onder meer het volgende overwogen:

“De toelichtende Nota op dit Verdrag houdt met betrekking tot art. 2, vierde lid, onder meer in: “De deelneming in een vereniging van personen wier doelstelling is gericht op het plegen van een misdrijf, dekt gedeeltelijk het Amerikaanse begrip conspiracy, echter slechts voor zover naar Nederlands recht sprake is van overtreding van artikel 140 Wetboek van Strafrecht (vlg. NJ 1979,11). Daartoe is nodig dat aannemelijk wordt gemaakt dat de opgeëiste persoon behoort tot een vereniging van personen die zich in algemene zin op het plegen van misdrijven richt.”

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de ‘affidavit’ vast dat de uitlevering mede betrekking heeft op de verdenking van een feit dat binnen de geciteerde overweging valt. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de opgeëiste persoon gedurende de in de ‘affidavit’ aangeduide periode heeft behoord tot een vereniging van personen die zich in algemene zin op het plegen van misdrijven richt, in casu het plegen van vormen van oplichting en fraude.

7 Genoegzaamheid der stukken.
7.1De raadsman heeft aangevoerd dat de ‘Diplomatic Note’niet voldoet aan de eisen zoals genoemd in artikel 18, derde lid, aanhef en onder a, UW nu uit dit stuk niet blijkt welke autoriteit om uitlevering verzoekt.

Dit verweer wordt verworpen. De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 9 van het toepasselijke Verdrag. Aan de voorgeschreven wijze van toezending is met de ‘Diplomatic Note’ voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is zonder meer duidelijk dat deze ‘Diplomatic Note’ afkomstig is van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika. Daarbij zijn eveneens ingevolge het Verdrag de vereiste stukken en gegevens verstrekt. Hieruit blijkt dat het verzoek om uitlevering ziet op vervolging, in verband waarmee door de eerder genoemde arrondissementsrechtbank voor het Zuidelijk District van New York, waar het onderzoek tegen de opgeëiste persoon en zijn medebeschuldigden loopt, de aanhouding van de opgeëiste persoon is gelast.

7.2

Onder verwijzing naar artikel 9, lid 2 sub d, van het Verdrag heeft de raadsman verder betoogd dat de strafbepalingen die zien op de mogelijk op te leggen straf niet bij de stukken zijn gevoegd.
Dit verweer berust echter op een onjuiste lezing van de stukken. De relevante wetsbepalingen (artikel 1343 en artikel 1349 van het Wetboek van de Verenigde Staten) zijn als productie B bij de stukken gevoegd en in het Nederlands vertaald. Deze artikelen hebben respectievelijk betrekking op ‘fraude door middel van elektronische bankoverboekingen, radio of televisie’ en ‘poging en samenzwering’. Uit deze artikelen blijkt dat op de feiten een vrijheidsstraf met een maximum van twintig jaar kan worden opgelegd. Ook dit verweer wordt daarom verworpen.

7.3

De raadsman heeft, onder verwijzing naar artikel 9, lid 3, sub b, van het Verdrag, voorts betoogd dat de feitsomschrijving in de ‘affidavit’ onvoldoende is om te kunnen stellen dat hierdoor naar Nederlandse maatstaven een zodanig redelijk vermoeden van schuld zou kunnen volgen, dat dit de aanhouding van de opgeëiste persoon dan wel enig ander onderzoek met het oog op de dagvaarding zou rechtvaardigen. Hij heeft daarbij onder meer verwezen naar het toetsingskader zoals uiteengezet in het arrest van de HR van 9 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX6949) en naar drie andere arresten van de HR1. De HR gaat in deze arresten in het kader artikel 9, lid 3, sub b van het Verdrag in op de eisen die gesteld moeten worden aan het overgelegde bewijsmateriaal.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verweer niet kan slagen op grond van het volgende.

Het Verdrag eist in geval van vervolgingsuitlevering dat wordt overgelegd “het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte staat, de aanhouding en de dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen, indien het feit in die staat zou zijn gepleegd” (artikel 9 lid 3 onder b Verdrag). Aan deze eis is voldaan indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht dat naar Nederlands recht zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn (HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949). Dat bewijsmateriaal kan onder andere al blijken uit een affidavit (beëdigde verklaring) waarin het verloop en het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek wordt gerelateerd (HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1571). De bewijsmiddelen waarop het affidavit is gebaseerd hoeven daarbij niet te worden overgelegd (HR 1 juli 1986, NJ 1987/218).

De rechtbank is van oordeel dat de stukken voldoen aan de eisen van artikel 9, tweede en derde lid, van het Verdrag. Uit de overgelegde stukken blijkt voldoende waarvan de opgeëiste persoon verdacht wordt en waarop die verdenking is gebaseerd. In de ‘affidavit’ wordt gedetailleerd ingegaan op de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Verder worden daarin de vermeende rol en het aandeel van de opgeëiste persoon in dat feitencomplex beschreven. Zijn naam wordt in dat kader herhaaldelijk genoemd, en de medebeschuldigden van de opgeëiste persoon worden bij naam genoemd en hun relatie tot de opgeëiste persoon beschreven. Bovendien wordt uiteengezet wat de gevolgde modus operandi is geweest bij de vormen van oplichting en welke (financiële) schade de benadeelden hebben geleden.

De raadsman heeft nog betoogd dat bij het uitleveringsverzoek meer bewijsstukken dan alleen een ‘affidavit’ hadden moeten worden gevoegd en heeft daarbij verwezen naar bewijsstukken die worden genoemd in de door hem genoemde arresten van de HR. Dit betoog slaagt niet. Uit de inhoud van de genoemde arresten volgt niet dat een verzoekende staat ook verplicht is om alle mogelijk genoemde bewijsstukken bij het uitleveringsverzoek te verstrekken.

8 Onschuldverweer.

De opgeëiste persoon heeft de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht ontkend.
Hij heeft echter niet onverwijld kunnen aantonen dat hij onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de bewering te onderzoeken. Er is niet gebleken dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten.

9 Slotsom.
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is bevonden dat aan alle daarvoor in de UW en het Verdrag gestelde eisen is voldaan, moet de gevraagde uitlevering toelaatbaar worden verklaard.

10 Toepasselijke wetsartikelen.

de artikelen 47, 140 en 326 van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 2 van de Uitleveringswet;

de artikelen 1, 2, 9 en 11 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, met bijlage, gesloten te 's-Gravenhage op 24 juni 1980 (Trb. 1980, 11, Trb. 1980, 133, Trb. 2004, 296).

11 Beslissing.

Verklaart TOELAATBAAR de door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon].

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 5 maart 2020.

Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.

1 ECLI:NL:HR:2012:BX6949, ECLI:NL:HR:2014:1571 en ECLI:NL:HR:2018:131