Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1645

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
13/133231-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mishandeling, beroep op noodweer verworpen. Vrijspraak van poging tot zware mishandeling en van bedreiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/133231-19

Datum uitspraak: 11 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1955,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Ang, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Plas, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 1 juni 2019 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. poging tot zware mishandeling van [persoon] door met een mes in zijn onderarm te steken, subsidiair ten laste gelegd als mishandeling;

2. bedreiging van [persoon] .

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Wanneer je een ander steekt of snijdt met een mes neem je het risico dat je de ander ernstig verwond, echter bevat het strafdossier in dit geval geen enkele informatie omtrent de ernst van het letsel en hoe verdachte precies gestoken heeft. Het subsidiair onder 1 ten laste gelegde kan wel worden bewezen, nu verdachte heeft verklaard dat hij [persoon] heeft gestoken en uit het dossier blijkt dat [persoon] een wond aan zijn onderarm heeft.

De officier van justitie heeft voorts bepleit dat geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Uit het dossier en de verklaring van verdachte blijkt dat hij ‘para’ was door middelengebruik. Wellicht heeft verdachte daardoor gedacht dat [persoon] een voorwerp in zijn broeksband had zitten. Het is echter niet aannemelijk geworden dat sprake was van een dreiging of aanval waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Ook het onder feit 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Door met een mes stekende bewegingen te maken kan bij de ander de redelijke vrees op de dood of zwaar lichamelijk letsel ontstaan.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Bewijsvraag

De raadsvrouw heeft – aan de hand van haar op schrift gestelde pleitaantekeningen – bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat om te concluderen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [persoon] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Ten aanzien van de vraag of de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen kan worden, heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beroep op noodweer

Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat aan verdachte een beroep op noodweer toekomt. Verdachte heeft een aannemelijke verklaring afgelegd, inhoudende dat hij zich bedreigd voelde, omdat [persoon] iets uit zijn broeksband probeerde te pakken. Verdachte is achter [persoon] aangelopen en hij is vervolgens van achteren vastgepakt door [persoon] waardoor verdachte geen kant op kon. Verdachte had een mes in zijn hand, maar hij heeft deze pas gebruikt toen hij werd vastgepakt door [persoon] .

Op het moment dat [persoon] verdachte van achteren heeft vastgepakt was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding gericht tegen verdachte waartegen hij zich mocht verdedigen. Verdachte heeft zich verweerd met een mes, waarbij hij [persoon] (slechts licht) in de onderarm heeft geraakt. Dat is niet alleen subsidiair maar ook proportioneel.

Gelet op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde zal een geslaagd beroep op noodweer moeten leiden tot vrijspraak.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken, omdat dient te worden uitgegaan van de verklaring van verdachte en omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 1 primair en feit 2 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat op basis van het dossier onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de toedracht om te kunnen concluderen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Verdachte heeft het opzet op het toebrengen van dergelijk letsel ontkend. Het letsel bestaat uit een kleine snee en voor het overige is niet voldoende bekend over de wijze waarop verdachte het mes heeft gehanteerd om uit de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te kunnen afleiden.

Ten aanzien van feit 2 bevat het dossier onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te komen, nu alleen [persoon] heeft verklaard dat verdachte zwaaiende bewegingen heeft gemaakt met een mes. Verdachte heeft wel verklaard dat hij een mes heeft vastgehad, maar niet dat hij daarmee zwaaiende of stekende bewegingen heeft gemaakt die als opzettelijk dreigend zouden moeten worden geïnterpreteerd. Er is geen verder steunbewijs voor de verklaring van [persoon] hierover.

3.3.2.

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen. [persoon] heeft verklaard dat hij door verdachte is gestoken, verdachte heeft dit bekend en door verbalisanten is letsel geconstateerd bij [persoon] .

3.3.2.

Verwerping van het beroep op noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is, ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet dan echter een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan: de enkele vrees is onvoldoende.

Indien door of namens verdachte een beroep wordt gedaan op noodweer, dan moet de rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het verweer ten grondslag is gelegd en uit de wettelijke bewijsmiddelen moet worden afgeleid, aannemelijk is geworden.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van verdachte en het slachtoffer [persoon] sterk uiteenlopen omtrent de gebeurtenissen rondom het steekincident. De verklaring van het slachtoffer geeft in ieder geval geen steun aan de stelling dat sprake was van enige noodweersituatie. Hij heeft immers verklaard dat verdachte hém uit het niets heeft aangevallen met een mes en hij zich daartegen heeft verweerd.

De verklaring van verdachte acht de rechtbank onvoldoende geloofwaardig en onvoldoende betrouwbaar om op grond daarvan aannemelijk te achten dat sprake is geweest van een (onmiddellijk dreigende) wederrechtelijke aanranding van zijn lijf of goed. Verdachte heeft verklaard dat hij ‘para’ was na gebruik van alcohol en drugs en dat hij zag dat [persoon] naar de WC ging en daarbij met zijn hand richting zijn middel/in zijn broeksband_ging. Verdachte ging achter hem aan, maar [persoon] wilde niet laten zien wat hij in zijn broeksband had. Bij verdacht ontstond de vrees dat [persoon] een wapen wilde pakken om daarmee verdachte iets aan te doen. Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens een mes heeft gepakt en met dat mes in zijn hand op [persoon] is afgelopen en dat hij toen van achteren is aangevallen door [persoon] . De rechtbank acht niet aannemelijk dat [persoon] verdachte, die naar zijn zeggen juist naar [persoon] toeliep en hem daarbij kennelijk scherp in de gaten hield, van achteren heeft vastgepakt op een manier die als aanvallend zou moeten worden beschouwd. Wel acht de rechtbank goed mogelijk dat [persoon] verdachte op enig moment kan hebben vastgepakt, aangezien die immers met een mes in zijn handen op hem afliep. Daarmee is echter niet aannemelijk geworden dat dit vastpakken van verdachte door [persoon] een wederrechtelijke aanranding opleverde.

De verklaring van verdachte over zijn reden om te vermoeden dat [persoon] hem met een wapen zou gaan aanvallen, is ook bepaald onvoldoende om aannemelijk te achten dat een wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf of goed op enig moment onmiddellijk dreigde. De door verdachte beschreven gedragingen van [persoon] , die simpelweg lijken te passen bij het gedrag van iemand die naar de WC gaat, geven daar geen enkele aanleiding toe.

Uitgaande van de verklaring van verdachte komt de rechtbank tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

4 Bewezenverklaring

Op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, acht de rechtbank bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde:

op 1 juni 2019 te Amsterdam [persoon] heeft mishandeld door met een mes in de onderarm van voornoemde [persoon] te steken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen beroep op putatief noodweer toekomt, omdat niet aannemelijk is geworden dat verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het verkeren in een noodweersituatie.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat, als de rechtbank het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen acht en aan verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt, hem wél een beroep op putatief noodweer toekomt. Verdachte verkeerde namelijk in de verontschuldigbare veronderstelling dat hij zich mocht verdedigen tegen [persoon] , omdat hij dacht dat [persoon] een mes of wapen uit zijn broeksband wilde pakken.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Van putatief noodweer is sprake wanneer de verdachte abusievelijk in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij zich moest verdedigen, bijvoorbeeld omdat de verdachte zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld. Daarbij geldt dat een beroep op putatief noodweer alleen kan slagen wanneer de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het verkeren in een noodweersituatie. De vergissing die verdachte heeft begaan toen hij zich wilde verweren moet begrijpelijk zijn voor een objectieve waarnemer.

De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte verontschuldigbaar in de veronderstelling was dat [persoon] naar een mes of een wapen greep. Verdachte heeft verklaard dat hij paranoïde was door middelengebruik. De rechtbank gaat ervanuit dat het middelengebruik van verdachte heeft geleid tot het idee dat [persoon] een mes of een wapen wilde pakken. Zoals reeds opgemerkt gaven de door verdachte beschreven gedragingen van [persoon] objectief gezien geen enkele aanleiding tot die gedachte. Er was daarom geen sprake van een situatie waarin de verdachte verschoonbaar heeft kunnen menen dat een noodzaak tot verdediging door middel van het snijden met een mes bestond. Het verweer op putatief noodweer wordt verworpen.

Nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan een gedeelte, groot 70 uren, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren) en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de impact die het incident op verdachte heeft gehad. Om die reden heeft de raadsvrouw verzocht de zaak af te doen zonder oplegging van straf of maatregel. Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw een geheel voorwaardelijk straf aan cliënt op te leggen zonder de geadviseerde bijzondere voorwaarden.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door in de onderarm van [persoon] te steken, waardoor letsel is ontstaan bij [persoon] . Verdachte heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan, omdat hij zich bedreigd voelde in zijn eigen huis. De verwondingen van [persoon] beperken zich tot een snee in zijn onderarm, maar dat neemt niet weg dat verdachte hiermee de persoonlijke integriteit van [persoon] heeft geschonden. De rechtbank weegt bij het bepalen van de straf echter ook mee dat kennelijk sprake is van een uit de hand gelopen, maar gezamenlijk ondernomen avontuur in de drank en de drugs, waarmee beide betrokkenen hebben bijgedragen aan het ontstaan van een sfeer van ontremming en het risico op onverwachte ontknopingen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 december 2019. Hieruit blijkt dat verdachte zich in het verleden meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Uit het strafblad blijkt echter ook dat verdachte in de afgelopen jaren minder is veroordeeld voor misdrijven.

Daarnaast heeft de rechtbank ook kennis genomen van een reclasseringsrapport van 18 september 2019. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren een stabiel bestaan heeft opgebouwd waarin zijn eigen woning en daarmee samenhangende wijze waarop hij zijn dagen vult de rode draad is. De woning van verdachte is een grote beschermingsfactor en het verliezen van de woning zou nadelige gevolgen kunnen hebben. De reclassering ziet noodzaak in hulpverlening bij middelengebruik, omdat bij overmatig alcoholgebruik de mogelijkheid bestaat dat verdachte naar drugs grijpt en daarbij ontstaat een kans op recidive. Om de stabiele situatie zoals die er nu is te behouden en om recidive te beperken adviseert de reclassering een toezicht met een meldplicht en een ambulante behandeling als dat nodig blijkt.

De rechtbank onderschrijft het reclasseringsadvies en ziet ook aanleiding tot een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met toepassing van bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal daarbij opnemen dat een ambulante behandeling slechts in gang zal worden gezet indien de reclassering dat noodzakelijk acht.

Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dat de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal volstaan met het opleggen van een taakstraf voor de duur van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde:

mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Beveelt dat een gedeelte, groot 40 uren subsidiair 20 dagen, van deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  1. zich meldt op nader te bepalen datum bij Inforsa op het adres [adres 2] te Amsterdam. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

  2. zich laat behandelen door het FAZ (forensisch ambulante zorg) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door en slechts indien de reclassering dat noodzakelijk acht. Deze mogelijkheid tot behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij bijvoorbeeld een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,

mrs. M.F. Ferdinandusse en J.G. Vegter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2020.

[...]