Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1633

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
23-03-2020
Zaaknummer
679693 / FA RK 20.684
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verwijzing naar de regeling verplichte zorg die een toelichting geeft op de verplichte zorgvorm 'beperken van de bewegingsvrijheid'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/679693 / FA RK 20/684

kenmerk: 1011276

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikking van 27 februari 2020 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres]

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. A.M. Neijzen te Amsterdam.

1 Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 7 februari 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • -

    de medische verklaring d.d. 21 januari 2020;

  • -

    het zorgplan inclusief de bijlagen d.d. 31 december 2019;

  • -

    de bevindingen van de geneesheer-directeur, bedoeld in artikel 5:15;

  • -

    de gegevens, bedoeld in artikel 5:4, eerste lid, onderdelen b en c;

  • -

    het door de geneesheer-directeur opgestelde voorstel voor een zorgmachtiging.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020, in het gebouw van Arkin, op de locatie [adres] te Amsterdam.

Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:

- betrokkene;

- advocaat betrokkene, mr. A.M. Neijzen;

- behandelend psychiater, mw. N. Stam.

Omdat een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig is, is de officier van justitie niet ter zitting verschenen.

Bij beschikking van 3 september 2019 heeft de rechtbank een machtiging voortgezet verblijf voor betrokkene verleend in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet bopz). Deze machtiging heeft een geldigheidsduur van zes maanden en loopt aldus tot 4 maart 2020. Op 1 januari 2020 is de Wet Verplichte GGZ (hierna Wvggz) in werking getreden waarmee de Wet bopz is komen te vervallen. De Wet bopz blijft echter van toepassing op de nog lopende machtiging tot voortgezet verblijf op grond van artikel 15:1 lid 1 sub e Wvggz. Nu de Wvggz in werking is getreden ligt voor een verzoek voor een zorgmachtiging op grond van artikel 6.1 Wvggz en neemt de rechtbank de betreffende artikelen van de Wvggz in aanmerking.

2 De standpunten

2.1.

Betrokkene heeft ter zitting meegedeeld dat zij nog nooit psychotisch is geweest en dat zij geen verplichte zorg nodig heeft. Betrokkene betwist de door de artsen gestelde diagnose en wil geen medicatie gebruiken.

2.2.

De advocaat van betrokkene heeft het standpunt van betrokkene verduidelijkt en aangevoerd dat betrokkene het niet eens is met het verzoek, omdat er volgens betrokkene niets aan de hand is. Betrokkene betwist dan ook dat zij is belast met een psychische stoornis en dat daaruit ernstig nadeel voortkomt. Ook is betrokkene van mening dat het toepassen van verplichte vormen van zorg niet noodzakelijk is. De advocaat verzoekt daarom tot afwijzing van het verzoek. Tot slot heeft de advocaat meegedeeld dat er naar haar mening geen grond is om de verplichte zorgvorm ‘beperken van de bewegingsvrijheid’ in de beschikking op te nemen omdat de verplichte zorgvorm ‘opname in een accommodatie’ al wordt verzocht.

2.3.

De behandelend psychiater stelt dat betrokkene is gediagnosticeerd met schizofreniespectrum- en ander psychotische stoornissen en dat zij bekend is met maatschappelijke teloorgang en zelfverwaarlozing ten tijde van een psychotische decompensatie. Ook kan er sprake zijn van katatonie, waarbij zij geheel niet spreekt en mutistisch is, veelal in dezelfde houding blijft en slecht eet en drinkt.

Betrokkene beschikt niet over enig ziektebesef en -inzicht. Daarnaast houdt betrokkene de hulpverlening af en weigert zij haar medewerking te verlenen.

3 Beoordeling

3.1.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen.

3.2.

Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in: levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, maatschappelijke teloorgang, de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

3.3.

Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.

3.4.

Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur en bestaan uit:

  • -

    toedienen van medicatie voor de duur van zes maanden;

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid voor de duur van zes maanden;

  • -

    uitoefenen van toezicht op betrokkene voor de duur van zes maanden;

  • -

    opnemen in een accommodatie voor de duur van zes maanden.

3.5.

De rechtbank is van oordeel dat de verplichte zorgvorm ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ dient te worden toegewezen. In de Regeling verplichte zorg, die een toelichting geeft op de verplichte zorgvormen zoals genoemd in artikel 3:2 WVggz staat hierover het volgende:

“Beperken van de bewegingsvrijheid – plaatsen op een gesloten afdeling (artikel 3:2, tweede lid, onderdeel b, van de wet). Belangrijk te vermelden is dat de zorgvorm ‘opname in een accommodatie’ (artikel 3:2, tweede lid, onderdeel j, van de wet) op zichzelf niet betekent dat betrokkene ook wordt opgenomen op een gesloten afdeling zonder de mogelijkheid om deze te kunnen verlaten. Gedwongen opname houdt onder de Wvggz immers niet noodzakelijkerwijs in dat betrokkene de accommodatie niet meer zelfstandig zou mogen verlaten. Wanneer er bij een gedwongen opname wordt gekozen voor plaatsing in een gesloten setting, bijvoorbeeld een gesloten afdeling, dan levert dat een grotere inperking van de vrijheden van de betrokkene op, en valt dit onder beperken van de bewegingsvrijheid. […] In dat geval levert die opname dus twee registraties van zorgvormen op: ‘opnemen in een accommodatie ' en 'beperken van de bewegingsvrijheid”.

3.6.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.

3.7.

De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

3.8.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden.

4 Beslissing

De rechtbank:

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] , inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:

  • -

    toedienen van medicatie voor de duur van zes maanden;

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid voor de duur van zes maanden;

  • -

    uitoefenen van toezicht op betrokkene voor de duur van zes maanden;

  • -

    opnemen in een accommodatie voor de duur van zes maanden.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 27 augustus 2020.

Deze beschikking is op 27 februari 2020 mondeling gegeven door mr. H.M. Patijn, rechter, en in het openbaar uitgesproken, bijgestaan door J. Koomen als griffier en op 2 maart 2020 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.