Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1602

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
13/650065-17
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling oplichting in vereniging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/650065-17 en 16/161780-15 (TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 26 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2020. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Lobregt, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.J. Verbeek (waarnemend voor mr. S. Aytemur), naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat:

Feit 1: hij op 11 december 2016 in Amsterdam samen met anderen [persoon] heeft afgeperst door hem te dwingen tot afgifte van EUR 50 door hem een mes te tonen en daarmee stekende bewegingen in zijn richting te maken en daarbij onder andere te zeggen: “Kom hier met dat geld”.

Feit 2: hij op 11 december 2016 in Amsterdam samen met anderen [persoon] heeft opgelicht door met hem een afspraak te maken voor een seksdate, hem te bewegen tot afgifte van EUR 250 en vervolgens met dat geldbedrag weg te gaan.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

De rechtbank doet gelijktijdig uitspraak in de zaken tegen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .

In december 2016 werd een opsporingsonderzoek (13Snijpers) gestart naar aanleiding van de aangifte van [persoon] (hierna: [persoon] ). [persoon] had via datingsite [naam website] met de gebruiker van het account ‘ [naam 1] ’ een afspraak voor seks tegen betaling gemaakt op het adres [adres 2] , maar de vrouwen met wie hij die afspraak had gemaakt vertrokken na vooruitbetaling. Vervolgens werd [persoon] volgens zijn aangifte door twee mannen met een mes tot afgifte van meer geld gedwongen. Verdachte wordt ervan verdacht één van die twee mannen te zijn.

Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten ontkend. Verdachte heeft verklaard dat hij op 11 december 2016 wel in de woning aan de [adres 2] was. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] zijn naam hoorde schreeuwen, dat hij naar de slaapkamer ging en daar medeverdachte [medeverdachte 2] zag met een voor hem onbekende man. Verdachte en [medeverdachte 3] , de bewoner van de woning aan de [adres 2] , hebben die man gevraagd om weg te gaan. Verdachte ontkent dat sprake was van (dreiging met) geweld.

3.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 ten laste gelegde. De officier van justitie vindt dat niet bewezen kan worden verklaard dat aangever is bedreigd met een mes.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat feit 2 wel bewezen kan worden verklaard. Zij is ervan overtuigd dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met de medeverdachten en mannen heeft opgelicht door hen via de website [naam website] een seksdate aan te bieden, vervolgens met hen af te spreken, het geld aan te nemen en hen vervolgens, zonder seks, weg te sturen. Zo ook in het geval van [persoon] op 11 december 2016. Dat levert oplichting in vereniging op.

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van beide aan hem ten laste gelegde feiten, vanwege onvoldoende bewijs.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 1 voert de raadsman aan dat alleen aangever heeft verklaard dat sprake was van een mes. Zijn verklaring is echter niet betrouwbaar. Hij heeft wisselend verklaard over hoe het mes eruit zou hebben gezien. Daarbij komt dat hij tijdens zijn aangifte heeft verklaard dat hij een [naam 4] zou hebben met verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , terwijl hij later bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij slechts met [medeverdachte 1] seks zou hebben. Tot slot heeft hij in eerste instantie verklaard dat hij het geld heeft afgegeven aan twee mannen en kort daarna dat hij het geld aan één van de vrouwen heeft afgegeven.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 2 voert de raadsman aan dat verdachte aangever niet heeft opgelicht. Er is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en dus niet van medeplegen.

3.4

Oordeel van de rechtbank

3.4.1

Vrijspraak (medeplegen van) afpersing

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder feit 1 niet bewezen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

De aangever heeft verklaard dat twee jongens hem op 11 december 2016 in de woning aan de [adres 2] dwongen zijn geld, pinpas en telefoon af te geven. Eén van de jongens had een mes en maakte daarmee stekende bewegingen in de richting van de buik en borst van aangever. Uiteindelijk heeft aangever EUR 50 gegeven en kon hij vluchten uit de woning. De rechtbank vindt dat hiervoor onvoldoende bewijs is. De verklaring van aangever wordt voor wat betreft de afpersing niet ondersteund door enig ander bewijsmateriaal uit het dossier. Daarbij komt dat aangever wisselend heeft verklaard over hoe het mes eruit zou hebben gezien. Zo heeft aangever bij de politie verklaard dat het zou gaan om een vleesmes met een wit handvat, terwijl aangever op een later moment bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat het ging om een broodmes met een houten handvat.

Nu niet is komen vast te staan dat verdachte of medeverdachte [medeverdachte 3] een mes had, is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van afpersing door verdachte niet kan worden bewezenverklaard.

3.4.2

Bewezenverklaring oplichting in vereniging van [persoon]

3.4.2.1 Algemene overweging

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.

Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen.

3.4.2.2 Oplichting in vereniging

De rechtbank acht bewezen dat verdachte (hierna ook: [verdachte] ) op 11 december 2016 in de woning aan de [adres 2] in vereniging met anderen [persoon] heeft opgelicht. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden in de bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.

Modus operandi

[medeverdachte 1] heeft zichzelf in chatgesprekken via de website [naam website] als sekswerker gepresenteerd. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben vervolgens, zo verklaarde [medeverdachte 1] , via deze website afspraken gemaakt met oudere mannen. Het plan was van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen. De intentie was nooit om seks met deze mannen te hebben. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vroegen de man ‘vooraf’ te betalen en vertrokken dan via een smoes of lieten de man wegsturen door twee andere mannen. Uit het dossier blijkt dat die twee mannen (in ieder geval op 11 december 2016) [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij het van het slachtoffer ontvangen geld vervolgens met z’n vieren onderling verdeelden. Het zou gaan om ongeveer EUR 60 per persoon.

11 december 2016

Uit de aangifte van [persoon] , de foto’s van de chats op [naam website] die als bijlage bij de aangifte zijn gevoegd en de verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie blijkt dat met voormelde modus operandi is gehandeld op 11 december 2016. [medeverdachte 1] heeft aangever via [naam website] aangeboden seks te hebben tegen betaling. [medeverdachte 1] sprak af een [naam 4] te hebben tegen betaling van EUR 250. [medeverdachte 1] maakte een afspraak met aangever. Zij nodigde hem uit om op 11 december 2016 om 21.30 uur naar de [adres 2] te komen. Dat is de woning van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] waren, zo verklaren zij alle drie, op dat moment ook aanwezig in die woning. [medeverdachte 2] wist dat [medeverdachte 1] had afgesproken met aangever om seks te hebben voor geld en had op de vraag van [medeverdachte 1] om met haar mee te doen, geantwoord dat zij dit goed vond. Aangever belde omstreeks 21.30 uur aan bij de woning en werd binnengelaten door [medeverdachte 1] . Zij leidde hem vervolgens naar de slaapkamer, waar [medeverdachte 2] zich bevond. [medeverdachte 1] zei tegen aangever dat hij vooraf moest betalen. Aangever gaf vervolgens EUR 250 aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] zei daarna condooms te gaan halen en verliet de slaapkamer. Ook [medeverdachte 2] verliet de slaapkamer. Vervolgens kwamen [medeverdachte 3] en [verdachte] de slaapkamer in om aangever weg te sturen.

Valse hoedanigheid

[medeverdachte 1] heeft, door zich in de chatgesprekken via de website [naam website] als ‘bonafide’ sekswerker te presenteren, een valse hoedanigheid aangenomen. Zij heeft, zo heeft zij verklaard, nooit de intentie gehad daadwerkelijk seks tegen betaling te hebben. Hetzelfde geldt voor [medeverdachte 2] , die zich tijdens de afspraak eveneens als zodanig heeft gepresenteerd. Op het moment dat zij samen met aangever in de slaapkamer waren en [medeverdachte 1] de slaapkamerdeur gesloten had, hebben zij om vooruitbetaling gevraagd en heeft [medeverdachte 2] het geld aangenomen. Deze specifieke gedragingen zijn er in deze context naar het oordeel van de rechtbank op gericht om bij aangever een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen en daarvan misbruik te maken. Verdachten hadden daarbij het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het slachtoffer door het aannemen van deze valse hoedanigheid te bewegen tot afgifte van voormeld geldbedrag.

Medeplegen

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben bij de oplichting van [persoon] nauw en bewust samengewerkt met medeverdachten [medeverdachte 3] en [verdachte] . Zij hebben van te voren onderling de ontvangst van het slachtoffer, het zich terugtrekken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en het wegsturen door [medeverdachte 3] en [verdachte] afgestemd.

Deze gezamenlijke planvorming leidt de rechtbank onder meer af uit een afgeluisterd telefoongesprek dat (nadien) plaatsvond tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 11 januari 2017.

In dit telefoongesprek worden [verdachte] (‘ [naam 2] ’) en [medeverdachte 3] (‘ [naam 3] ’ of ‘ [naam 4] ’) genoemd in relatie tot een geplande ‘schets’ in de woning van [medeverdachte 3] dan wel bij het potentiële slachtoffer thuis in [plaats] . [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat ‘schetsen’ in deze context een ander woord was voor ‘stelen’. In het telefoongesprek bespreken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vervolgens de verdeling van het geld dat de schets zou moeten opleveren met elkaar. Zij bespreken dat als de schets plaatsvindt in de woning van [naam 3] en hij en [naam 2] aan de schets meedoen het geld ook met hen verdeeld moet worden. Het voorgaande is ook in lijn met de verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie over de werkwijze met [medeverdachte 2] en twee mannen, zoals hiervoor weergegeven onder ‘Modus operandi’.

Dat verdachten ook op 11 december 2016 al van tevoren deze werkwijze met elkaar hebben afgesproken leidt de rechtbank af uit de verklaring van [persoon] bij de rechter-commissaris, waaruit onder meer blijkt dat er ongeveer 5 seconden tijd zat tussen het vertrek van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit de slaapkamer en de binnenkomst van [medeverdachte 3] en [verdachte] om aangever weg te sturen. Gelet op dat korte tijdsverloop kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat van te voren al is besproken dat aangever zou langskomen en wat de rol van laatstgenoemde verdachten daarbij zou zijn.

De rechtbank heeft daarbij tot slot ook acht geslagen op het afgeluisterde telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 22 januari 2017, waarin zij bespreken dat hij bij de politie moet doen alsof hij van niets weet met betrekking tot de schets op 11 december 2016.

De rechtbank is van oordeel dat alle verdachten een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de oplichting. Dat wordt onderstreept door de verklaring van [medeverdachte 1] over de gelijke verdeling van de opbrengst.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat verdachten in nauwe en bewuste samenwerking door het aannemen van een valse hoedanigheid bij aangever een onjuiste voorstelling van zaken in het leven hebben geroepen waardoor aangever is bewogen tot afgifte van EUR 250. De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 2, oplichting in vereniging.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

op 11 december 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [persoon] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 250 euro, door een afspraak te maken met die [persoon] voor een seksdate en vervolgens die [persoon] naar een woning gelegen aan de [adres 2] te laten komen en aan die [persoon] het geldbedrag te vragen en vervolgens voornoemd geldbedrag van die [persoon] aan te pakken en vervolgens met dat geldbedrag weg te gaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Motivering van de straf

5.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf

voor de duur van 120 uur, met aftrek van voorarrest, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

5.2

Strafmaatverweer van de verdediging

Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt de raadsman de rechtbank om een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Daarnaast verzoekt de raadsman de rechtbank om rekening te houden met het tijdsverloop van het begin van het onderzoek tot aan de inhoudelijke behandeling op de zitting van vandaag.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting in vereniging. Verdachte heeft in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten door het aannemen van een valse hoedanigheid bij aangever een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen waardoor deze is bewogen tot afgifte van EUR 250. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben het slachtoffer naar de woning aan de [adres 2] gelokt door hem zogenaamd seks tegen betaling aan te bieden. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de slaapkamer uitgelopen en hebben verdachte en [medeverdachte 3] het slachtoffer weggestuurd. Verdachten hebben daarmee misbruik gemaakt van de kwetsbare situatie waarin aangever, die zich in een onbekende woning met onbekende mannen zag geconfronteerd, zich bevond. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de redelijke termijn voor vervolging met ruim een jaar tijd is overschreden. De rechtbank houdt verder rekening met de volgende persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . Verdachte heeft een verstandelijke beperking en is beïnvloedbaar door zijn sociale omgeving. Hij was ten tijde van het plegen van het feit dakloos en trok regelmatig op met top600-jongeren die veelvuldig bij de politie in beeld kwamen. Inmiddels is er onder andere sprake van een begeleid wonen-traject bij [naam woontraject] , lijkt hij afstand te hebben genomen van zijn negatieve netwerk en heeft hij een weerbaarheidstraining gevolgd. Hij volgt nog steeds psychomotorische therapie en staat open voor de begeleiding van [naam woontraject] . Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf van 60 uur.

6 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 3 maart 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 16/161780-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 12 november 2015 van de politierechter te Lelystad, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, met aftrek, subsidiair 15 dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op één jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of zich niet houdt aan de bijzondere voorwaarden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de hiervoor genoemde proeftijd aan een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit is in beginsel een reden om de tenuitvoerlegging te gelasten. De rechtbank is echter van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de werkstraf in dit geval niet opportuun is, indachtig ook de hiervoor omschreven persoonlijke omstandigheden en ontwikkeling van verdachte, omdat het om een andersoortig en daarnaast ook een heel oud feit gaat. De vordering wordt daarom afgewezen.

7 Beslag

Onder verdachte is inbeslaggenomen:

  • -

    1 zaktelefoon HTC (5342200);

  • -

    1 zaktelefoon Alcatel (5342202).

De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de beslagen goederen aan verdachte moeten worden teruggegeven.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het onder feit 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van oplichting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.


Gelast de teruggave aan verdachte van:

  • -

    1 zaktelefoon HTC (5342200);

  • -

    1 zaktelefoon Alcatel (5342202).

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16/161780-15 af.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. M.E.M. James-Pater en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Struijkenkamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2020.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]