Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1471

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
AMS 20/746
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een Amsterdamse koffie- en wijnbar mag voorlopig weer open.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/746

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2020 in de zaak tussen

Baresco Amsterdam B.V., hierna: Baresco,

Stichting Administratie Ondernemerscentrum Esrein, hierna: Stichting Esrein,

tezamen te noemen: verzoekers

(gemachtigde: mr. R.M. Köhne),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. J.E. van Bruggen en mr. P.H.J. Ermers).

Procesverloop

Met het besluit van 20 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder aanzegging van bestuursdwang verzoekers gelast om vóór 1 februari 2020 de uitoefening van het horecabedrijf aan de [adres] te staken en gestaakt te houden.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, primair inhoudende schorsing van het bestreden besluit totdat op hun bezwaar is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2020. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, door [naam 1] , bestuurder bij Stichting Esrein, en door L. de Geus , werkzaam bij Assurantie- en Adviesbureau De Geus . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Ter zitting is tussen partijen gesproken over een minnelijke oplossing. Op 26 februari 2020 hebben partijen de voorzieningenrechter laten weten dat zij niet tot een oplossing zijn gekomen en dat zij een uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening wensen.

De voorzieningenrechter heeft hierop het onderzoek gesloten en bepaald uitspraak op het verzoek te zullen doen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Wat is de aanleiding van deze procedure?

2.1.

Baresco exploiteert sinds oktober 2018 het horecabedrijf Baresco Amsterdam, een koffie- en wijnbar gevestigd aan de [adres] (hierna: het horecabedrijf). Het pand waarin het horecabedrijf is gevestigd, wordt gehuurd door Stichting Esrein van de Duitse vennootschap Vemedsh Dritte Gründbesitz.

2.2.

Ondanks een drietal aanvragen om een exploitatievergunning beschikt het horecabedrijf niet over zo’n vergunning. De eerste aanvraag van oktober 2018 is bij verweerder kennelijk in het ongerede geraakt. De tweede en derde aanvraag1 heeft verweerder met de besluiten van respectievelijk 11 juni 2019 en 18 december 20192 niet in behandeling genomen, omdat de gevraagde aanvullende informatie niet (tijdig) is aangeleverd.

2.3.

Omdat het horecabedrijf niet beschikt over de benodigde exploitatievergunning heeft verweerder op 23 december 2019 aangegeven het voornemen te hebben handhavend op te treden tegen de exploitatie van het horecabedrijf. Verzoekers hebben hierover op

7 januari 2020 hun zienswijze gegeven.

2.4.

Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Dit heeft verweerder als volgt gemotiveerd. Met de besluiten van 11 juni 2019 en 18 december 2019 is besloten om de aanvragen om een exploitatievergunning niet in behandeling te nemen. Desondanks is de exploitatie van het horecabedrijf niet beëindigd. Het exploiteren van een horecabedrijf zonder exploitatievergunning is in strijd met artikel 3.8, eerste lid, van de APV.3 Een dergelijke overtreding wordt in de handhavingsstrategie4 aangeduid als een categorie III-overtreding; een zeer ernstige overtreding. Stap 1 is daarbij oplegging van een last onder bestuursdwang (sluiting).

2.5.

Op 17 februari 2020 is wederom een aanvraag om een exploitatievergunning voor het horecabedrijf ingediend. Op deze aanvraag is door verweerder nog niet beslist.

Wat willen verzoekers met deze procedure bereiken?

3. De exploitatie van het horecabedrijf is vóór 1 februari 2020 gestaakt en daarmee is dus voldaan aan de met het bestreden besluit opgelegde last onder bestuursdwang. Verzoekers wensen deze exploitatie echter zo snel mogelijk te hervatten. Door de kantonrechter is Stichting Esrein bij vonnis van 25 november 20195 namelijk veroordeeld om het pand te exploiteren als koffie- en wijnbar op dinsdagen en woensdagen tussen 11.00 en 20.00 uur en op donderdagen en vrijdagen tussen 11.00 en 21.00 uur. Dit op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat hieraan niet wordt voldaan, met een maximum van € 100.000,-. Deze dwangsommen komen ten goede aan de verhuurder van het pand, door wie de zaak bij de kantonrechter was aangespannen. Ter zitting is hierover door verzoekers nog opgemerkt dat ontbinding van de huurovereenkomst dreigt, indien zij de exploitatie nog langer gestaakt moeten houden, met alle rampzalige financiële gevolgen van dien.

Wiens belangen prevaleren in dit geval?

4.1.

Geconstateerd wordt dat het horecabedrijf sinds de start in oktober 2018 geëxploiteerd wordt zonder in het bezit te zijn (geweest) van een exploitatievergunning. Dit is in strijd met artikel 3.8, eerste lid, van de APV.

4.2.

Daarnaast wordt geconstateerd dat inmiddels vier aanvragen om een exploitatievergunning voor het horecabedrijf zijn ingediend.

4.3.

De voorzieningenrechter is gelet op het bovenstaande van oordeel dat zowel verweerder als verzoekers ten aanzien van de situatie van het horecabedrijf steken hebben laten vallen, dan wel rommelig hebben gehandeld. Zo is de eerste aanvraag kennelijk in het ongerede geraakt vanwege ziekte bij een medewerker van verweerder en is daardoor nimmer op die aanvraag beslist. Verder is verweerder pas met het bestreden besluit, dus ruim een jaar na opening van het horecabedrijf, tot handhaving overgegaan. Verzoekers zijn op hun beurt de exploitatie van een horecabedrijf gestart zonder te beschikken over de daarvoor benodigde exploitatievergunning en hebben - zoals het er nu naar uitziet - twee incomplete aanvragen ingediend.6

4.4.

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, is verweerder, vertegenwoordigd door [naam 3] en [naam 4] , in overleg gegaan met verzoekers, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 1] . Dit is gebeurd op 24 februari 2020. Hierbij zijn er in het kader van de meest recente aanvraag om een exploitatievergunning namens verzoekers een aantal documenten overgelegd. Deze documenten zijn direct ter toetsing doorgezonden naar Bureau Bibob7 en ook is aangegeven dat door de ‘Afdeling Vergunningen Toezicht & Handhaving’ geprobeerd wordt om die documenten nog in diezelfde week te beoordelen, waarna zo nodig nog om aanvullende documenten zal worden gevraagd.8

4.5.

De voorzieningenrechter ziet na afweging van de verschillende belangen aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen.

4.6.

Verweerders belang bij het laten staken van de exploitatie van het horecabedrijf ziet uitsluitend op het feit dat er geen exploitatievergunning voor die exploitatie is verstrekt. Niet is gebleken van andere belangen, zoals openbare orde schendingen, overlast of andere onrechtmatige gedragingen. Verder moet er ten aanzien van de aanvraag van 17 februari 2020 in ieder geval nog een Bibob-toets verricht worden. Het belang van verzoekers bij het hervatten van de exploitatie van het horecabedrijf is financieel van aard. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit laatste belang in deze fase van het geschil prevaleert. Door het onder overweging 3. genoemde vonnis van de kantonrechter bevinden verzoekers zich momenteel in een figuurlijke spagaat. Enerzijds moeten zij het horecabedrijf als koffie- en wijnbar volgens de kantonrechter geopend houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag. Anderzijds moeten zij de exploitatie van het horecabedrijf van verweerder staken op straffe van toepassing van bestuursdwang. Deze situatie en de verwachting dat op korte termijn voor een eerste maal inhoudelijk op een aanvraag om een exploitatievergunning - namelijk op die van 17 februari 2020 - kan worden beslist, maken dat het belang van verzoekers om het horecabedrijf voorlopig weer te kunnen exploiteren op dit moment zwaarder weegt.

Wat is de beslissing van de voorzieningenrechter?

5.1.

Omdat de belangenafweging in het voordeel van verzoekers uitvalt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het bezwaar van verzoekers is beslist en bepaalt dat verweerder de exploitatie van het horecabedrijf gedurende die periode moet toestaan.

5.2.

Ondanks dat het verzoek wordt toegewezen, acht de voorzieningenrechter het niet redelijk om te bepalen dat verweerder de door verzoekers gemaakte proceskosten of het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden. Het is immers aan verzoekers te wijten dat zij pas op 17 februari 2020 - dus ná het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening - wederom een aanvraag om een exploitatievergunning hebben ingediend. Omdat de onder 4.6. gemaakte belangenafweging in het voordeel van verzoekers uitvalt mede op basis van die aanvraag, mogen de door verzoekers gemaakte kosten voor deze spoedprocedure niet voor rekening van verweerder komen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het bezwaar van verzoekers is beslist;

- bepaalt dat verweerder de exploitatie van de horecazaak Baresco Amsterdam aan de [adres] in Amsterdam gedurende die periode moet toestaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Van 14 maart 2019 en 18 oktober 2019.

2 Tegen dit besluit is door verzoekers bezwaar gemaakt. Die bezwaarprocedure loopt nog.

3 Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Amsterdam).

4 Van het handhavingsstappenplan dat is neergelegd in de Handhavingsstrategie Horeca en slijterijen (inclusief winkels) Drank- en Horecawet, Amsterdam 2013.

5 Geregistreerd onder zaaknummer: 7782080 CV EXPL 19-11439.

6 Volgens verweerder de aanvragen van 14 maart 2019 en van 18 oktober 2019.

7 Bibob staat voor: Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

8 Dit volgt uit het e-mailbericht van [naam 3] van 25 februari 2020.