Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1457

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
C/13/677103 / FA RK 19-7907
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2020:3049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

begrip belanghebbende bij gezag & omgang en voogdij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/677103 / FA RK 19-7907

Beschikking van 4 maart 2020 betreffende beëindiging van het gezag

in de zaak van:

Raad voor de Kinderbescherming Haarlem,

gevestigd te Zwolle,

hierna te noemen: de Raad,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen : de moeder,

advocaat: mr. E.M. Meppelink, te Velsen-Zuid,

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de WSS;

en t.a.v. de voogdij:

[de vader]

wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: de vader;

advocaat: mr. D. Klein, te IJmuiden;

[de tante]

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de tante.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank Noord-Holland heeft op 4 december 2019 een beschikking afgegeven. In die beschikking heeft zij de zaak doorverwezen naar deze rechtbank in de stand waarin deze zich bevond. Voor het verloop van de procedure tot 4 december 2019 verwijst de rechtbank naar deze beschikking.

1.2.

Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

- brieven van 23 december 2019 en 8 januari 2020 van de Raad met bijlage(n);

  • -

    de brief van 27 januari 2020 van de moeder;

  • -

    het F-9 formulier van 11 februari 2019 van de zijde van de moeder met bijlage;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de zijde van de vader, van 12 februari 2020.

1.3.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Aanwezig waren:

  • -

    mw. [medewerkster de Raad] namens de Raad;

  • -

    mw. [medewerkster WSS] namens de WSS;

  • -

    mr. D. Klein namens de vader;

  • -

    de tante.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie tussen de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

2.2.

De vader heeft de kinderen erkend. De vader en de moeder hebben nooit samengewoond.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Noord Holland van 20 augustus 2019 is de moeder geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en is de WSS met de voorlopige voogdij over beide kinderen belast. Op diezelfde datum zijn de kinderen door de WSS in een geheim crisis pleeggezin geplaatst.

2.4.

Op 30 november 2019 zijn de kinderen ieder naar een eigen pleeggezin overgebracht, waar zij voor langere tijd kunnen verblijven.

2.5.

De WSS heeft zich schriftelijk bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te aanvaarden.

3 De verzoeken

3.1.

De Raad verzoekt de rechtbank om het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen en om de WSS, die al belast is met de voorlopige voogdij over de kinderen, met de (definitieve) voogdij te belasten.

3.2.

De vader heeft bij zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht om niet de WSS maar de tante als voogdes van de kinderen te benoemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de tante de rechtbank eveneens verzocht om haar met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten.

4 De standpunten

Het standpunt van de Raad

4.1.

De Raad legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment zodanig opgroeien dat zij ernstig worden bedreigd in de ontwikkeling en dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbare termijn. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft de Raad in het raadsrapport van 5 november 2019 onder meer het volgende gerapporteerd.

4.2.

Op 17 augustus 2019 heeft de Raad een spoedmelding van Veilig Thuis gekregen over de minderjarigen op grond waarvan op 20 augustus 2019 een voorlopige voogdijmaatregel is opgelegd door de Rechtbank Noord Holland. Aanleiding voor deze spoedmelding was het feit dat de gezaghebbende moeder de kinderen op 9 augustus 2019 heeft ondergebracht bij de vader terwijl de inschatting van Veilig Thuis is dat de vader onvoldoende in staat is om de opvoeding en verzorging over de minderjarigen zelfstandig op zich te nemen.

4.3.

Volgens het raadsrapport heeft de moeder sinds zij de kinderen naar de vader heeft gebracht geen contact meer gehad met de lopende hulpverlening, de vader en de kinderen. Het is onbekend waar zij op dit moment verblijft.

4.4.

De kinderen hebben een ernstige ontwikkelingsachterstand en zijn in hun jonge leven sociaal-emotioneel verwaarloosd. De ouders kunnen de kinderen niet bieden wat ze nodig hebben. De kinderen hebben veel zorg en professionele opvoeders nodig. Zij zijn inmiddels ondergebracht bij perspectief biedende pleeggezinnen waar zij dit krijgen. Betrokkenheid van de familie (vader, tante) is belangrijk voor de kinderen, maar de kinderen zijn dermate beschadigd dat professionele opvoeding op dit moment noodzakelijk voor ze is, aldus de Raad.

Het standpunt van de moeder

4.5.

De moeder heeft geen reactie gegeven op het raadsrapport. Uit de diverse brieven die zij aan de Raad en aan de rechtbank heeft gestuurd, alsmede uit de brief die haar advocaat heeft gestuurd, maakt de rechtbank op dat zij zich neerlegt bij de gezagsbeëindiging maar wisselt in haar standpunt ten aanzien van de voogdijbenoeming.

Het standpunt van de vader

4.6.

De vader heeft aangegeven de gezagsbeëindiging van de moeder te accepteren op voorwaarde dat de tante tot voogdes over de kinderen wordt benoemd. Hij heeft hiertoe een verweerschrift tevens zelfstandig verzoek ingediend. Ter onderbouwing van zijn verzoek voert de vader aan dat het belastend voor hem is dat de kinderen op grote reisafstand in pleeggezinnen zijn geplaatst. Hij mist de kinderen. Daarnaast ziet hij graag dat de kinderen binnen de familie worden opgevoed.

Het standpunt van de tante

4.7.

De tante heeft ter zitting de rechtbank verzocht haar met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten. Zij heeft aangegeven dat zij zelf twee minderjarige thuiswonende kinderen heeft, maar dat er nog ruimte voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Ook geeft zij aan het evenals de vader belangrijk te vinden dat de kinderen binnen de familie opgroeien. Tegelijkertijd erkent zij dat [minderjarige 1] misschien beter in een professioneel pleeggezin in de buurt kan worden geplaatst vanwege zijn problematiek.

Het standpunt van de voogdij-instelling de WSS

4.8.

De WSS ziet geen mogelijkheden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader of de tante kunnen wonen om dezelfde redenen als die door de Raad worden genoemd. Er zijn op dit moment helaas geen pleegezinnen bij hen in de buurt die de kinderen de professionele zorg kunnen bieden die zij nodig hebben. Wel ziet de WSS als mogelijkheid om de tante als “deeltijdvoogdes” te benoemen. De screening hiervoor loopt nog. Bij een positieve uitkomst van dit onderzoek zouden de kinderen op termijn in de weekenden en eventueel in vakanties naar haar toe kunnen gaan. De vader kan de kinderen dan ook makkelijker bezoeken. De WSS heeft daarnaast het belang aangegeven van betrokkenheid van de tante in de communicatie over het welbevinden van de kinderen. Tot nu toe verliep deze communicatie alleen met de vader en zijn begeleidster. De tante kan in de toekomst beter betrokken worden bij overleg.

5 De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1.

Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken toe te komen dient de rechtbank te beoordelen of zij bevoegd is van het voorwaardelijk verweer en de zelfstandige verzoeken kennis te nemen.

5.2.

Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2010:488) kan de vader als niet-gezaghebbende ouder ten aanzien van de gezagsbeëindiging niet als belanghebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal hem om die reden ten aanzien van zijn voorwaardelijk verweer tegen de gezagsbeëindiging niet-ontvankelijk verklaren.

5.3.

De kring van personen die als belanghebbende - op grond van artikel 1:275 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in samenhang met artikel 1:299 BW - bevoegd is de rechter te verzoeken in de voogdij te voorzien, ruimer. De rechtbank zal daarom wel tot een inhoudelijke beoordeling van de voogdijverzoeken van de vader en de tante overgaan.

Gezagsbeëindiging

5.4.

De rechtbank overweegt dat zij, gelet op artikel 1:266 lid 1 sub a BW het gezag van een ouder kan beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

5.5.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat aan het criterium van artikel 1:266 lid 1 sub a BW is voldaan. De moeder is niet in staat om haar kinderen de zorg en opvoeding te bieden die ze nodig hebben. Niet te verwachten valt dat dit in de nabije toekomst anders zal worden. De kinderen hebben belang bij een stabiele opvoedsituatie waar aandacht voor hen is en zij volop begeleiding krijgen. De moeder kan hen dit niet geven. Zij heeft ook geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot gezagsbeëindiging. De rechtbank zal om die reden het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.

Voogdij

5.6.

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal komen te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275 BW lid 1 BW een voogd over hen te benoemen. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat de WSS, die al belast is met de voorlopige voogdij, wordt belast met de (definitieve) voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het siert de tante dat zij de zorg voor de kinderen op zich wil nemen. Gelet op hun problematiek zijn de kinderen op dit moment echter het meest gebaat bij de professionele zorg die de WSS en de huidige pleeggezinnen de kinderen kunnen bieden. Wel is de rechtbank het met alle betrokkenen eens dat het in het belang van de kinderen is dat de vader en de tante een actieve rol krijgen in het leven van de kinderen. De rechtbank gaat ervan uit dat de WSS stappen zal ondernemen om in het vervolg niet alleen de vader maar ook de tante in de communicatie over de kinderen te betrekken. Daarnaast volgt de rechtbank de Raad en de WSS in hun standpunt dat bij positieve screening op termijn een weekend- en vakantieregeling bij de tante een goede optie is om tante en ook vader een actieve rol in het leven van de kinderen te laten spelen.

5.7.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van de Raad toewijzen en de (zelfstandige) verzoeken van de vader en de tante afwijzen.

6 De beslissing

De rechtbank

- verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn voorwaardelijk verweer tegen de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder;

- beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2];

- benoemt de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot voogd over genoemde minderjarigen;

- wijst het meer of anders verzochte af;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is afgegeven door mr. H.M. Patijn, voorzitter tevens kinderrechter, mr. J. Kloosterhuis en mr. C.C.M. Oude Hengel, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Overmars, griffier, op 4 maart 2020.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.