Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1419

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
13/751680-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Spanje vervolging. Onschuldverweer. Gelijkstellingsverweer. Art. 13 OLW. OL toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751680-19

RK nummer: 19/4955

Datum uitspraak: 3 maart 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 augustus 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juli 2019 door de Onderzoeksrechtbank nr. 2 Orihuela (Spanje) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1984,

verblijvende op het adres:

[adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 16 januari 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.P.C. Wester, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Engelse taal.

Op de zitting is gebleken dat de omschrijving van de vraagstelling door het openbaar ministerie aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) niet geheel juist was. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot de zitting van 18 februari 2020 om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de IND opnieuw te bevragen over de gevolgen die een eventuele veroordeling voor het feit waarvoor om overlevering is verzocht zou kunnen hebben voor het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon.

Zitting 18 februari 2020

Het onderzoek is voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van het onderzoek bevond. Gehoord zijn de officier van justitie mr. R. Vorrink, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Britse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een beschikking van 12 juli 2019 gegeven in het gerechtelijk vooronderzoek (referentie 259/18) van de Onderzoeksrechtbank nr. 2 Orihuela (Spanje).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Spaans recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 1 en 5, te weten:

Deelneming aan een criminele organisatie,

en:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar Spaans recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

Standpunt van de verdediging

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. De opgeëiste persoon en zijn raadsman hebben aangevoerd – kort samengevat – dat de opgeëiste persoon niet op de boot aanwezig was toen de drugs aan boord werden geladen. Hij is weliswaar met de boot van Spanje naar Brazilië gevaren, maar de drugs zijn pas op de boot aangetroffen op de terugreis richting Europa. De opgeëiste persoon bevond zich toen aantoonbaar in Nederland.

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen. Voor toewijzing van een onschuldverweer is slechts plaats als de gestelde onschuld van de opgeëiste persoon tijdens het verhoor wordt aangetoond. Van een dergelijke situatie is geen sprake. De door de raadsman overlegde stukken tonen niet aan dat de opgeëiste persoon het feit niet kan hebben gepleegd. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. Het verweer wordt verworpen.

6 Het beroep op gelijkstelling als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, OLW

De overlevering van een Nederlander voor strafrechtelijk onderzoek kan, gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, OLW slechts worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij terzake de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan (de zogenoemde terugkeergarantie). Hetzelfde geldt voor een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling. In artikel 6, vijfde lid, OLW zijn de drie cumulatieve voorwaarden voor gelijkstelling van een vreemdeling met een Nederlander vermeld. Het betreft de volgende drie voorwaarden:

1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

2. in Nederland vervolgd kunnen worden voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

3. de verwachting moet bestaan dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de opgeëiste persoon dient te worden gelijkgesteld aan een Nederlands onderdaan en heeft betoogd dat hij recht heeft op een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid OLW. Voorafgaand en tijdens de zitting van 16 januari 2020 zijn aan de rechtbank stukken overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in ieder geval ruim vijf jaren onafgebroken is geregistreerd op meerdere adressen in Nederland en daar legaal heeft verbleven. Daarnaast zijn de inkomsten van de opgeëiste persoon ruimschoots boven de 50% bijstandsnorm. Ook kan hij in Nederland worden vervolgd voor het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt. Het openbaar ministerie heeft in de brief van 12 februari 2020 wederom een verkeerde voorstelling van zaken gegeven aan de IND, zodat deze in de brief van 13 februari 2020 opnieuw op basis van verkeerde informatie heeft geconcludeerd dat het strafbare feit er in beginsel toe kan leiden dat het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon wordt beëindigd.

Er is ten onrechte geen terugkeergarantie verleend zodat de overlevering dient te worden geweigerd. Subsidiair moet het onderzoek worden geschorst om alsnog een terugkeergarantie te vragen. Meer subsidiair moet de zaak wederom worden aangehouden om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen de IND alsnog op basis van de juiste weergave van zaken een advies te laten opstellen omtrent het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon.

Oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het beroep op gelijkstelling met een Nederlander niet kan slagen. Met betrekking tot punt 3) bestaat er bij de IND de verwachting dat het verblijfsrecht verloren zal gaan als gevolg van de veroordeling waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Volgens de informatie van de IND zou het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon reeds bij een opgelegde gevangenisstraf van 30 maanden verloren gaan. Ook wanneer de strafeis lager zou uitvallen dan de in de richtlijnen van het openbaar ministerie opgenomen gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar en zes maanden, ziet de rechtbank in het licht van de verdenking die ten grondslag ligt aan het EAB geen gronden om het openbaar ministerie voor de derde maal in de gelegenheid te stellen de IND te bevragen over het verlies van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon.

Nu de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel, kan het beroep op gelijkstelling met een Nederlander op de voet van artikel 6 lid 5 OLW niet slagen. Het gebrek aan een terugkeergarantie vormt aldus geen reden voor weigering van de overlevering of schorsing van het onderzoek. Het verweer wordt verworpen.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Standpunten van de officier van justitie


Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Spaanse autoriteiten plaats te vinden. De volgende argumenten zijn aangevoerd: het gerechtelijk vooronderzoek heeft in Spanje plaatsgevonden, het onderzoek is in Spanje gestart en het bewijs bevindt zich ook in Spanje, nu aldaar gedurende langere tijd onderzoek heeft plaatsgevonden. Hoewel de boot niet in Spanje in beslag is genomen, staat in het EAB dat de medeverdachten van plan waren om door te reizen naar Spanje. Aldus is de Spaanse rechtsorde geschokt.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, danwel om het onderzoek te schorsen om het openbaar ministerie aanvullende vragen te laten stellen over de lopende onderzoeken in Nederland en Portugal. Ondanks dat het onderzoek in Spanje reeds is aangevangen, is het EAB niet gebaseerd op een Spaans, maar op een Oost-Europees onderzoek. Daarnaast zijn er ook een tweetal onderzoeken in Nederland en één onderzoek in Portugal opgestart. Ondanks dat de documenten omtrent het bewijs in Spanje zijn, is het bewijs zelf niet Spaans van origine. Er is geen sprake van verdachten of getuigen met de Spaanse nationaliteit en het leeuwendeel van de verdachten is woonachtig in Nederland. Daarnaast is de rechtsorde in Spanje niet geschokt en waren de drugs kennelijk niet voor de Spaanse markt bedoeld, nu de drugs niet zijn ingevoerd in Spanje, noch Spanje als eindbestemming hadden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen, nu het gerechtelijk vooronderzoek in Spanje heeft plaatsgevonden, het onderzoek in Spanje is gestart en het bewijs zich ook in Spanje bevindt. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechtbank nr. 2 Orihuela (Spanje).

Aldus gedaan door

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en V.V. Essenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 maart 2020.

De voorzitter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.