Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1399

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
13/684352-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 20-jarige man krijgt 40 uur taakstraf omdat hij in augustus 2018 in Amsterdam een winkelmanager mishandelde. Zijn beroep op noodweer is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684352-18.

Datum uitspraak: 4 maart 2020.

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in [naam] , [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.M. van den Berg, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. K.H.T. van Gijssel, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

feit 1: bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 19 augustus 2018 te Amsterdam;

feit 2: diefstal in vereniging op 16 augustus 2019 te Amsterdam;

feit 3: diefstal met geweld in vereniging op 17 augustus 2019 te Amsterdam (primair), poging tot diefstal met geweld in vereniging en/of mishandeling in vereniging op 17 augustus 2019 te Amsterdam (subsidiair),

feit 4: bedreiging van [slachtoffer 1] op 17 augustus 2019 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding


[slachtoffer 1] (hierna: aangever) is als assistent manager werkzaam bij de Ajax fanshop in Amsterdam. Op 17 augustus 2019 werd aangever er door getuige [getuige 1] op geattendeerd dat er vijf jongens – waaronder verdachte – in de winkel aanwezig waren. [getuige 1] stelde dat hij hen meteen herkende , omdat vier van hen op 16 augustus 2019 ook in de winkel waren. Uit camerabeelden van die dag is achteraf gebleken dat zij toen naar alle waarschijnlijkheid kleding hebben weggenomen. Aangever heeft op 17 augustus de beveiliging gebeld en de jongens medegedeeld dat zij in de winkel moesten blijven totdat de politie zou komen. Drie van de jongens renden naar buiten. Verdachte probeerde de winkel ook te verlaten, waarop aangever hem vastgreep en hierna een worsteling ontstond. Verdachte is uiteindelijk door de politie aangehouden. Aangever heeft aangifte tegen verdachte gedaan van diefstal met geweld en van bedreiging.

Op 19 augustus 2019 is verdachte in vrijheid gesteld door de politie, waarna hij enkele uren later weer aanwezig was in de Ajax fanshop. Aangever was wederom aan het werk in de fanshop. Verdachte is de winkel binnengelopen en heeft vervolgens naar aangever geschreeuwd. Aangever heeft hierna aangifte gedaan van bedreiging door verdachte.

De rechtbank zal hierna de feiten in de chronologische volgorde bespreken en dus niet de volgorde van de tenlastelegging aanhouden.

4.2.

Standpunten van de officier van justitie

De officier van justitie

Feit 2

Feit 2 kan worden bewezen op basis van de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen. Hierin wordt beschreven dat vier personen de winkel binnenkwamen. Verdachte is op de beelden herkend door verbalisanten. Daarnaast hebben getuigen [getuige 2] en [getuige 3] verklaard dat zij in de paskamers beveiligingslabels hebben aangetroffen.

Feit 3

Verdachte dient van het primair ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken, omdat niet uit de aangifte blijkt dat daadwerkelijk kleding is weggenomen. De subsidiair ten laste gelegde poging diefstal met geweld kan worden bewezen. De aangifte wordt ondersteund door de beschrijving van de camerabeelden. In de paskamers zijn losse beveiliginglabels en een grote hoeveelheid kleding aangetroffen. De jongens hadden tevens beschikking over een magneet om de beveiligingslabels los te maken en zij droegen gestolen kleding onder hun eigen kleding.

Verdachte dient partieel te worden vrijgesproken van hetgeen onder het derde gedachtestreepje is ten laste gelegd. De aangifte vindt op dit punt geen steun in het dossier. De ten laste gelegde mishandeling behoeft geen bespreking, omdat “en/of” dient te worden gelezen als “of”.

Feit 4

Verdachte dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

Feit 1

De bedreiging van aangever [slachtoffer 1] kan worden bewezen, maar dit geldt niet voor de bedreiging van [slachtoffer 2] . Hiervan moet vrijspraak volgen. De bewoordingen “kom naar buiten dan, dan lossen we het op. Ik zei toch dat ik terug zou komen,” moeten worden bezien in het licht van hetgeen op 17 augustus 2019 is gebeurd. Gelet op die context is sprake van een strafrechtelijke bedreiging.

4.3.

Standpunt van de raadsman

Feit 2

Verdachte heeft ontkend dat hij op 16 augustus 2019 in de Ajax-fanshop aanwezig was. Verdachte is op de camerabeelden herkend, maar de verbalisant heeft niet uitgelegd waaraan zij verdachte heeft herkend. Nu geen sprake is van een betrouwbare herkenning, dient vrijspraak te volgen.

Feit 3

Verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal met geweld en de subsidiair ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld. Verdachte was in de Ajax-fanshop aanwezig, maar heeft geen wegnemingshandelingen verricht. Medeplegen kan niet worden bewezen. Niet is gebleken dat verdachte op de hoogte was van het voornemen van de medeverdachten om te stelen.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling komt verdachte een geslaagd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toe. Aangever heeft verdachte hardhandig vastgepakt, terwijl verdachte zich niet verzette. Verdachte heeft vervolgens proportioneel gehandeld door op zijn arm te slaan, om zo uit de greep van aangever te komen.

Feit 4

De aangifte wordt niet door overige bewijsmiddelen wordt ondersteund. Verdachte dient te worden vrijgesproken.

Feit 1

Verdachte dient te worden vrijgesproken. De woorden "Kom naar buiten dan, dan lossen we het op. Ik zei toch dat ik terug zou komen,” leveren geen strafrechtelijke bedreiging op.

4.4.

De beoordeling door de rechtbank

4.4.1.

Feit 2

Vrijspraak

Uit het proces-verbaal van de beschrijving van de camerabeelden van 16 augustus 2019 blijkt dat vier jongens met grote hoeveelheden kledingstukken door de winkel liepen en zich vlakbij de pashokjes bevonden. Uiteindelijk hebben zij de winkel verlaten zonder kleding ter betaling aan te bieden. Na afloop is in een joggingbroek die door de groep in de winkel is achtergelaten, verschillende losse beveiligingslabels aangetroffen. Verdachte is op de camerabeelden door een verbalisant herkend. Hij heeft echter zowel in zijn verhoor bij de politie als op de terechtzitting ontkend dat hij op 16 augustus 2019 in de Ajax fanshop aanwezig was.

De rechtbank staat voor de vraag of in dit geval de herkenning door de verbalisant voldoende betrouwbaar is om te kunnen gebruiken voor het bewijs. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer als deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn waaruit de betrokkenheid van een verdachte kan worden afgeleid, zoals hier het geval is.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van het uitkijken van de camerabeelden van 16 augustus wordt vermeld dat verdachte één van de drie jongens is die wordt herkend op de beelden. Uit dit proces-verbaal blijkt echter in het geheel niet hoe de verbalisant meent verdachte te hebben herkend. Er wordt geen omschrijving gegeven van kenmerken waaraan verdachte te herkennen is, noch wordt uitgelegd hoe en wanneer de verbalisant verdachte eerder heeft gezien. De rechtbank is daarom in dit geval van oordeel dat de herkenning door de verbalisant onvoldoende specifiek en daarmee niet betrouwbaar is. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.

4.4.2.

Feit 3

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt niet of, en zo ja welke kleding daadwerkelijk is weggenomen.

Vrijspraak van de subsidiair ten laste gelegde diefstal met geweld

Op 17 augustus is gezien dat verschillende jongens kledingstukken mee de paskamer in namen. Daarnaast is gezien dat zij kleding die toebehoort aan de winkel, onder hun eigen kleding aantrokken en nadat zij betrapt werden, kleding snel teruglegde in de winkel. Voorts is in één van de pashokjes een magneet gevonden waarmee beveiligingslabels kunnen worden losgemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met de andere jongens naar de fanshop is gegaan, maar dat hij geen kleding heeft gestolen en niet heeft gezien of de andere jongens dit hebben gedaan.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan (een poging tot) diefstal van kleding, al dan niet in vereniging.

Om medeplegen te kunnen bewijzen, moet sprake zijn geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, waaraan verdachte een bijdrage van substantieel gewicht heeft geleverd. Op basis van het dossier kan enkel worden vastgesteld dat verdachte samen met de jongens de winkel is ingelopen, kleding heeft gepakt en deze later heeft terug gehangen. Dit is echter geen strafbare handeling. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte – anders dan zijn medeverdachten – een wegnemingshandeling heeft verricht, zoals bijvoorbeeld het aantrekken van eigen kleding over kledingstukken uit de winkel. Uit de gedragingen van de jongens blijkt voorts dat de jongens apart van elkaar deze handelingen hebben verricht. Er kan dan ook niet worden gesteld dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking heeft gehad met deze jongens en dat hij een bijdrage van substantieel gewicht heeft geleverd. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van hetgeen onder feit 3 subsidiair is ten laste gelegd.

Mishandeling bewezen

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer 1] heeft mishandeld. De aangifte van [slachtoffer 1] wordt ondersteund door de beschrijving van de camerabeelden. Gezien is dat verdachte aangever bij zijn keel pakt, hem vervolgens een klap geeft op zijn arm en aangever uiteindelijk ook een duw/klap in zijn gezicht geeft met de vlakke hand, zoals ook is omschreven in de aangifte. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onderdeel medeplegen. Er was sprake van een incident tussen aangever en verdachte, waarbij de medeverdachten niet bij betrokken zijn geweest.

4.4.3.

Feit 4

Vrijspraak

​De rechtbank stelt vast dat verdachte op 19 augustus 2019 wederom naar de Ajax fanshop is gegaan om verhaal te halen bij aangever. Aangever heeft verklaard dat verdachte zou hebben geroepen “kom naar buiten dan, dan lossen we het op, ik zei toch dat ik terug zou komen,”. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij heeft geroepen “kom praten, buiten.” Ter zitting heeft verdachte ontkend dat hij deze bewoording heeft gebruikt en heeft hij verklaard dat hij aangever alleen heeft uitgescholden. Gelet op de aangifte in combinatie met de verklaring die verdachte drie dagen na het feit heeft afgelegd bij de politie, vindt de rechtbank echter bewezen dat verdachte de bewoordingen heeft gebruikt zoals door aangever zijn verklaard.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of dergelijke teksten aan te merken zijn als bedreigend. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

Hoewel aangever deze uitlating als onaangenaam en intimiderend kan hebben ervaren, is de rechtbank van oordeel dat deze niet van dien aard is dat bij aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Ook wanneer de uitlating wordt bezien in de context waarbinnen deze is gedaan, leidt dit niet tot een ander oordeel. Verdachte wordt vrijgesproken van bedreiging.

Verdachte wordt eveneens vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging van beveiliger [slachtoffer 2] . De snijdende beweging langs zijn keel in de richting van [slachtoffer 2] alleen volgt immers alleen uit de verklaring van [slachtoffer 2] , die zich bovendien niet bedreigd voelde door deze handeling.

5 Bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

feit 3:

op 17 augustus 2018 te Amsterdam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] bij zijn keel vast te pakken en éénmaal op zijn arm en in zijn gezicht te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Noodweer(exces)

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt.

Hiervoor is allereerst vereist dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. In dit kader is het volgende van belang.

De rechtbank stelt vast dat aangever verdachte op enig moment heeft vastgepakt, nadat verdachte probeerde de winkel te verlaten De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van (poging tot) diefstal in vereniging. Desondanks mocht aangever op dat moment wel veronderstellen dat verdachte mogelijk bij de diefstal betrokken was. Aangever mocht verdachte bovendien vastgrijpen om te voorkomen dat ook hij de winkel zou verlaten. Van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever waartegen verdachte zich mocht verdedigen, was dan ook geen sprake. Dit betekent dat een beroep op noodweer niet kan slagen.

Nu geen sprake was van een noodweersituatie, slaagt een beroep op noodweerexces evenmin.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Standpunten van de officier van justitie en de raadsman

De officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uur wordt opgelegd.

De raadsman

De raadsman heeft in geval van een bewezenverklaring verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen en een lagere werkstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist.

8.2.

De beoordeling door de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door aangever bij zijn keel te grijpen en hem op de arm en in het gezicht te slaan. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Aangever heeft verklaard dat hij zich onveilig voelde en het geweldsincident veel impact op hem heeft gehad.

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 24 januari 2020, waaruit blijkt dat verdachte in november 2019 eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Dit vonnis is echter nog niet onherroepelijk. De rechtbank houdt hier daarom bij het bepalen van de straf niet in het nadeel van verdachte rekening mee. Verder volgt uit het strafblad dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank heeft verder gekeken naar het reclasseringsadvies van 8 augustus 2019, waarin de reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Verdachte is onvoldoende ontvankelijk gebleken voor pedagogische beïnvloeding. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen zoals door de raadsman is verzocht.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, nu de officier van justitie bij het formuleren van haar strafeis van een andere bewezenverklaring is uitgegaan. De rechtbank legt een taakstraf voor de duur van 40 uur op.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3 primair en feit 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Verklaart hetgeen bewezen is verklaard strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,

mrs. J. Thomas en W.H. van Benthem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2020.