Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1327

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
13/730002-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplegen van mensenhandel (273f lid 1 onder 1, 2, 4 en 6 Sr). Uitbuiting van minderjarigen. De kinderen werden ingezet voor het plegen van diefstallen. Gevangenisstraf 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730002-19 (Promis)

Datum uitspraak: 25 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1997,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

wonende op het adres [verblijfadres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
11 februari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. de Klerk, en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. H.M.W. Daamen, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich op of omstreeks 19 maart 2019, samen met een ander en/of anderen heeft schuldig gemaakt aan:

  1. mensenhandel, bestaande uit het uitbuiten van meerdere minderjarigen, in die zin dat zij zijn aangezet tot het plegen van strafbare feiten (diefstallen) en het opzettelijk voordeel trekken uit die uitbuiting;

  2. diefstal (zakkenrollerij) en meerdere winkeldiefstallen;

  3. poging tot diefstal (zakkenrollerij) en

  4. poging tot diefstal (zakkenrollerij).

2.2

De tekst van de integrale tenlastelegging, welke laatstelijk is gewijzigd ter terechtzitting van
6 juni 2019, is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

4.1.1

Aanleiding onderzoek

Op 19 maart 2019 kreeg het Doelgroepenteam van de politie Amsterdam de melding dat de portemonnee van een toerist, genaamd [benadeelde partij] , zou zijn weggenomen terwijl zij samen met een vriendin op het terras van [restaurant] zat. [benadeelde partij] had haar tas naast haar op de grond staan en nadat zij had afgerekend had zij haar portemonnee weer terug gestopt in haar tas. De portemonnee moet zijn weggenomen tussen omstreeks 13:15 uur, het moment dat zij plaatsnamen op het terras en 13:55 uur, het moment waarop [benadeelde partij] merkte dat haar portemonnee weg was en haar tas open stond. Het enige wat [benadeelde partij] zich kon herinneren is dat er op een gegeven moment een kinderwagen of een rolstoel in haar buurt heeft gestaan.

4.1.2

Hoe verdachten (met de kinderen) in beeld zijn gekomen

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van [restaurant] bekeken en heeft het volgende geverbaliseerd. [benadeelde partij] zat op het terras met haar tas rechts naast haar op de grond. Op enig moment werd een kinderwagen tegen de tafel van [benadeelde partij] geplaatst en stonden twee vrouwen met enkele kinderen heel even bij de tafel. Eén vrouw stond voor de kinderwagen tegen de muur (welke later werd herkend als [medeverdachte 1]) en één vrouw stond achter de kinderwagen (welke later werd herkend als [verdachte]). [verdachte] droeg een donkere jas, een blauwe muts met een witte bol en zalmkleurige schoenen. [medeverdachte 1] liep achter de kinderwagen, droeg een grijze trui en een doek over haar hoofd. De kinderen die daarbij aanwezig waren werden later herkend als de tweeling [naam 1] en [naam 2] geboren op [geboortedatum 3] . [medeverdachte 1] bukte en bewoog haar hand onder de kinderwagen in de richting van de tas van [benadeelde partij] en haalde daar iets uit. Direct hierna liepen de vrouwen en kinderen weg. [medeverdachte 3] liep ten tijde van de diefstal voorbij samen met [naam 4] en [naam 5] (de rechtbank begrijpt, onder verwijzing naar proces-verbaal 2019057273-38 van 12 april 2019, dat met [naam 4] wordt bedoeld [naam 4] , geboren op [geboortedatum 1] en dat met [naam 5] wordt bedoeld [naam 5] , geboren op [geboortedatum 4] ). [medeverdachte 3] droeg een zwart/wit gestreepte trui.

In de tijd dat [benadeelde partij] op het terras zat, zijn er volgens haar geen andere mensen dicht bij haar in de buurt gekomen.

4.1.3

Observatie

Diezelfde middag, omstreeks 15:50 uur, zag [verbalisant 1] de drie vrouwen met de vier kinderen en een baby in de kinderwagen, die hij herkende van de eerder die middag door hem bekeken hiervoor genoemde camerabeelden, lopen op het Rokin in Amsterdam. Zij werden vervolgens door hem en leden van het zogenoemde Doelgroepenteam onder observatie genomen, waarbij het volgende werd waargenomen.

Jamin, zak chips

Verbalisanten zagen dat [naam 4] de Jamin binnenliep, dat hij een zakje chips pakte van de toonbank en dat hij vervolgens omkeek naar [medeverdachte 3] . Nadat [medeverdachte 3] een ‘ja’ knikkende beweging naar [naam 4] maakte liep hij zonder te betalen met dat zakje chips de deur uit.

Hudson’s Bay, Tommy Hilfiger jas

Verbalisanten zagen dat de verdachten en de kinderen om de beurt de aan het Rokin gevestigde winkel Hudson’s Bay binnengingen. [naam 4] kwam enkele minuten later met een nieuwe blauwe jas (van het merk Tommy Hilfiger) naar buiten. Op de camerabeelden die in de winkel werden opgenomen heeft verbalisant [verbalisant 2] waargenomen dat [verdachte] samen met [naam 4] bij een rek met jassen stond, dat [verdachte] een jas uit het rek pakte en deze bekeek. [verdachte] haalde de jas van de kledinghanger en gaf de jas vervolgens aan [naam 4] . [naam 4] deed de jas aan, waarna hij de winkel verliet. De verdachten en kinderen verlieten vervolgens ook de winkel zonder iets af te rekenen bij de kassa. Daarnaast werd waargenomen dat alle kinderen zich in het betreffende winkelgedeelte voortdurend bewogen, langs en tussen kledingrekken liepen, kleding pakten en opvouwden en teruglegden. In de [winkel 2] werd waargenomen dat [medeverdachte 1] de jas van [naam 4] uittrok en het prijskaartje uit deze Tommy Hilfiger jas trok. Bij de aanhouding werd gezien dat [medeverdachte 1] het prijskaartje in haar vestzak wegstopte.

Hudson’s Bay, wit T-shirt

Verbalisant [verbalisant 2] zag daarnaast op de camerabeelden van Hudson’s Bay dat [medeverdachte 3] een wit shirt in haar handen had, dat zij dit shirt oprolde en klein maakte en dat zij het shirt voor haar op een tafeltje neerlegde. Gezien werd dat [medeverdachte 3] , na wat andere kledingstukken te hebben vastgepakt, dit witte shirt oppakte en wegliep richting de uitgang van de winkel. Tijdens het weglopen stopte zij het opgerolde witte shirt weg onder haar kleding of tas. Zij verliet daarop de Hudson’s Bay winkel zonder te betalen.

[naam winkel] , hoedje

Vervolgens zijn enkele verdachten de winkel [naam winkel] binnengegaan. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat [naam 5] naar een stelling met vissershoedjes liep en een zwart hoedje van de stelling pakte. [naam 5] liep vervolgens met dit hoedje, zonder te betalen, de winkel uit. Later werd dit vissershoedje bij de insluitingsfouillering onder [medeverdachte 3] aangetroffen.

Poging diefstal

[verdachte] en [medeverdachte 3] waren eveneens de winkel [naam winkel] binnengegaan. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat [medeverdachte 3] op een (onbekend gebleven) man afliep, stil bleef staan en dat zij vervolgens een shawl pakte en deze breed maakte vlak voor de man. [verbalisant 1] zag dat
[verdachte] op dat moment pal tegen de man aan ging lopen en haar hand tegen de rechter voorbroekzak van de man hield en voelde of er iets in deze zak zat. [verdachte] en [medeverdachte 3] verlieten daarop beide de winkel zonder iets te hebben afgerekend.

Poging diefstal

Verbalisant [verbalisant 4] zag dat [medeverdachte 3] en [verdachte] een naastgelegen souvenirwinkel inliepen en dat zij hier na één minuut weer uit kwamen lopen. [verbalisant 4] zag dat [medeverdachte 3] op ongeveer 20 centimeter van een (onbekend gebleven) stel met toeristisch uiterlijk aanliep en haar blauwe sjaal om haar heensloeg met haar linker hand en dat zij met haar rechterhand onder de sjaal door uit het zicht heimelijk naar de tas van de man van genoemd stel ging. [verbalisant 4] zag dat [verdachte] de handelingen van
[medeverdachte 3] en de omgeving van ongeveer 5 meter afstand scherp in de gaten hield.

Om 16.44 uur werden de drie verdachten aangehouden.

4.1.4

Relatie tussen verdachten en kinderen

De verdachten hebben ten aanzien van hun onderlinge (familiaire) relatie en die van hen ten opzichte van de kinderen het volgende verklaard. [medeverdachte 3] is de moeder van de kinderen [naam 5] en de tweeling [naam 1] en [naam 2] (en [naam 5]). Haar man is genaamd [naam 8] . De man van [verdachte] is genaamd [naam 9] . [medeverdachte 1] is de moeder van de kinderen [naam 4] en de baby [naam 6] (en [naam 7]). Haar man is genaamd [naam 10] . [naam 9] is een neef van [medeverdachte 1] .

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich aan de hand van haar schriftelijk requisitoir, kort en zakelijk samengevat op het volgende standpunt gesteld. Op grond van de aangiftes en de camerabeelden in combinatie met de processen-verbaal van observaties kan bewezen worden dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] de in feit 2 ten laste gelegde diefstal van de portemonnee van aangeefster [benadeelde partij] heeft gepleegd. Ook kan bewezen worden dat verdachte het jasje bij Hudson’s Bay heeft gestolen. Wat betreft de overige in feit 2 ten laste gelegde diefstallen heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De in feit 3 en 4 ten laste gelegde pogingen tot diefstal (zakkenrollerij) kunnen bewezen worden verklaard op grond van de processen-verbaal van bevindingen waarin de handelingen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] worden beschreven. Ook het medeplegen kan bewezen worden.

Het in feit 1 ten laste gelegde, medeplegen van mensenhandel, kan ook bewezen worden verklaard. Meerdere minderjarige kinderen zijn op diverse manieren en momenten, op 19 maart 2019, ingezet om diefstallen te plegen. De kinderen zijn meegenomen naar Nederland en hier gehuisvest, vooral om strafbare feiten te plegen. De kinderen hebben op basis van hun leeftijd en positie binnen het gezin geen keuze zich daaraan te onttrekken. Verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben alleen al op basis van hun leeftijd een positie van overwicht op de zeer jonge kinderen. De familierelatie en de aanwezigheid van de moeders in de groep maakt het overwicht nog sterker en de kwetsbaarheid van de kinderen nog groter. Verdachte en de medeverdachten moeten zich hiervan bewust zijn geweest en hebben dan ook misbruik gemaakt van dat feitelijk overwicht en de kwetsbare positie van de kinderen. De inzet van de kinderen bij de diefstallen levert de verdachten geldelijk gewin op en dat maakt dat het oogmerk van uitbuiting kan worden bewezen. Het aanzetten tot het plegen van een winkeldiefstal kan worden aangemerkt als het verrichten van een dienst, in de zin van artikel 273f Sr, waaruit de verdachten voordeel hebben getrokken. De officier van justitie heeft in dit kader aansluiting gezocht bij de conclusie van de Procureur Generaal bij de Hoge Raad van 4 februari 2012 (ECLI:NL:PHR:2020:73). De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de volgende passage uit die conclusie: “In het geval van het bewust inzetten van een kind bij een criminele activiteit lijkt mij dat de minimaal vereist duur/stelselmatigheid van de activiteit voor de kwalificatie van uitbuiting sterk aan belang inboet”. Medeplegen kan bewezen worden gelet op de observaties van het doelgroepenteam waaruit blijkt dat de verdachten gedurende de observatie steeds samen waren en samen werkten bij de diefstallen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn schriftelijke pleitnotitie, kort en zakelijk samengevat het volgende naar voren gebracht. Verdachte moet worden vrijgesproken van alle aan haar ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte en medeverdachten samen hebben opgetrokken en de kinderen voor eigen gewin hebben ingezet door hen diefstallen te laten plegen. Verdachte is niet de moeder van de kinderen genoemd in de tenlastelegging. Uit het dossier blijkt niet van enige uitbuitingshandeling door verdachte, als genoemd in artikel 273f Sr. Ook blijkt niet dat de kinderen verhandelbare en waardevolle spullen hebben gestolen, waarvan door verdachten geprofiteerd kon worden. Ook blijkt niet van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte(n).

Voor wat betreft de in feit 2 ten laste gelegde diefstallen heeft de raadsman betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wegnemingshandeling bij één van de genoemde diefstallen heeft verricht, dan wel dat sprake is van een dusdanige intellectuele of materiële bijdrage dat van medeplegen kan worden gesproken.

De ten laste gelegde poging tot diefstal in vereniging (feit 3) kan niet bewezen worden. Het verwijt dat verdachte aan de broekzak van een toerist zou hebben gevoeld is gebaseerd op de waarneming van één verbalisant. Daar komt bij dat ook al zou verdachte aan de broekzak hebben gevoeld dit nog niets zegt over de mogelijke criminele intenties van verdachte.

Ook wat betreft de in feit 4 ten laste gelegde poging tot diefstal in vereniging dient verdachte te worden vrijgesproken. Verdachte zou de omgeving in de gaten hebben gehouden terwijl medeverdachte [medeverdachte 3] een diefstal wilde plegen. Dit is (een) onvoldoende (bijdrage) om van medeplegen te kunnen spreken. Uit het dossier blijkt overigens niet dat verdachte wetenschap had van de poging diefstal door medeverdachte. Daarbij komt dat het enkele reiken naar een tas, door medeverdachte, onvoldoende is om een begin van uitvoering aan te nemen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Feit 2: diefstal in vereniging, meermalen gepleegd

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden dat verdachte, al dan niet samen met een ander of anderen, de diefstallen heeft gepleegd, zoals die in feit 2 aan haar zijn ten laste gelegd. De rechtbank stelt op grond van de stukken in het dossier, zoals hiervoor in paragraaf 4.1 uiteen is gezet, de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 19 maart 2019 zijn in een kort tijdsbestek van enkele uren, stelselmatig, meerdere (voltooide) diefstallen gepleegd. In alle gevallen zijn de drie verdachten, [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , daarbij steeds aanwezig (evenals de vier kinderen). In wisselende samenstellingen zijn verdachten in meer of mindere mate betrokken bij de verschillende diefstallen. Het geheel van handelingen en gedragingen van verdachte en medeverdachten had het karakter van een gezamenlijke ‘strooptocht’, waarbij aan de lopende band diefstallen werden gepleegd. Uit de beschrijving van de camerabeelden alsmede uit de beschrijving van de observaties is gebleken dat de diefstallen in een georganiseerd verband plaatsvonden en dat er sprake was van een wisselende rolverdeling waarbij steeds één of meer personen binnen de groep verdachte zorgde(n) voor afleiding van de slachtoffers, terwijl de anderen zich bezig hielden met het wegnemen van de goederen. Steeds waren de andere verdachten in de nabijheid van de plek waar de diefstal plaatsvond, kennelijk om de omgeving in de gaten te houden. Hoewel verdachte niet bij iedere diefstal zelf een wegnemingshandelingen heeft verricht, moet haar rol als die van een medepleger worden aangemerkt. Verdachten waren goed op elkaar ingespeeld en zij wisten kennelijk op welk moment welke handeling, te weten de wegnemingshandeling en de afleidingsmanoeuvre, verricht moest verrichten. De bijdrage van de medepleger wordt weliswaar in de regel geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit, maar deze ook kan bestaan uit gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit (ECLI:HR:2014:3474). Bij de diefstallen waarbij verdachte geen wegnemingshandeling had verricht, was zij wel steeds aanwezig om de groep te versterken en de slachtoffers af te leiden. Voor dit oordeel acht de rechtbank nog van belang dat de rollen van verdachten inwisselbaar waren.

Verdachten waren op strooptocht en hebben binnen een uur (vanaf het moment van observatie omstreeks 15:50 uur tot het moment van aanhouding om 16:44 uur) vier voltooide diefstallen gepleegd (en twee pogingen tot diefstal, die aan de orde zullen komen in paragraaf 4.4.2). Verdachte heeft haar betrokkenheid bij de diefstallen steeds ontkend.

Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien met de overige inhoud van het dossier en bij het uitblijven van enige (aannemelijke) alternatieve verklaring van verdachte omtrent de gang van zaken zoals die uit het voorgaande blijkt, is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte aan de delicten was steeds van voldoende gewicht. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met anderen ( [medeverdachte 3] en
[medeverdachte 1] ) op 19 maart 2019 meerdere diefstallen heeft gepleegd, zoals die in feit 2 ten laste zijn gelegd, te weten de diefstal van een portemonnee, een zak chips, een jas, een T-shirt en een vissershoedje.

4.4.2

Feit 3 en 4: poging diefstal

De rechtbank acht voorts, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, bewezen dat verdachte samen met een ander ( [medeverdachte 3] ) twee keer heeft gepoogd een diefstal te plegen (zakkenrollerij).

4.4.3

Feit 1: mensenhandel

Bij het onder 1 ten laste gelegde feit dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het handelen van verdachte, al dan niet samen met een ander of anderen, onder de specifieke omstandigheden kan worden beschouwd als mensenhandel in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 1, 2, 4 en 6 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

4.4.3.1 Toetsingskader

Sub 1

Artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr ziet op het - middels een dwangmiddel - werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander. Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4 van artikel 273f lid 1 Sr.

De dwangmiddelen zijn dwang, (dreiging met) geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft. De inzet van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie (‘een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep’) belandt of dat iemand ervan wordt weerhouden zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.

De handelingen omschreven in sub 1 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen.

Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten’. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere invalshoeken die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - moeten worden beschouwd. De beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven worden als referentiekader gehanteerd.

De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat deze factoren niet cumulatief zijn. Immers: de strafbaarstelling van sub 1 ziet - hoewel bewezenverklaring tot een voltooid delict leidt - in feite op het voorbereidingsdelict voorafgaand aan de daadwerkelijke uitbuiting; sommige elementen kun je dan nog niet zien en gebruiken om uitbuiting in de zin van sub 1 vast te stellen. Er kan dan wel worden gekeken naar bijvoorbeeld de modus operandi, huisvesting en afspraken.

Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren.

Uit jurisprudentie lijkt te volgen dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid.

De daadwerkelijke uitbuiting hoeft nog niet te hebben plaatsgevonden, voldoende is de onmiskenbare bedoeling van de dader. Wel moet het opzet gericht zijn op de uitbuiting. Voorwaardelijk opzet is niet voldoende.

Sub 2

Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr is het equivalent van sub 1, maar dan voor gevallen waarbij het slachtoffer minderjarig is (‘terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt’). Het verschil met sub 1 zit hem in het feit dat voor strafbaarheid ten aanzien van minderjarige slachtoffers de in sub 1 genoemde dwangmiddelen niet zijn vereist.

Sub 2 strekt ter bescherming van minderjarigen. Bij hen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. De leeftijd van het slachtoffer is geobjectiveerd, opzet of schuld daaromtrent is niet vereist. De wetgever heeft tot uitdrukking willen brengen dat aan de wil van de minderjarige en daarmee de instemming geen betekenis toekomt. Het opzet hoeft enkel gericht te zijn op de uitbuiting. Er bestaat een verplichting om gedegen onderzoek te doen naar de leeftijd.

Sub 4

Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in sub 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De gedragingen in sub 4 volgen veelal op de gedragingen in sub 1 en 2, maar ze kunnen elkaar ook overlappen.

De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Met dien verstande dat die afweging bij minderjarigen anders kan uitvallen dan bij meerderjarigen.

Sub 6

Strafbaar op grond van artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen onder deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Een dwangmiddel is hier niet nodig.

4.4.3.2 Bevindingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte, al dan niet samen met een ander of anderen, bij de vermeende mensenhandel van [naam 4] , [naam 5] , [naam 1] en [naam 2] .

De rechtbank komt tot de vaststelling van de volgende feiten en omstandigheden.

De rechtbank heeft in paragraaf 4.4.1 overwogen dat verdachte zich samen met medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de haar in feit 2 ten laste gelegde (in totaal vijf voltooide) diefstallen. Uit de camerabeelden van de diefstal van de portemonnee en uit de daaropvolgende observatie is gebleken dat de vier kinderen steeds bij de diefstallen aanwezig waren en dat zij bij die verschillende diefstallen door verdachten ook zijn ingezet. Tijdens de observatie die minder dan een uur heeft geduurd zijn vier diefstallen gepleegd. Bij drie van de in totaal vijf bewezen verklaarde diefstallen zijn de wegnemingshandelingen daadwerkelijk door de kinderen gepleegd, onder toeziend oog van de verdachten.

Zo werden de kinderen bij de diefstal van de portemonnee ingezet ter afleiding van het slachtoffer. Als groep gingen zij pal voor de tafel van het slachtoffer staan, zodat zij er niets van merkte dat haar portemonnee uit haar tas werd weggenomen.

Bij de Jamin heeft [naam 4] , nadat door [medeverdachte 3] een ‘ja’ knikkende beweging werd gemaakt, een zakje chips weggenomen.

Bij de diefstal van de jas uit de winkelketen Hudson’s Bay werd [naam 4] ingezet om de wegnemingshandeling te verrichten. De verdachten en de kinderen kwamen na elkaar de winkel binnen, zij liepen vervolgens kris kras door de winkel heen, liepen naar buiten en kwamen weer naar binnen, zij pakten kleding uit de rekken en van de tafels, er werd gezwaaid met een tasje en een medewerker werd aangesproken door één van de verdachten. In de tussentijd werd door [verdachte] aan [naam 4] een jas aangereikt, welke door hem werd aangetrokken en waarop hij de winkel verliet zonder dat die jas werd afgerekend. Ook werd door [medeverdachte 3] een T-shirt weggenomen. Later werd waargenomen dat [medeverdachte 1] het prijskaartje van de jas aftrok en zij dat kaartje bij haar aanhouding in haar vestzak stopte.

Vervolgens werd in een volgende winkel ( [naam winkel] ) een vissershoedje weggenomen door [naam 5] , welke hoedje later bij [medeverdachte 3] werd aangetroffen.

De kinderen wisten wat van hen werd verwacht, zij waren kennelijk vooraf goed geïnstrueerd en ook waren zij goed op elkaar ingespeeld. Gebleken is dat ook door de kinderen elke gelegenheid werd aangegrepen om iets te stelen. Hoewel dit niet is ten laste gelegd is wel uit de bevindingen van de verbalisanten gebleken dat door [naam 5] een blikje Red Bull werd weggenomen in het restaurant, waar door verdachten met de kinderen nog iets werd gegeten, net voordat zij werden aangehouden. Het lijkt erop dat het voor de kinderen de normaalste zaak van de wereld is om spullen weg te nemen.

Op basis hiervan kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat verdachte en medeverdachten, met de kinderen [naam 4] , [naam 5] , [naam 1] en [naam 2] op 19 maart 2019 in Amsterdam waren en zij aldaar gezamenlijk diefstallen pleegden. De rechtbank heeft met betrekking tot dat oordeel acht geslagen op het volgende.

Verdachten hebben leugenachtige verklaringen afgelegd over de kinderen en wilden daarmee kennelijk geen openheid van zaken geven. Zo heeft [medeverdachte 1] verklaard dat baby [naam 6] het kindje is van
[verdachte] , terwijl [naam 6] het kindje van [medeverdachte 1] bleek te zijn. [medeverdachte 3] heeft in eerste instantie verklaard dat zij drie kinderen heeft. Later bleek dat zij nog een vierde kind heeft genaamd [naam 5] . De rechtbank stelt verder vast dat verdachten wisselende verklaringen hebben afgelegd over de reden dat zij in Amsterdam waren, de samenstelling van het gezelschap en waar zij daarvoor zijn geweest. De verdachten hebben uiteindelijk verklaard dat zij vanuit Nice in Frankrijk, naar Geneve in Zwitserland zijn gegaan en dat zij vervolgens naar Amsterdam zijn gekomen.

Uit informatie van de Zwitserse autoriteiten is gebleken dat alle drie de verdachten op 11 maart 2019 zijn aangehouden in Zwitserland op verdenking van winkeldiefstal gepleegd op 9 maart 2019. Voorts is op beelden vastgelegd dat [medeverdachte 1] samen met [naam 9] een poging diefstal pleegde bij een juwelier op 9 maart 2019. Ook is [medeverdachte 1] in 2018 in beeld gekomen in verband met diefstallen waarbij minderjarigen betrokken waren. Voorts is uit camerabeelden van Hudson’s Bay van 18 maart 2019 gebleken dat door [naam 9] , de man van [verdachte] , samen met twee andere mannen en twee kinderen goederen werden weggenomen. Een dag later op 19 maart 2019 werden de verdachten, in de onderhavige zaak, aangehouden op verdenking van het plegen van diefstallen. Verdachten hebben ook verklaard dat zij met deze mannen naar Amsterdam waren gereisd.

4.4.3.3 Weging van de bevindingen in het licht van artikel 273f, sub 1, 2, 4 en 6 Sr

Zoals hiervoor beschreven ziet artikel 273f, eerste lid, sub 1 en 2 Sr op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander, sub 1, middels een dwangmiddel dan wel sub 2, terwijl die ander nog geen 18 jaar oud is. Sub 4 ziet op het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie en sub 6 op het voordeel trekken uit die uitbuiting.

De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat verdachte op 19 maart 2019 in Amsterdam de minderjarige kinderen [naam 4] , [naam 5] , [naam 1] en [naam 2] heeft vervoerd, overgebracht en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting. Uit het dossier blijkt dat verdachte (bewust) misbruik heeft gemaakt van haar overwicht dat zij en haar medeverdachten op de kinderen hebben en van hun kwetsbare positie. Ook al zijn deze dwangmiddelen voor een bewezenverklaring van sub 1 en sub 2 niet vereist, feitelijk zijn deze door verdachte toegepast, en dat is relevant in verband met een bewezenverklaring van sub 4. De minderjarige kinderen zijn gezien hun jonge leeftijd volledig afhankelijk van hun ouders, vooral ook omdat zij de Nederlandse taal niet machtig zijn, geen onderdak of eigen legaal inkomen kunnen genereren en in wezen vanaf hun vroege jeugd geleerd wordt om te stelen. De kinderen hebben geen andere keuze dan te doen wat ze wordt opgedragen. De kinderen op deze wijze bewegen tot stelen wordt door de rechtbank aangemerkt als het verrichten van diensten zoals bedoeld in sub 4. Dat dit alles is gebeurd met het oogmerk van uitbuiting is de rechtbank zonneklaar. Het ging om financieel gewin.

Ambtshalve overweegt de rechtbank dat de raadsvrouw van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bepleit dat het eenmalig inzetten van kinderen voor het plegen van diefstallen – waarbij geen sprake is van inzet van dwangmiddelen – onvoldoende is om te kunnen spreken van een uitbuitingssituatie. De rechtbank verwerpt dit verweer. In lijn met de recent verschenen conclusie van de Procureur Generaal bij de Hoge Raad (vindplaats ECLI:NL:PHR:2020:73) is de rechtbank van oordeel dat, in het geval een kind bewust wordt ingezet bij het plegen van criminele activiteiten, de minimale eis voor de duur en stelselmatigheid van de activiteit voor de kwalificatie van uitbuiting sterk aan belang inboet. Gelet op dit uitgangspunt is de rechtbank van oordeel dat, in de onderhavige zaak waarin in een kort tijdsbestek (van enkele uren) vijf voltooide diefstallen zijn gepleegd, wel sprake is van voor een bewezenverklaring (zo nodig) vereiste stelselmatigheid. De kinderen verkeerden in een uitbuitingssituatie.

Het voorgaande brengt de rechtbank ook tot de conclusie dat hieruit voordeel is getrokken zoals bedoeld onder sub 6. Ook wanneer goederen voor eigen gebruik of met een geringe waarde worden weggenomen levert dat een economisch voordeel op voor verdachte, immers het vormt een besparing.

4.4.3.4 Conclusie ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich samen met anderen, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van de minderjarigen [naam 4] , [naam 5] , [naam 1] en [naam 2] , bestaande uit het uitbuiten van die minderjarigen, in die zin dat zij zijn aangezet tot het plegen van strafbare feiten (diefstallen) (artikel 273f lid 1 sub 1, 2 en 4 Sr). Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte en medeverdachten opzettelijk voordeel hebben getrokken uit die uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 6 Sr).

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 19 maart 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, anderen, te weten:

- [naam 4] , geboren op [geboortedatum 1] en

- [naam 5] , geboren op [geboortedatum 2] en

- [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] en

- [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3]

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie die [naam 4] en [naam 5] en [naam 1] en [naam 2] heeft,

vervoerd, overgebracht en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting van die [naam 4] en [naam 5] en [naam 1] en [naam 2] , terwijl die [naam 4] en [naam 5] en [naam 1] en [naam 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden bereikt,

en

heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten (te weten: het plegen van strafbare feiten en/of activiteiten) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan zij, verdachte, en haar mededaders wisten dat die [naam 4] en [naam 5] en [naam 1] en [naam 2] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van diensten (te weten: het plegen van strafbare feiten en/of activiteiten, te weten meerdere diefstallen),

en

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [naam 4] en [naam 5] en
[naam 1] en [naam 2] ,

immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededaders, telkens één of meer kind(eren) meegenomen naar een terras van [restaurant] en naar Jamin en in de Hudson’s Bay en in de [naam winkel] en aldaar

(diefstal 19 maart 2019 - [benadeelde partij] - portemonnee)

- op het terras van [restaurant] de kinderwagen tegen de zijkant van de stoel waarop [benadeelde partij] zat gereden en geplaatst en

- vervolgens samen met haar mededaders en [naam 4] en [naam 1] en [naam 2] dicht om de kinderwagen gaan staan (ter afscherming) en

- vervolgens de portemonnee uit de tas (die naast [benadeelde partij] op de grond stond) weggenomen en

(winkeldiefstal 19 maart 2019 - Jamin - zak chips)

- die [naam 4] en [naam 5] gebracht naar de Jamin en

- vervolgens die [naam 4] en [naam 5] de Jamin in laten gaan en die [naam 4] en [naam 5] naar het schap met chips laten gaan en

- terwijl die [naam 4] een zak chips pakte naar hem een instemmende ‘ja’ knikkende beweging gemaakt waarop die [naam 4] vervolgens de zak chips wegneemt en

- vervolgens die [naam 4] zonder te betalen de winkel uit laten lopen met de zak chips en

(winkeldiefstal 19 maart 2019 – Hudson’s Bay - jas)

- een jas (merk Tommy Hilfiger) uit het rek gepakt en deze aan die X. [medeverdachte 1] gegeven en die
X. [medeverdachte 1] de jas aan laten doen en

- vervolgens die X. [medeverdachte 1] zonder te betalen de winkel uit laten lopen met de jas en

(winkeldiefstal 19 maart 2019 – [naam winkel] - vissershoedje)

- een door [naam 5] weggenomen vissershoedje in ontvangst genomen en onder zich gehouden;

ten aanzien van feit 2:

op 19 maart 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen:

- een portemonnee (met daarin onder meer 50 euro en 200 Engelse ponden en bankpasjes) en

- een zak chips en

- een jas (merk Tommy Hilfiger) en

- een wit T-shirt (merk Adidas) en

- een vissershoedje

toebehorende aan [benadeelde partij] en/of Jamin en/of Hudson’s Bay en/of [naam winkel] ;

ten aanzien van feit 3:

op 19 maart 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen één of meer goed(eren), toebehorende aan een onbekend gebleven man, waarbij zij en haar mededader:

- dichtbij die onbekend gebleven man zijn gaan staan en

- vervolgens een shawl breed heeft gemaakt vlak voor die onbekend gebleven man en

- vervolgens tegen de onbekend gebleven man aan is gaan lopen en

- vervolgens een hand tegen de rechtervoorbroekzak van de man aan heeft gehouden en met een hand heeft gevoeld of er iets in deze zak zat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 4:

op 19 maart 2019 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen één of meer goed(eren), toebehorende aan een onbekend gebleven man van een toeristisch uitziend stel, waarbij zij en haar mededader:

- dichtbij die onbekend gebleven man is gaan lopen en

- de omgeving en de handelingen van de mededader in de gaten heeft gehouden en

- vervolgens een shawl om zich heen heeft geslagen en

- vervolgens met een hand onder de shawl uit het zicht (meermalen) heimelijk naar de tas van de onbekend gebleven man is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 (ten aanzien van de diefstal van de portemonnee), 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd verdachte ten aanzien van feit 2 (met betrekking tot de diefstal van het jasje) te veroordelen tot een geldboete van € 200,00. De officier van justitie heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, eventueel met een voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur en rekening te houden met het bepaalde in artikel 55 Sr. De raadsman heeft verzocht geen aansluiting te zoeken bij de richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor strafeisen bij ‘mobiel banditisme’.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen minderjarige kinderen, die bijzonder kwetsbaar waren, uitgebuit. Verdachte is hierbij volledig voorbij gegaan aan de belangen van de kinderen en heeft kennelijk slechts oog gehad voor haar eigen belangen en voor financieel gewin. De kinderen werden ingezet en misbruikt voor het plegen van vermogensdelicten. Dat de kinderen in deze kind onwaardige omstandigheden verzeild zijn geraakt valt verdachte en medeverdachten ten volle te verwijten. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het plegen van diefstallen en twee pogingen daartoe.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders op het handelen van verdachte worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, zoals blijkt uit het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie, niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Echter, gebleken is dat verdachte eerder in een ander land is veroordeeld voor zakkenrollerij en dat zij in Zwitserland als verdachte in verband is gebracht met het plegen van diefstallen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank, uit een oogpunt van vergelding, speciale en algemene preventie, van oordeel dat het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel, naast een onvoorwaardelijk deel, is geboden om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst diefstallen te plegen in Nederland dan wel zich wederom schuldig te maken aan mensenhandel.

9 Het beslag

Onder verdachte zijn (onder andere) de volgende goederen in beslag genomen:

- zwarte dames zonnebril (goednummer 5724304),

- zwarte dames zonnebril (goednummer 5724305) en

- horloge, met groene legerprint (goednummer 5724306).

De rechtbank bepaalt dat deze goederen dienen te worden geretourneerd aan verdachte.

10 De vordering van de benadeelde partij

10.1

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft € 200,- en 202,45 Britse pond (zijnde € 243,02, uitgaande van de wisselkoers 0,8330 Britse Pond = € 1,-) aan vergoeding van materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. De € 200,- die [benadeelde partij] heeft gevorderd bestaat uit een contant geldbedrag dat is weggenomen uit haar portemonnee. Het bedrag aan Britse ponden dat is gevorderd á 202,45 bestaat voor 34,95 Britse pond uit de leren portemonnee, voor 97,50 Britse pond uit een Amsterdam City Card, voor 20,00 Britse pond uit de kosten van een rijbewijs en 50,00 Britse pond aan contant geld. In totaal is reeds 145,00 Britse pond (zijnde € 174,06) aan de benadeelde partij vergoed.

De verdediging heeft aangevoerd dat in de aangifte van de benadeelde partij wordt vermeld dat € 50,00 aan contant geld en 200.00 Britse pond aan contant geld is weggenomen. In de vordering van de benadeelde partij is de schade gevorderd zoals hiervoor staat beschreven, dus € 200,00 en 50,00 Britse pond. De rechtbank gaat ervan uit dat de geldbedragen genoemd in de vordering van de benadeelde partij, die door haarzelf zijn ingevuld, juist zijn en dat er abusievelijk een schrijffout is gemaakt in het proces-verbaal van aangifte.

10.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering voldoende is onderbouwd en dat deze dan ook kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering (partieel) af te wijzen, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

10.4

Het oordeel van de rechtbank

Contante geldbedragen

De rechtbank wijst de gevorderde contante geldbedragen, te weten € 200,00 en 50,00 Britse pond (zijnde € 60,02) toe, omdat deze vordering voldoende is onderbouwd.

Rijbewijs

De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor het rijbewijs, te weten 20,00 Britse pond (zijnde € 24,00) toe, omdat deze vordering voldoende is onderbouwd.

Leren portemonnee en Amsterdam City Card

De rechtbank is wat betreft de gevorderde kosten voor de leren portemonnee, met de verdediging, van oordeel dat in de vordering geen rekening is gehouden met de afschrijving van de portemonnee. De gevorderde kosten voor de Amsterdam City Card zijn onvoldoende onderbouwd, omdat niet duidelijk is of en hoe lang de benadeelde partij reeds gebruik heeft kunnen maken van de City Card.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet de gehele vordering voor toewijzing vatbaar is. Wel acht de rechtbank het redelijk dat de helft van die vordering wordt toegewezen. Dat wil zeggen dat voor de portemonnee een bedrag wordt toegewezen van 17,48 Britse pond (de helft van 34,95 Britse pond), zijnde € 20,97. Voor de Amsterdam City Card wordt een bedrag toegewezen van 48,75 Britse pond (de helft van 97,50 Britse pond), zijnde € 58,50.

De benadeelde partij wordt voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Conclusie

In totaal wordt een bedrag van € 363,49 toegewezen met dien verstande dat van dit bedrag wordt verminderd met het bedrag dat reeds aan de benadeelde partij is vergoed, te weten 145,00 Britse pond (zijnde € 174,06).

In totaal wordt een bedrag van € 189,43 toegewezen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, te weten op 19 maart 2019. Verdachte wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Voorts wordt ten aanzien van dit bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 273f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van mensenhandel, terwijl die persoon ten aanzien van wie het in artikel 273f, eerste lid, onder 1, 2, 4 en 6 omschreven feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 en 4:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- zwarte dames zonnebril (goednummer 5724304),

- zwarte dames zonnebril (goednummer 5724305) en

- horloge, met groene legerprint (goednummer 5724306).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 189,43 (zegge honderdnegenentachtig euro en drieënveertig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 19 maart 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 189,43 (zegge honderdnegenentachtig euro en drieënveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 19 maart 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van drie dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C. Klomp en R. Godthelp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2020.