Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1311

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
Parketnummer 13/751896-17
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Door de opgeëiste persoon zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven te veronderstellen dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751896-17

RK-nummer: 17/7130

Datum uitspraak: 28 februari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 november 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juli 2017 door the Regional Court in Wrocław (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres
[adres]

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 juni 2018. Het onderzoek heeft plaats plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsman,

mr. G.A. Dorsman, advocaat te Rotterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de beantwoording van de door de Ierse rechter gestelde prejudiciële vragen in zaak C-216/18 PPU af te wachten en om de raadsman in de gelegenheid te stellen om nadere stukken (met index) te overleggen in het kader van het gelijkstellingsverweer

Met het arrest van 25 juli 2018 heeft de Grote kamer van het Europees Hof van Justitie antwoord gegeven op de prejudiciële vragen in zaak C-216/18 PPU.

Op 2 en 6 augustus 2018 heeft de raadsman nadere stukken overgelegd.

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 14 augustus 2018. De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal en de gemachtigd raadsman van de opgeëiste persoon, mr. G.A. Dorsman.
De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst voor intern beraad over de interpretatie van het arrest van het Hof van 25 juli 2018.

De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de openbare zitting van 14 februari 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigd raadsman, mr. G.A. Dorsman.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een decision of the District Court for Wrocław Śródmieście of 19 May 2017, file reference number II Kp. 495/17 on temporary detention of the suspect for the period of 14 days of the date when he was taken into custody.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het eerste en tweede feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1 en 5, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie;

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het derde feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit
begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij zou ten onrechte zijn beschuldigd door medeverdachte [medeverdachte] als reactie op het feit dat hij is gehuwd met de ex-vrouw van genoemde [medeverdachte] . Hij heeft zijn onschuld echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon voldoet aan de in artikel 6, vijfde lid, OLW genoemde vereisten om te worden gelijkgesteld met een Nederlander. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Deputy Head of the 3rd Division Criminal for the 1st instance in Wrocław heeft bij brief van 7 augustus 2018 de volgende garantie gegeven:

…in case there is a condition clause made by the Member State executing the European Arrest Warrant, that the person wanted – [opgeëiste persoon] – in case he is sentenced by the Polish justice to an unconditional prison sentence – shall be returned to the Dutch party in order to carry out this punishment pursuant to article 3 section 3 of the Council Framework Decision of 13 June 2002 on the European Arrest Warrant and the surrender procedures between Member States, as well as pursuant to article 607j of the (Polish) Act of 6 June 1997 – Code of Criminal Procedure – the Polish party shall be then obliged to obey this condition clause, and return the wanted person to the Netherlands.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan met betrekking tot het feit genoemd onder 4.2.

De feiten genoemd onder 4.1 zijn eveneens naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en 11, vijfde lid van de Opiumwet.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter ter zitting van 14 augustus 2018 overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    het onderzoek is in Polen aangevangen;

  • -

    de verdovende middelen waren voor de Poolse markt bestemd;

  • -

    één of meer medeverdachte(n) worden in Polen vervolgd;

  • -

    de bewijsmiddelen bevinden zich in Polen.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Poolse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. Aangevoerd is dat de opgeëiste persoon gedurende de pleegperiode in Nederland verbleef en Nederland ook rechtsmacht heeft.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Daarbij weegt mee dat de feiten in vereniging zijn gepleegd en de opgeëiste persoon daaraan vanuit Nederland heeft kunnen bijdragen.

7. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)

De rechtbank stelt voorop, dat uit de beschikbare informatie met betrekking tot de ontwikkelingen ten aanzien van de Poolse rechtsstaat een zorgwekkend beeld naar voren komt. De meest recente ontwikkelingen zijn bovendien ongunstig. Dit algemene beeld is echter onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat een ieder die in Polen zal worden berecht, geen eerlijk proces zal krijgen. De rechtbank is dan ook niet van oordeel dat van het door het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak LM1 gegeven toetsingskader dient te worden afgeweken.

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 20182 een uitleg gegeven van het toetsingskader, dat is opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest). De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat uit het arrest volgt dat drie vragen (ook wel stap 1, 2 en 3 genoemd) moeten worden beantwoord.

Naar aanleiding van vragen betreffende de Poolse rechtsstaat heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 25 november 2019 meegedeeld dat geen gevallen bekend zijn van disciplinaire maatregelen tegen rechters van de Wrocław appeal jurisdiction area.

De rechtbank verwijst in dit kader eveneens naar haar uitspraak van 16 januari 2020, in een andere zaak. De rechtbank heeft in die uitspraak de vragen 1 en 2 van het toetsingskader positief beantwoord en geconcludeerd dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en die negatieve gevolgen voor alle rechterlijke instanties kunnen hebben.

Vervolgens heeft de rechtbank - kort gezegd - geoordeeld dat zij, alvorens een nadere dialoog met de Poolse uitvaardigende autoriteit aan te gaan - en in dat verband tot het inwinnen van nadere informatie over (in het bijzonder) tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen -, ter zitting de opgeëiste persoon wenst te horen over de feiten en omstandigheden die zien op zijn persoonlijke situatie die er toe kunnen leiden dan wel hebben geleid dat hij - in het licht van de ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat - geen eerlijk proces zal krijgen dan wel geen eerlijk proces heeft gehad. Deze conclusies gelden onverkort voor onderhavige zaak.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat de rechtbank, indien zij dit noodzakelijk acht in het licht van nieuwe ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat, nadere vragen kan stellen. Hij stelt zich op het standpunt dat van zodanige nieuwe omstandigheden thans sprake is. Hij heeft daarbij gewezen op de resolutie van het Poolse Hooggerechtshof van 23 januari 2020.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de ondertekenaar van het EAB, tevens voorzitter van de strafkamer van de rechtbank Wrocław, [persoon] , een andere persoon ten onrechte heeft veroordeeld tot een lange gevangenisstraf en dat die persoon inmiddels weer is vrijgesproken. De raadsman stelt dat de opgeëiste persoon vreest dat hij bij behandeling van zijn strafzaak onder leiding van deze [persoon] geen eerlijk proces zal krijgen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de door de raadsman genoemde resolutie geen reden om de dialoog te heropenen. Het algemene gevaar op schending van artikel 47 Handvest is immers al aangenomen. De door de verdediging aangevoerde argumenten vormen volgens de officier van justitie geen aanleiding voor nadere vragen. Voorts heeft de officier van justitie erop gewezen dat geen stukken voorhanden zijn betreffende de door de verdediging genoemde onterechte veroordeling. De mogelijkheid van het sanctioneren van rechters heeft geen invloed op individuele zaken, aldus de officier van justitie die erop gewezen heeft dat de opgeëiste persoon geen politicus, journalist of iets in die orde is, zodat in zijn strafzaak geen verhoogd risico op politieke invloed zal zijn.

Het oordeel van de rechtbank

De informatie die de raadsman heeft overgelegd versterkt het beeld dat in de uitspraak van 16 januari 2020 is geschetst: de situatie in Polen is zeer zorgwekkend en de ontwikkelingen zijn ongunstig. De rechtbank ziet in de door de raadsman genoemde resolutie echter geen aanleiding om nu, anders dan in haar eerdere uitspraak, te oordelen dat in zijn algemeenheid moet worden aangenomen dat van onafhankelijke rechtspraak in Polen in het geheel geen sprake meer is. Zij zal daarover dan ook niet opnieuw de dialoog aangaan.

Met betrekking tot vraag/stap 3 heeft de opgeëiste persoon geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven te veronderstellen dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dat als gevolg daarvan zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern is aangetast. Noch zijn persoonlijke situatie, noch de aard van de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, noch de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt geeft tot een dergelijke conclusie aanleiding. Een eventueel onterechte veroordeling van een andere persoon door de rechter die mogelijk de strafzaak van de opgeëiste persoon zal behandelen, leidt evenmin tot de conclusie dat genoemd grondrecht in het geding is in de strafzaak tegen deze opgeëiste persoon.

8 Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 11b Opiumwet, de artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Wrocław (Polen).

Aldus gedaan door

mr. I. Verstraeten Jochemsen, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en J.A.A.G. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 februari 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:EU:C:2018:586

2ECLI:NL:RBAMS:2018:5925