Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1300

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
8306053 KK EXPL 20-97
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De ouders van een huurder mogen soms de kamer van hun zoon controleren nu hij voor zijn opleiding langere tijd in het buitenland verblijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8306053 KK EXPL 20-97

vonnis van: 26 februari 2020

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

nader te noemen: [eiser]

gemachtigde: G.C. Zijlstra

t e g e n

1. [gedaagde 1]

gevestigd te Amsterdam

2. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats]

gedaagden

nader te noemen: [gedaagde 2]

gemachtigde: mr. L.A.A. Steehouwer

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 7 februari 2020, met producties heeft [eiser] een voorziening gevorderd.

Ter zitting van 19 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden. [gedaagde 2] heeft op voorhand stukken in het geding gebracht. Partijen hebben ter zitting hun standpunten, mede aan de hand van een pleitnota, toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

[eiser] huurt met ingang van 1 juli 2016 van [gedaagde 2] een kamer (onzelfstandige woonruimte) op het adres [adres] . Deze kamer maakt deel uit van een vijfkamerwoning.

1.2.

Artikel 10.12 van de huurovereenkomst luidt:
“Het verhuren van (een) kamer(s) e.d. aan anderen dan aan de ons nu bekende personen is niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming.”

1.3.

Artikel 1.3 van de Algemene Bepalingen huurovereenkomst woonruimte luidt:
“Huurder is – zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder – niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk in huur, onderhuur of gebruik af te staan, daaronder begrepen het verhuren van kamers en het verlenen van pension of het doen van afstand van huur.

1.4.

Partijen kwamen bij aanvang van de huurovereenkomst een huurprijs van
€ 450,00 per maand overeen.

1.5.

Bij uitspraak van 15 februari 2019 heeft de Huurcommissie niet deze huurprijs maar een huurprijs van € 121,10 per maand met ingang van 1 mei 2018 redelijk geoordeeld.

1.6.

Vanaf 12 juli 2019 is [eiser] naar India vertrokken. Hij verwacht rond 20 maart 2020 weer terug te keren.

1.7.

De ouders van [eiser] , die in [woonplaats] wonen, bezoeken de kamer af en toe en overnachten daar soms.

1.8.

Op 13 december 2019 heeft [gedaagde 2] de ouders gesommeerd de kamer te verlaten. De politie moest interveniëren.

1.9.

[gedaagde 2] heeft de huur over december 2019 en januari 2020 aan [eiser] teruggestort met als omschrijving restitutie wegens beëindiging huurovereenkomst.

1.10.

[eiser] heeft aan [gedaagde 2] om opheldering gevraagd maar daar heeft [gedaagde 2] niet op gereageerd.

1.11.

De ouders konden op 26 januari 2020 de kamer niet betreden omdat deze was afgesloten met een hangslot.

1.12.

Bij e-mail van 28 januari 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde 2] om uitleg gevraagd maar daar heeft hij opnieuw niet op gereageerd.

Vordering

2. [eiser] vordert – na zijn eis verminderd te hebben - dat [gedaagde 2] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld zal worden om:

2.1.

binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het hangslot te verwijderen op straffe van een dwangsom van € 10.000,00;

2.2.

te gehengen en te gedogen dat de ouders van [eiser] de kamer voor 20 maart 2020 eenmaal bezoeken en controleren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor het geval dat [gedaagde 2] dit niet toestaan en/of dit trachten te verhinderen;

2.3.

de kosten van de procedure te betalen.

3. [eiser] licht toe dat de verhouding tussen partijen verstoord is geraakt toen de huurcommissie de huur had verlaagd en hij ongeveer € 4.000,00 aan onverschuldigd betaalde huur van [gedaagde 2] terugvorderde.

4. [eiser] stelt dat hij in juli 2019 naar India is vertrokken voor een opleiding tot yogaleraar en dat hij de medebewoners heeft ingelicht dat zijn ouders af en toe langs zouden komen om zijn kamer te inspecteren. Dat hebben zij sedertdien slechts 6 maal gedaan. Voor zijn vertrek waren ze ook al in zijn kamer geweest. Volgens [eiser] dient hij toezicht op zijn kamer en spullen te kunnen houden. Hij betwist dat hij zijn kamer aan derden in gebruik zou hebben gegeven dan wel deze zou hebben onderverhuurd. Hij betwist dat de algemene voorwaarden op de huurovereenkomst van toepassing. Deze zijn hem immers niet ter hand gesteld.

Verweer

5. [gedaagde 2] voert aan dat [eiser] zich niet heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt. Hij gebruikt de kamer al meer dan een half jaar niet meer als zijn hoofdverblijf. Hij handelt hiermee in strijd met artikel 1.1 van de algemene voorwaarden, die volgens [gedaagde 2] op de huurovereenkomst van toepassing zijn.

6. Verder voert [gedaagde 2] aan dat [eiser] de kamer in onderhuur dan wel in gebruik heeft gegeven aan derden. De ouders verblijven en overnachten immers met regelmaat in de kamer. [gedaagde 2] betwist dat de ouders alleen komen voor het verzorgen van de plant en het regelen van de post. Er is maar is plant, die ook in de gemeenschappelijke keuken kan worden neergezet en er komt nauwelijks post. De ouders nemen hun fietsen mee waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat zij voor langere tijd komen. De huurder van de andere kamer vindt het storend dat de ouders lanskomen omdat hij zich daardoor niet op zijn gemak voelt. Ook [gedaagde 2] zelf wil niets te maken hebben met derden, temeer omdat er in de woning administratie van patiënten aanwezig is. Hij heeft [gedaagde 2] meerdere malen erop gewezen dat het niet was toegestaan dat zijn ouders in de woning verblijven.

7. Ten slotte voert [gedaagde 2] aan dat hij in een bodemprocedure op grond van het bovenstaande ontbinding van de huurovereenkomst zal vorderen.

Beoordeling

8. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat de huurovereenkomst tussen partijen voor onbepaalde tijd geldt. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde 2] de huurovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Dat de huurovereenkomst volgens [gedaagde 2] in een nog te voeren bodemprocedure moet worden ontbonden omdat [eiser] zich niet als een goed huurder zou gedragen, is onvoldoende om daar in deze procedure op vooruit te lopen in de door [gedaagde 2] beoogde wijze door [eiser] niet toe te laten in de woning. Dit geldt des te meer nu [gedaagde 2] in dit kort geding geen rechtsgevolgen aan dit verweer heeft verbonden. Hij heeft immers geen ontruiming gevorderd. Dit betekent dat er voorshands vanuit wordt gegaan dat de huurovereenkomst tussen partijen doorloopt.

10. [gedaagde 2] heeft erkend dat er een slot op de deur van de kamer van [eiser] is geplaatst. [gedaagde 2] heeft toegezegd deze te zullen (laten) verwijderen. De hierop betrekking hebbende vordering zal daarom worden toegewezen, zij het dat de meegevorderde dwangsom in redelijkheid zal worden gematigd tot € 5.000,00.

11. [gedaagde 2] heeft niet betwist dat [eiser] rond 20 maart 2020 weer zal terugkeren in de woning. Een huurder heeft in beginsel het recht om tijdens zijn afwezigheid incidenteel een derde toezicht op het gehuurde te laten houden. Niet is gesteld of gebleken dat partijen deze bevoegdheid in de huurovereenkomst hebben uitgesloten. Dit betekent dat [gedaagde 2] in beginsel de ouders van [eiser] in het gehuurde moet toelaten. Dat zij zich in
het verleden hebben misdragen is niet, althans onvoldoende onderbouwd, zodat dit standpunt terzijde zal worden gelaten. Dat toezicht volgens [gedaagde 2] niet nodig is, doet niet terzake. Dit betekent dat [gedaagde 2] zal worden veroordeeld te gehengen en gedogen dat de ouders van [eiser] voor 20 maart 2020 eenmaal in het gehuurde toe te laten. Nu [gedaagde 2] dat eerder heeft verhinderd, zal de gevorderde dwangsom ook worden toegewezen.

12. [gedaagde 2] dient als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten te worden belast.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde 2] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het hangslot op de deur van de door [eiser] gehuurde kamer te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 5.000,00;

veroordeelt [gedaagde 2] te gehengen en gedogen dat de ouders van [eiser] de gehuurde kamer voor 20 maart 2020 eenmaal bezoeken en controleren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor het geval dat [gedaagde 2] dit niet toestaan en/of dit trachten te verhinderen;

veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:
exploot € 100,89
salaris € 480,00
griffierecht € 83,00
-----------------
totaal € 663,89
voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt [gedaagde 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde 2] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.