Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1268

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2020
Datum publicatie
28-02-2020
Zaaknummer
13-173947-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 47-jarige man is veroordeeld tot een boete van 1.500 euro omdat hij zich op 29 september 2017 als trambestuurder gevaarlijk gedroeg op de weg waarna een verkeersongeval ontstond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-173947-18

Datum uitspraak: 28 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 februari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. de Graaf, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.I. Witlox, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting - ten laste gelegd dat

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

hij op of omstreeks 29 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als professioneel verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een tram - in de hoedanigheid van personenvervoerder -, daarmee rijdende over de Stadionweg, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel, te weten, een bloeding in de hersenen, letsel aan de hersenen, een of meer gebroken ribben, een gebroken rugwervel, een gebroken enkel en/of de verlamming van een kant van het lichaam, werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

en/of waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel, te weten, letsel aan de hersenen, een of meer gebroken ribben, een gebroken bovenarm, een of meer gebroken wervels, een gebroken middelvinger en/of een gescheurde milt en/of nier, werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

en/of waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 3] , zwaar lichamelijk letsel, te weten, een of meer breuken in het gezicht, werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Stadionlaan, komende uit de richting van het Stadionplein, en gaande in de richting van het Olympiaplein,

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was,

- terwijl de wissellamp de positie van de wisseltong ter plaatse weergaf,

- terwijl verdachte reed met een snelheid van 35 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en hoger dan de voorgeschreven snelheid bij het inrijden van een wissel te weten 15km/uur (aldus de Module Algemeen van het Lesboek Rijopleiding’ en/of de door zijn werkgever, GVB, aan hem gegeven instructies),

verdachte heeft, gekomen bij de kruising met de Herculesstraat, in strijd met de ‘Module Algemeen van het Lesboek Rijopleiding’ en/of de door zijn werkgever, GVB, aan hem gegeven instructies zichzelf er onvoldoende en/of tijdig van overtuigd dat de wisseltong goed in zijn, verdachtes, richting aansloot,

verdachte is (vervolgens) (plotseling en onverwachts), naar links afgeslagen,

verdachte is (vervolgens) tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of zijn personenauto aangereden en en/of aangebotst, ten gevolge waarvan aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

hij op of omstreeks 29 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als professioneel verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een tram - in de hoedanigheid van personenvervoerder -, daarmee rijdende over de Stadionweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Stadionlaan, komende uit de richting van het Stadionplein, en gaande in de richting van het Olympiaplein,

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was,

- terwijl de wissellamp de positie van de wisseltong ter plaatse weergaf,

- terwijl verdachte reed met een snelheid van 35 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid die (veel) te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse, en hoger dan de voorgeschreven snelheid bij het inrijden van een wissel te weten 15km/uur (aldus de Module Algemeen van het Lesboek Rijopleiding’ en/of de door zijn werkgever, GVB, aan hem gegeven instructies),

verdachte heeft, gekomen bij de kruising met de Herculesstraat, in strijd met de ‘Module Algemeen van het Lesboek Rijopleiding’ en/of de door zijn werkgever, GVB, aan hem gegeven instructies zichzelf er onvoldoende van overtuigd dat de wisseltong goed in zijn, verdachtes, richting aansloot,

verdachte is (vervolgens) (plotseling en onverwachts) naar links afgeslagen,

verdachte is (vervolgens) tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of zijn personenauto aangereden en en/of aangebotst, ten gevolge waarvan aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, in elk geval zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Wat is er gebeurd?

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit en betrekt in haar overwegingen de standpunten van de officier van justitie en de raadsman.1

Op 29 september 2017 omstreeks 13:40 uur reed verdachte als bestuurder van tramlijn 24 over de trambaan op de Stadionweg te Amsterdam in de richting van het Olympiaplein. Op dezelfde weg reed een personenauto, taxi, in tegengestelde richting op de trambaan in de richting van het Stadionplein. De tram was onderweg van halte Stadionweg naar de halte Olympiaplein. Op de T-kruising van de Stadionweg met de Herculesstraat sloeg de tram plotseling en onverwachts linksaf waardoor de taxi tegen de tram is aangereden.2

De taxi werd bestuurd door [slachtoffer 1] . Zowel de bestuurder als de twee passagiers in de taxi, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , hebben als gevolg van dit verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen.3

Uit de stukken van het dossier, waaronder een proces-verbaal “Onderzoek plaats ongeval”, een rapport van het GVB en de verklaringen van verdachte, zoals afgelegd bij de politie en ter zitting van 14 februari 2020, is duidelijk geworden dat er op die dag omstreeks 13:20 uur sprake was van een stremming op de route van tram 24, waardoor het tramverkeer tijdelijk werd omgeleid ter hoogte van het oude eindpunt van lijn 24 op de Stadionweg.

Verdachte hoorde ter hoogte van het Stadionplein van het CCV (Communicatie Centrum Vervoer) dat de route weer vrij was. Het was hem duidelijk dat hij vervolgens als eerste na de stremming de route van tramlijn 24 reed. Omdat het de eerste tram was op de route naar het Centraal Station was het druk met passagiers bij de haltes en in de tram. Dat op de camerabeelden in de tram is te zien dat verdachte tijdens het rijden bezig was met het inchecken van vervoersbewijzen van passagiers, is een handeling die een trambestuurder kan verrichten zonder dat zijn blik wordt afgeleid van het verkeer.4

Verdachte is een ervaren personenvervoerder. Hij is bekend met de situatie ter plaatse en met de route van tram 24. Hij ging er vanuit dat de tram bij de T-kruising van de Stadionweg met de Herculesstraat rechtdoor zou rijden. In verband met de stremming was de wissel echter naar links gezet. Verdachte heeft verklaard dat hij vlak voor de kruising zag dat de wissel verkeerd stond. Dat zag hij aan de wisseltongen en het werd ook aangegeven door de wissellamp. Op dat moment naderde verdachte naar eigen zeggen de kruising van de Stadionweg met de Herculesstraat met een snelheid van ongeveer 20 à 25 km/u. Dat is een snelheid waarvan verdachte weet dat die hoger is dan de in het Lesboek Rijopleiding van het GVB voorgeschreven snelheid van 15 km/u bij het inrijden van een wissel. Verdachte is gaan remmen op het moment dat de tram de verkeerde kant op ging. Daarna heeft hij pas de taxi gezien. Hij kon toen niet meer voorkomen dat de taxi tegen de tram is aangereden.5

Op verzoek van de verdediging is ter zitting van 14 februari 2020 deskundige W. van Voorst gehoord, werkzaam als Verkeers Ongevallenanalist bij het GVB. De deskundige heeft het rapport van het GVB opgesteld en is nader gehoord over de (hand)wissel, de snelheid van de tram en de Tram Waarschuwings Installatie (TWI) op de Stadionweg. Verdachte heeft verklaard dat hij vanwege de verstoring niet was geïnformeerd door het CCV over de stand van de wissel op de T-kruising. Hij wist daarentegen dat op de betreffende kruising een (hand)wissel lag en hij was bekend met het protocol voor trambestuurders dat zo’n wissel handmatig moet worden omgezet door de eerste trambestuurder die over de wissel gaat, nadat een voorgaande bestuurder de stand van de wissel heeft veranderd. De indicatiesnelheid van de tram is na een analyse van de camerabeelden berekend op ongeveer 32 km/u. Die snelheid is gemeten over een afstand van 130 meter, vanaf het eerste ijkpunt op de Stadionweg tot en met de wissel. Aangezien een tram vrij snel kan accelereren kan, aldus de deskundige, niet exact worden gezegd met welke snelheid de tram op welk gedeelte van het baanvak heeft gereden. Het betreft de gemiddelde snelheid van de tram op het gemeten traject. In het geval de TWI voor de richting waar de taxichauffeur reed had gewerkt dan had de taxichauffeur het waarschuwingslicht voor de afslaande tram moeten kunnen zien. Er zijn in de periode voorafgaand aan het verkeersongeval geen meldingen geweest dat de TWI niet heeft gewerkt. Dat is niet bijzonder omdat de tramlijn op de Herculesstraat alleen voor omleidingen werd gebruikt.

De taxichauffeur had een ontheffing om op de (lijn)busbaan te rijden. Tijdens het onderzoek direct na het ongeval heeft de politie geen onderzoek gedaan naar de werking van de TWI vanuit de rijrichting van de taxi. De getuige [getuige 1] heeft onder meer verklaard: “Ik reed over de Stadionweg en zag dat ik door een taxi die over de trambaan reed werd ingehaald. Ik zag dat de taxi rechtdoor wilde rijden bij de T-splitsing met de Herculesstraat. Ik zag dat er een tram aan kwam rijden en dat deze tram linksaf wilde slaan naar de Herculesstraat. Ik hoorde dat de tram zijn bel gebruikte, omdat de taxi rechtdoor reed. Ik heb gezien dat de tram de straat in reed en dat de taxi tegen de rechtervoorzijde van de tram is aangereden.” De getuige heeft niets verklaard over de TWI. Ook de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben het ongeval zien gebeuren vanuit de rijrichting van de taxi en hebben verder niets verklaard over de TWI.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, zoals primair is ten laste gelegd, overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (artikel 6 WVW). Hiervoor dient de rechtbank te beoordelen of het handelen van verdachte is aan te merken als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam. Subsidiair is aan de orde de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 WVW.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar zijn schriftelijke aantekeningen, naar voren gebracht dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen.

De officier van justitie komt tot een vrijspraak van artikel 6 WVW, omdat thans niet meer onomstotelijk kan worden vastgesteld of de TWI (zichtbaar voor de taxi) daadwerkelijk heeft gebrand. Bij die stand van zaken moet in het voordeel van verdachte worden geredeneerd dat de TWI heeft gebrand en de taxi daarmee een aanwijzing heeft verkregen dat de tram zou afslaan en ook voorrang had.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, aangevoerd dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat verdachte geen schuld heeft aan het ontstaan van de aanrijding. Ook van het subsidiair ten laste gelegde dient hij te worden vrijgesproken omdat er weliswaar een gevaarlijke situatie was, maar verdachte geen gevaar heeft veroorzaakt.

3.4.

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Artikel 6 WVW

Voor het bewijs van schuld aan een aanrijding in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, is vereist dat sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling daarvan komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Onvoldoende is de enkele omstandigheid dat verdachte de andere verkeersdeelnemer niet heeft gezien terwijl die voor verdachte wel zichtbaar moet zijn geweest.

Voor trambestuurders gelden op grond van artikel 18 lid 3 RVV afwijkende voorrangsregels. Op grond daarvan had de links afslaande tram op de T-kruising van de Stadionweg met de Herculesstraat voorrang op de rechtdoor gaande taxi. Dat verdachte daarbij onbedoeld is afgeweken van het normale traject van tramlijn 24 doet daaraan niet af. Dat geldt temeer aangezien het tegemoetkomende verkeer ter hoogte van de kruising voor de links afslaande tram wordt gewaarschuwd door de TWI.

De TWI was gesitueerd aan de rechter zijde van de rijbaan van de Stadionweg, ter hoogte van de T-kruising van de Stadionweg met de Herculesstraat, bestemd voor het verkeer in de richting van het Stadionplein. De verkeerslichten springen op rood en waarschuwen het verkeer voor een afslaande tram, een tram die vanuit tegengestelde richting van de Stadionweg afslaat in de richting van de Herculesstraat. Hoewel de taxi niet op de rechter rijbaan reed, maar op de daarnaast links gelegen trambaan, gaat de rechtbank ervan uit dat de TWI ook geldt voor het (taxi)verkeer op de trambaan.

Tijdens het onderzoek direct na het verkeersongeval heeft de politie geen onderzoek verricht naar de werking van de TWI. Onderzoek naderhand kan geen uitsluitsel meer geven of de TWI destijds heeft gewerkt. Bij gebreke van voldoende duidelijke aanwijzingen van het tegendeel, gaat de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening van uit dat de TWI destijds normaal heeft gefunctioneerd.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, net als de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat aan verdachte geen schuldverwijt in de zin van artikel 6 van de WVW kan worden gemaakt, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

3.4.2.

Artikel 5 WVW

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte gevaar of hinder heeft veroorzaakt, met name niet als ervan wordt uit gegaan dat de TWI wel heeft gewerkt, zodat verdachte ook van het subsidiair ten laste gelegde moet worden vrij gesproken. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Op verdachte rustte, als professioneel trambestuurder, een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot het in acht nemen van de geldende instructies en verkeersnormen. Hij wist dat er kort vóór de aanrijding een stremming was geweest die had geleid tot een omleiding ter hoogte van het oude eindpunt van lijn 24, vlak bij de plaats van de aanrijding. Ook wist hij dat de door hem bestuurde tram de eerste tram was die na de opheffing van de stremming op dat deel van de lijn reed. Voorts was hij bekend met de regel dat een met de hand gewijzigde wissel indien nodig door de eerstvolgende trambestuurder met de hand dient te worden teruggezet in de oorspronkelijke stand. Gelet hierop had verdachte rekening kunnen en moeten houden met de mogelijkheid dat de wissel op de kruising van de Stadionweg met de Herculesstraat naar links was gezet en dat hij deze terug zou moeten zetten naar ‘rechtdoor’ alvorens de wissel te passeren. Door in plaats daarvan en in strijd met geldende instructies met een snelheid van minimaal 20 à 25 km per uur, zonder snelheid te minderen, de wissel te naderen en zich niet tijdig te vergewissen van de stand van de wissel heeft verdachte gevaar veroorzaakt. Immers is hierdoor de tram plotseling en onverwacht, zonder richting aan te geven en met een te hoge snelheid linksaf geslagen wat mede heeft geleid tot de aanrijding met de tegemoet komende taxi. Daaraan doet niet af dat de taxibestuurder mogelijk door de TWI werd gewaarschuwd dat de tram linksaf zou gaan slaan. Verdachte wordt immers beoordeeld op zijn eigen verkeersgedrag en een fout van een andere weggebruiker is daarbij in beginsel niet relevant.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte gevaar heeft veroorzaak en dat hij zich dus heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde:

op 29 september 2017 te Amsterdam als professioneel verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een tram, in de hoedanigheid van personenvervoerder, daarmee rijdende over de Stadionweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Stadionweg, komende uit de richting van het Stadionplein, en gaande in de richting van het Olympiaplein,

- terwijl verdachte ter plaatse bekend was,

- terwijl de wissellamp de positie van de wisseltong ter plaatse weergaf,

- terwijl verdachte reed met een snelheid die te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en hoger dan de voorgeschreven snelheid bij het inrijden van een wissel te weten 15 kilometer per uur, aldus de ‘Module Algemeen van het Lesboek Rijopleiding’ en de door zijn werkgever, GVB, aan hem gegeven instructies,

verdachte heeft, gekomen bij de kruising met de Herculesstraat, in strijd met de ‘Module Algemeen van het Lesboek Rijopleiding’ en de door zijn werkgever, GVB, aan hem gegeven instructies zichzelf er onvoldoende van overtuigd dat de wisseltong goed in zijn, verdachtes, richting aansloot,

verdachte is vervolgens plotseling en onverwachts naar links afgeslagen, waardoor [slachtoffer 1] met zijn personenauto tegen de tram is aangereden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte dient te worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,00. Vanwege het tijdsverloop en de omstandigheid dat verdachte van het GVB een strafmaatregel heeft gehad, waardoor hij niet meer als trambestuurder op een tram mag rijden en de werkzaamheden van een conducteur moet verrichten, heeft de officier van justitie geen ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gevorderd.

7.2.

Het strafmaatverweer van de raadsman

De raadsman heeft aangevoerd, onder verwijzing naar zijn pleitnotities, dat verdachte geen documentatie heeft. Hij is door zijn werkgever geschorst vanaf het moment van de aanrijding tot 1 november 2017 en is sindsdien werkzaam als conducteur. Het trauma dat verdachte heeft overgehouden aan het ongeval staat in schril contrast met wat de slachtoffers is overkomen. Hij heeft zijn medewerking verleend aan een herstelbemiddelingstraject met de weduwe van de taxichauffeur en heeft vanaf het begin aangegeven graag in contact te komen met de slachtoffers. Verder dient rekening te worden gehouden met het tijdsverloop en dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om op zijn werk te komen. Verdachte heeft meermalen in de media moeten lezen dat hij al is veroordeeld voordat een proces heeft plaatsgevonden. Nu de slachtoffers en de nabestaande van slachtoffer [slachtoffer 1] te kennen hebben gegeven dat verdachte geen straf behoort te krijgen, verzoekt de raadsman over te gaan tot toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding, zoals hiervoor bewezen is verklaard, waarbij gevaar op de weg is veroorzaakt en de slachtoffers als gevolg van het verkeersongeval zwaar gewond zijn geraakt.

Artikel 5 van de WVW verbiedt gevaarlijk gedrag in het verkeer en de op te leggen straf dient dan ook met name gerelateerd te zijn aan de mate van gevaarzetting en niet aan de ernst van de gevolgen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte geen strafblad heeft, dat in de strafzaak sprake is van een groot tijdsverloop, alsmede dat verdachte ter zitting heeft laten blijken zich bewust te zijn van de vreselijke gevolgen voor de slachtoffers van het verkeersongeval. Hoewel uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring van onder meer E. [slachtoffer 3] duidelijk is geworden dat het ongeval het leven van de slachtoffers ingrijpend heeft veranderd, hebben de slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , alsmede de nabestaande van slachtoffer [slachtoffer 1] te kennen gegeven dat zij het de verdachte niet verwijten wat hun is overkomen en dat zij wensen dat aan hem geen straf zal worden opgelegd.

De rechtbank ziet echter in het gevaarzettende karakter van het handelen van de verdachte aanleiding om de verdachte toch een straf op te leggen. Wel zal de rechtbank de wens van de slachtoffers betrekken bij de aard en de hoogte van de op te leggen straf. De rechtbank acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde geldboete een passende sanctie.

De rechtbank overweegt tenslotte dat het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet mogelijk is op grond van het bepaalde in artikel 179 lid 2 juncto artikel 1 lid 1 sub c WVW.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 25 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en P.L.C.M. Ficq, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2020.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal Onderzoek plaats ongeval van 11 december 2017 (p. 19-47); De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 februari 2020.

3 Proces-verbaal van aanrijding van 26 mei 2018 (p. I-XII, in bijzonder p. IV); Geschriften, te weten een brief van het AMC traumachirurgie van 2 november 2017 ten name van [slachtoffer 1] (p. 118-120); aanvraagformulier medische indicatie van VU medisch centrum van 6 december 2017 ten name van [slachtoffer 2] (p. 111-112); een brief van VUmc poli traumachirurgie van 17 januari 2018 ten name van [slachtoffer 3] (p. 121-122).

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 februari 2020.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 september 2017 (p. 64-67); Proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2018 (p. 6); De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 februari 2020.