Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1220

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
13/183006-19 (zaak A); 13/184294-19 (zaak B); 13/741022-19 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geslaagd beroep op noodweer. Vrijspraak van mishandeling. Taakstraf van 60 uur m.a. voor aanwezig hebben drugs. Tul afgewezen want gelet op hoogte straf niet opportuun.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/183006-19 (zaak A); 13/184294-19 (zaak B); 13/741022-19 (TUL)

Datum uitspraak: 20 februari 2020

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 2000,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2020. Verdachte was hierbij niet aanwezig.

De rechtbank heeft de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht gevoegd. Deze zaken worden hierna zaak A en zaak B genoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Leeman, en van wat de gemachtigde raadsman, mr. T.G.M. Houben, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is –kort samengevat– ten laste gelegd dat hij

ten aanzien van zaak A:

samen met een ander of alleen een diefstal met geweld (primair), of een zware mishandeling (subsidiair), of een mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge (meer subsidiair) heeft gepleegd op 29 juli 2019;

ten aanzien van zaak B:

1,35 gram cocaïne en zeven pillen MDMA in bezit heeft gehad op 12 juli 2019.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Verdachte is op 12 juli 2019 aangehouden in de Sint Annenstraat (op de wallen) in Amsterdam met wikkels en een koker gevuld met drugs. Door de verbalisanten is waargenomen dat verdachte deze drugs aanbood aan voorbijgangers en hen vroeg of zij XTC wilden hebben. Uit het drugsrapport blijkt dat het om cocaïne en MDMA gaat.

Op 29 juli 2019 heeft er omstreeks 02:10 uur een vechtpartij plaatsgevonden op de Reguliersdwarsstraat in Amsterdam. Bij die vechtpartij waren aangever, verdachte en medeverdachten [naam 1] en [naam 2] betrokken. Zowel aangever als verdachte hebben daarbij letsel opgelopen. Aangever heeft een gescheurde mondhoek opgelopen en verdachte heeft een wond bij zijn oog. De aangever heeft verklaard te zijn geslagen en dat zijn ketting, pet, jas, tas en fiets zijn gestolen. Verdachte en medeverdachten werden die avond enkele minuten later door de politie aangetroffen in de Sint Jorisstraat . Bij hen lag een fiets op de grond. Ook lagen er een tas en een jas. De tas, jas en de fiets zijn teruggegeven aan aangever.

De rechtbank moet beoordelen of verdachte zich op 12 juli 2019 heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van harddrugs en of er op 29 juli 2019 sprake is geweest van een diefstal met geweld, een zware mishandeling of een mishandeling, al dan niet met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge.

3.2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het drugsbezit kan op grond van het procesdossier worden bewezen. Door verbalisanten is beschreven dat zij hebben gezien en gehoord dat verdachte mensen op straat actief heeft benaderd om drugs te verkopen. Vervolgens zijn bij hem drugs aangetroffen waarbij het, volgens het drugsrapport, om cocaïne en MDMA blijkt te gaan. Omdat verdachte de drugs actief heeft aangeboden aan anderen, is sprake van een dealerindicatie.

Ook de diefstal met geweld kan worden bewezen. In de aangifte is door aangever verklaard dat hij is geslagen en geschopt door meerdere mensen en dat zijn fiets, tas en pet zijn gestolen. Zijn fiets is met veel kracht uit zijn handen getrokken door medeverdachte [naam 2] en zij is met die fiets weggelopen. Bij een aanvullend verhoor wordt door hem verklaard dat twee weken eerder op de wallen hij ook ruzie heeft gehad met iemand die er nu ook bij was en dat ook zijn ketting en jas zijn gestolen. De verklaring van aangever wordt ondersteund door die van getuige [naam getuige] . Hij heeft gezien dat aangever in elkaar werd geslagen door de twee mannen en dat de fiets werd weggetrokken door de vrouw en dat zij vervolgens zijn weggerend.

Verdachten zijn in de naaste omgeving aangehouden, ter hoogte van het perceel aan de Sint Jorisstraat [nr] . Opvallend is dat de fiets bij hen op de grond ligt en de tas tussen hen in staat. Er is sprake geweest van een situatie van drie tegen één waardoor sprake is van diefstal met geweld in vereniging. Het primaire feit kan dus bewezen worden verklaard, in ieder geval ten aanzien van de fiets en de tas.

Indien de rechtbank daar niet in meegaat, dan kan gelet op het voorgaande de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling worden bewezen, met uitzondering van het bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel ten gevolge.’ Verdachte moet worden vrijgesproken van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Er is geen sprake geweest van een noodweersituatie. Er heeft een vechtpartij plaatsgevonden waarbij sprake is geweest van een drie tegen één-situatie. Er kan niet worden gesproken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte heeft de mogelijkheid gehad om zich van het gevecht te onttrekken en weg te lopen en daardoor is niet voldaan aan het vereiste van subsidiariteit.

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van het in zaak B ten laste gelegde. Verdachte heeft ook bekend dat hij die drugs voorhanden heeft gehad.

Verdachte moet worden vrijgesproken van het in zaak A ten laste gelegde. Van een diefstal met geweld in vereniging is geen sprake omdat het oogmerk om de spullen wederrechtelijk toe te eigenen ontbreekt. Dat de spullen in de nabijheid van verdachte en de medeverdachten zijn aangetroffen, is onvoldoende om van een diefstal te spreken. Ook is volgens vaste rechtspraak, gelet op het letsel van aangever en het feit dat een letselverklaring ontbreekt, geen sprake van een zware mishandeling. Ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet.

Verdachte moet ook worden vrijgesproken van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling. Zowel verdachte als de medeverdachten hebben eensluidend verklaard over de agressieve houding van aangever, waarbij zelfs zou zijn geprobeerd om te slaan met een lachgastank. Verdachte heeft verklaard zichzelf en zijn vriendin, medeverdachte [naam 2] , te hebben verdedigd. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van medeverdachten en het bij verdachte aangetroffen letsel. Dit scenario kan niet zonder meer worden uitgesloten zodat zijn lezing het voordeel van de twijfel dient te krijgen, zoals ook blijkt uit rechtspraak (Hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2018:3986). Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde eenvoudige mishandeling wordt daarom een beroep op noodweer gedaan.

Verdachte heeft zichzelf en zijn vriendin, medeverdachte [naam 2] , mogen verdedigen tegen de wederrechtelijke aanranding. Verdachte werd door aangever geslagen en aangever dreigde zijn vriendin te slaan met een lachgastank. Het duwen, trekken en slaan blijft binnen de grenzen van proportioneel handelen. Helemaal omdat aangever met een lachgastank om zich heen sloeg. Er bestond geen mogelijkheid voor verdachte om zich aan het gevecht te onttrekken, omdat hij niet alleen zichzelf verdedigde, maar ook zijn vriendin het mikpunt van geweld was. Verdachte heeft gehandeld uit noodweer en moet daarom worden vrijgesproken.

3.4

Oordeel van de rechtbank

Zaak B:

Het voorhanden hebben van harddrugs

Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van cocaïne en MDMA.

Zaak A:

Vrijspraak van de diefstal met geweld in vereniging

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld dat goederen wederrechtelijk zijn toegeëigend en overweegt daartoe het volgende.

Op 29 juli 2019 reageert de politie op de melding dat een man is bestolen van zijn lachgasfles in de Reguliersdwarsstraat. Volgens de bestolen man, aangever, zijn diens jas, tas, pet, ketting en fiets gestolen. Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij zag dat twee mannen aangever benaderden en dat het leek alsof zij elkaar kenden. Vervolgens zag hij dat de vrouw aan de fiets van de man trok en dat er een vechtpartij plaatsvond. [naam getuige] zag dat de vrouw de lachgastank wilde pakken. Toen de drie weg waren, zag hij dat aangever werd weggestuurd door een beveiliger.

Volgens verdachte herkende zijn vriendin de aangever en zijn zij daarom met hem gaan praten. Verdachte en medeverdachte [naam 2] hebben verklaard dat een beveiliger hen vervolgens duidelijk maakte dat zij daar weg moesten gaan. Omdat niemand luisterde, pakte [naam 2] de fiets van aangever om deze verderop neer te zetten. [naam 2] heeft verklaard dat zij dacht dat de rest ook zou volgen. Dit gebeurde, alleen werd aangever boos op haar omdat zij de fiets pakte. Tijdens de vechtpartij pakte aangever zijn lachgastank om daarmee te gaan slaan. [naam 2] wilde deze tank afpakken om te voorkomen dat er iemand met de tank werd geraakt. Nadat zij de lachgastank had afgepakt, zijn zij om de hoek gaan staan.

Verbalisanten die na de melding ter plaatse zijn gegaan zien verdachte en medeverdachte in de Sint Jorisstraat staan, een zijstraat van de Regulierdwarsstraat. Medeverdachte [naam 1] heeft verklaard dat de groep bleef staan toen zij de politie zagen, omdat zij toch niets te verbergen hadden. Naast hen ligt een fiets op de grond. Ook ligt er een tas en een jas. De drie verklaren niet dat de spullen van hen zijn. De fiets, tas en de jas zijn terug gegaan naar aangever. De pet en ketting zijn niet aangetroffen.

Hoewel aangever verklaart dat er spullen van hem zijn gestolen, bevat het dossier onvoldoende steun voor zijn aangifte. Geen van de spullen zijn onder verdachte of de medeverdachten aangetroffen. De enige spullen die zijn teruggevonden, te weten de fiets en de jas en tas, lagen op de grond in de buurt van verdachte en de medeverdachten, kort nadat het incident had plaats gevonden. Dit duidt er niet zonder meer op dat zij zich die spullen hadden toegeëigend of dat wilden doen. Ook uit de verklaring van [naam getuige] blijkt dat niet. Zijn verklaring dat de vrouw de lachgastank wilde pakken, is niet in tegenspraak met de verklaring van medeverdachte [naam 2] die naar eigen zeggen de tank immers wilde pakken om te voorkomen dat er iemand mee zou worden geraakt. Hierdoor is de waarneming van getuige [naam getuige] onvoldoende om het oogmerk tot het wederrechtelijke toe-eigening aan te kunnen nemen. Uit niets blijkt verder dat de verdachten de spullen wilden stelen. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van diefstal met geweld.

Vrijspraak van zware mishandeling

Met de officier van justitie en de raadsman acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Uit het procesdossier kan niet worden afgeleid dat aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit het procesdossier blijkt dat de wond is gehecht, maar een letselverklaring ontbreekt. Van verder medisch ingrijpen is niet gebleken. Aangever stelt dat er sprake is van een blijvend litteken, maar de foto’s van het letsel zijn niet duidelijk en niet blijkt wanneer deze foto’s zijn gemaakt. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling.

Vrijspraak van mishandeling

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en om die reden moet worden vrijgesproken van het meer subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Vast is komen te staan dat er op 29 juli 2019 een vechtpartij heeft plaatsgevonden op de Reguliersdwarsstraat in Amsterdam tussen aangever en verdachte, waarbij beiden verwondingen aan hun gezicht hebben opgelopen. Getuige [naam getuige] heeft hierover verklaard dat hij zag dat aangever in elkaar werd geslagen door twee mannen en dat de vrouw de lachgastank heeft afgepakt. Aangever heeft verklaard dat hij heeft gevochten en dat hij is geslagen.

Verdachte en de medeverdachten hebben verklaard dat aangever agressief werd en medeverdachte [naam 2] wilde slaan met een lachgastank. [naam 2] heeft verklaard dat aangever als een stier op haar afkwam, waarna verdachte tussenbeide kwam en zei: “Je gaat geen vrouwen slaan.” Op dat moment werd verdachte door aangever geslagen in zijn gezicht, waardoor de hechting in zijn wenkbrauw open ging. Toen ontstond de vechtpartij en wilde aangever gaan slaan met de lachgastank. Verdachte heeft verklaard ook te zijn geraakt door die lachgastank. [naam 2] heeft de lachgastank afgepakt om te voorkomen dat daarmee werd geslagen. Verdachte heeft verklaard uit zelfverdediging te hebben gehandeld.

De rechtbank constateert dat het procesdossier geen uitsluitsel geeft over de feitelijke toedracht van het incident. Zowel de verklaring van aangever, als die van verdachte, vinden op punten steun in getuigenverklaringen en de bevindingen van de verbalisanten. Daarnaast kan niet gezegd worden dat het bij aangever of bij verdachte aangetroffen letsel niet bij één van de scenario’s kan passen. De lezing van verdachte is voldoende aannemelijk en het tegendeel is onvoldoende gebleken uit het dossier. De rechtbank ziet daarom onvoldoende reden om de ene verklaring geloofwaardiger te achten dan de andere en is van oordeel dat verdachte daarom het voordeel van de twijfel moet worden gegeven.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat –uitgaande van de lezing van verdachte– de gedraging van aangever een dreigende ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding heeft opgeleverd waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Daarbij is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit omdat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich aan die dreigende aanranding heeft kunnen, en redelijkerwijs heeft moeten onttrekken. Het door verdachte toegepaste geweld (slaan en stompen) heeft daarnaast in redelijke verhouding gestaan tot de ernst van de dreigende aanranding (waaronder het slaan met een lachgastank), zodat ook is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit. Verdachte komt dus een gerechtvaardigd beroep op noodweer toe. Verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van het meer subsidiair ten laste gelegde.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde

op 12 juli 2019 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,35 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 7 pillen van een materiaal bevattende MDMA.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is gen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdche is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden met aftrek van voorarrest.

7.2.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, gelet op de door hem bepleite vrijspraken, de strafeis van de officier van justitie moet worden gematigd.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt het voorhanden hebben van cocaïne en MDMA. De rechtbank gaat daarbij uit van een dealerindicatie omdat het de bedoeling van verdachte was om deze drugs te verkopen, zodat hij eten kon kopen. De handel in drugs gaat veelvuldig gepaard met (zeer) gewelddadige criminaliteit en andere vormen van de maatschappij ondermijnende criminele activiteiten, zoals witwassen. Met zijn handelen heeft verdachte een rol gehad in die keten van de handel.

De rechtbank heeft gekeken naar het uittreksel van het strafblad van verdachte van 7 januari 2020 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Dit strafblad vormt dus geen reden om aan verdachte een hogere of lagere straf op te leggen.

De rechtbank houdt rekening met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) waarbij bij in de categorie voor een hoeveelheid tot tien gram een geldboete van zevenhonderdvijftig euro als uitgangspunt wordt gehanteerd. Omdat van een dealerindicatie wordt uitgegaan, vindt de rechtbank een geldboete niet passend en wordt aansluiting gezocht bij de eerstvolgende categorie, die ziet op een hoeveelheid van tien tot vijftig gram harddrugs, voor welke categorie een taakstraf van tachtig uur als uitgangspunt genoemd. Nu bij verdachte een relatief geringe hoeveelheid drugs is aangetroffen, (voor de totale hoeveelheid wordt uitgegaan van 4,85 gram, waarbij één pil gelijk staat aan 0,5 gram) zal de rechtbank de hoogte van de taakstraf iets matigen.

Gelet op het voorgaande, en gelet op het feit dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, acht de rechtbank een taakstraf van zestig uur, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden.

8 Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [naam benadeelde partij] heeft ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde een vordering ingediend van totaal € 3.125,-, bestaande uit € 875,- aan materiële- en

€ 2.250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het in zaak A ten laste gelegde, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

9 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken zit de op 10 september 2019 ontvangen vordering tenuitvoerlegging van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam. De officier van justitie vordert daarin de eerder in de zaak met parketnummer 13/741022-19 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken alsnog ten uitvoer te leggen, omdat verdachte zich binnen de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd.

De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat de vordering niet in persoon is betekend en daardoor niet kan worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk op de hoogte is geweest van de vordering tenuitvoerlegging. Wanneer de rechtbank van oordeel is dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is, moet de vordering worden afgewezen of moet de proeftijd worden verlengd omdat het niet opportuun is om verdachte nog twee weken gevangenisstraf te laten uitzitten terwijl het alleen gaat om het bezit van een kleine hoeveelheid drugs. Het gaat nu beter met verdachte. Hij heeft een baan en zijn thuissituatie is redelijk stabiel. Wanneer de proeftijd wordt verlengd, blijven de voorwaarden gelden als een stok achter de deur.

Anders dan de raadsman ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de vordering niet in persoon is betekend geen aanleiding om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Er is geen rechtsregel die daartoe noopt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank acht op dit moment het toewijzen van de vordering tenuitvoerlegging echter niet opportuun gelet op de straf die in dit vonnis aan hem zal worden opgelegd en de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak B tenlastegelegde:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uur. Wanneer verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, wordt vervangende hechtenis toegepast van 30 (dertig) dagen. De tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, zal bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering worden gebracht naar de maatstaf van twee uur per dag.

Verklaart [naam benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13/741022-19.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,

mrs. I. Mannen en A.A. Spoel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2020.