Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1130

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
27-02-2020
Zaaknummer
13/752148-19
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Duitsland - ter vervolging - genoegzaamheid van de stukken - gelijkstellingsverweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752148-19

RK nummer: 19/6843

Datum uitspraak: 13 februari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 december 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 20 november 2019 door het Amtsgericht Aachen (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedag] 1986 te [geboorteplaats]

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [plaats]

thans gedetineerd in het [plaats detentie] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. G.L.P. Biesmans, advocaat te Maastricht.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een op 15 november 2019 door het Amtsgericht Aachen uitgevaardigd arrestatiebevel met dossiernummer 622 Gs 1508/19 - 112 Js 618/19.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid

De raadsvrouw heeft ter zitting aangevoerd dat het EAB niet genoegzaam is aangezien er slechts bij het laatste feit is vermeld dat sprake is geweest van mededaderschap en dat bij de andere feiten de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon niet is vermeld. Op grond hiervan dient de overlevering te worden geweigerd, aldus de raadvrouw

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het EAB genoegzaam is. Uit de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verweten dat hij als lid van een bende betrokken is geweest bij het plegen van meerdere autodiefstallen. Deze feiten worden in het EAB gekwalificeerd als het misdrijf van gemeenschappelijke zware bendediefstal en het lijstfeit georganiseerde diefstal is aangekruist. Hiermee is voor de opgeëiste persoon duidelijk waarvoor zijn overlevering is gevraagd en kan het specialiteitsbeginsel worden gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:

Georganiseerde of gewapende diefstal

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 Artikel 6, vijfde lid, OLW

Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW en dat derhalve aan hem een terugkeergarantie moet worden vertrekt. De raadsvrouw heeft hiertoe een Informatiestaat SKDB-personen en een Uittreksel Justitiële Documentatie op naam van de opgeëiste persoon overgelegd.

Uit deze gegevens blijkt volgens de raadsvrouw dat hij gedurende de afgelopen vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft verbleven. Hij stond weliswaar de laatste 5 jaar niet onafgebroken ingeschreven, maar in de tijdvakken dat hij niet ingeschreven stond, verbleef hij in detentie. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat de opgeëiste persoon diep is geworteld in de Nederlandse maatschappij. Hij is hier geboren en heeft zijn hele leven in Nederland doorgebracht. Hij woont hier samen met zijn vriendin en haar twee kinderen.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, aangezien hij de afgelopen 5 jaar niet onafgebroken ingeschreven heeft gestaan in de Basisregistratie Personen en er ook geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat de afgelopen 5 jaar sprake is geweest van rechtmatig verblijf.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent hetgeen is aangevoerd als volgt.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6, vijfde lid, OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten dat:

1. de opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

2. er een vervolgingsmogelijkheid bestaat in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

3. ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank:

- een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger kan worden gelijkgesteld met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

- een duurzaam verblijfsrecht niet hoeft te worden aangetoond middels overlegging van een verblijfsdocument; dit kan ook door aan te tonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij aan deze materiële voorwaarden voldoet. Uit de stukken blijkt dat de periode van het verblijf van de opgeëiste persoon vanaf 2013 telkens is onderbroken doordat hij een aantal maal in detentie heeft verbleven. Dat de opgeëiste persoon in de periode voordien op enig moment is gaan voldoen aan de materiële voorwaarden voor het verkrijgen van een duurzaam verblijfsrecht, kan daarbij wegens het ontbreken van voldoende gegevens omtrent de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon in deze eerdere periode (bijvoorbeeld in de vorm van een afgeleid verblijfsrecht, of in verband met het verrichten van daadwerkelijke en reële arbeid) niet worden vastgesteld. Het beroep op gelijkstelling met een Nederlander wordt daarom verworpen.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Aachen (Duitsland).

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en M.J. Alink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 februari 2020.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.