Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1104

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
AMS 19/4573
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Waterschapswet. Geen overschrijding opbrengstlimiet ten aanzien van watersysteemheffingen en zuiveringsheffing. Overschrijding redelijke termijn met zes maanden voor rekening van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/4573

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk),

en

de heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.J. van Griethuysen).

Procesverloop

In het besluit van 15 juli 2017 (de aanslag) heeft verweerder aan eiseres een aanslag waterschapsbelasting 2017 opgelegd van in totaal € 216,47.

In een uitspraak op bezwaar van 2 maart 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen deze uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Deze rechtbank heeft op 10 mei 2019 uitspraak gedaan (zaaknummer AMS 18/1859). De rechtbank heeft het beroep van eiseres gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar van 2 maart 2018 vernietigd en verweerder opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

In de uitspraak op bezwaar van 30 juli 2019 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 20 februari 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De aanslag waterschapsbelasting 2017 is opgelegd voor het [object] te Amsterdam. Het object is eigendom van eiseres. De aanslag bestaat uit een watersysteemheffing ingezetenen (€ 108,34), een watersysteemheffing gebouwd (€ 55,48) en een zuiveringsheffing (€ 52,65).

2. In de bestreden uitspraak heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.

3. Eiseres betoogt in beroep, samengevat, dat de opbrengstlimiet van zowel de zuiveringsheffing als de watersysteemheffingen wordt overschreden en dat de aanslag om die reden moet worden vernietigd.

4. De rechtbank overweegt dat voor de stelplicht en bewijslast bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden de regels gelden zoals de Hoge Raad die heeft gegeven in zijn uitspraak van 4 april 2014.1 Daarin heeft de Hoge Raad de eerder door hem gegeven uitgangspunten gepreciseerd.

5. Als een belanghebbende aanvoert dat de geraamde baten de geraamde lasten ter zake hebben overschreden, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om inzicht te verschaffen in de ramingen. Dat kan op basis van een begroting, maar ook op basis van andere gegevens. Omdat de bewijslast van de feiten die overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen op de belanghebbende rust, dient de belanghebbende, nadat de heffingsambtenaar aldus inzicht heeft verschaft, voldoende gemotiveerd te stellen waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Uitsluitend wanneer de belanghebbende aan die stelplicht heeft voldaan, wordt van de heffingsambtenaar verlangd dat hij nadere inlichtingen verschaft.

6. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift (zonder enige onderbouwing) gesteld dat de geraamde totale opbrengst voor zowel de watersysteemheffing als voor de zuiveringsheffing de geraamde lasten overstijgt. Op de hoorzitting heeft eiseres een aantal vragen gesteld naar aanleiding van de door verweerder verstrekte begroting van het waterschap. In beroep heeft eiseres schriftelijk naar voren gebracht ten aanzien van de watersysteemheffingen – en bij wijze van subsidiair standpunt ook ten aanzien van de zuiveringsheffing – dat in de bestreden uitspraak niet is aangegeven welke uitgangspunten en verdeelsleutel(s) worden gehanteerd met betrekking tot personele lasten en dat in de bestreden uitspraak ook niet is ingegaan op de vraag van eiseres inzake overhead en de uitgangspunten bij de bepaling en verdeling daarvan.

7. Verweerder heeft in de bestreden uitspraak en in het verweerschrift verwezen naar de begroting van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht voor het jaar 2017 en specifieke delen uit die begroting. Verweerder heeft uitgelegd hoe de begroting en de daarin opgenomen programmabegroting ter zake van de geraamde lasten moet worden gelezen. Ook heeft verweerder aangegeven dat en waar de begroting een gedetailleerde uiteenzetting bevat van de uitgangspunten en kostentoerekening.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de door hem gegeven informatie en uitleg voldoende inzicht verschaft in de ramingen en het systeem van de heffingen. Eiseres heeft niet voldoende gemotiveerd gesteld waarom naar haar oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat de bestreden uitspraak voldoende is gemotiveerd. De begroting van het waterschap, waarnaar in de bestreden uitspraak is verwezen, geeft namelijk voldoende inzicht in de geraamde kosten en baten. Dat verweerder niet de volledige begroting bij de bestreden uitspraak heeft gevoegd, doet hieraan niet af, nu die begroting openbaar is en voor eiseres dus ook is te raadplegen.

9. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiseres nog aangevoerd dat ook de loonkosten zelf moeten worden onderbouwd en dat een dergelijke onderbouwing ontbreekt, evenals een onderbouwing van de verdeelsleutel voor die kosten. Verder klopt het volgens eiseres niet dat in de bestreden uitspraak staat dat er geen noemenswaardige kosten voor overhead zijn, omdat in de begroting kosten voor bestuur en externe communicatie zijn opgenomen.

10. Verweerder heeft in reactie hierop gesteld dat de onderbouwing van de loonkosten en de verdeelsleutel te vinden is in de begroting en de bijlage daarbij. Ook heeft verweerder verwezen naar specifieke pagina’s uit de begroting. De zinsnede in de bestreden uitspraak over de overhead was een reactie op de door eiseres in bezwaar gestelde vraag over de kosten van derden (Waternet), en dus niet over de kosten van het bestuur van verweerder.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres ook met haar stellingname op zitting, niet gemotiveerd gesteld waarom naar haar oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Dat betekent dat met betrekking tot de watersysteemheffingen het betoog van eiseres, dat sprake is van overschrijding van de opbrengstlimiet, faalt.

12. Met betrekking tot de zuiveringsheffing heeft eiseres – bij wijze van primair standpunt – aangevoerd dat uit de begroting blijkt dat de geraamde opbrengsten de geraamde kosten met € 325.000,- overschrijden. Dit bedrag is opgenomen als dotatie aan de tariefegalisatiereserve. Aangezien enige aansluiting bij voorgenomen (vervangings) investeringen of onderhoud ontbreekt, is volgens eiseres de opbrengstlimiet overschreden. Een dotatie mag namelijk niet de werking van een sluitpost hebben. Daarbij heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2019.2

13. Verweerder heeft gesteld dat de Waterschapswet een stelsel biedt van kostendekkendheid over meerdere jaren. De heffingen worden zo ingericht en van tarieven voorzien dat de kosten verbonden aan de behartiging van de taken van het waterschap in een meerjarenperspectief worden gedekt. In de inrichting en de tariefstelling zit tevens een component voor tariefsegalisatie. Met dotaties en onttrekkingen aan de reserve(s) worden tariefverschillen tussen afzonderlijke belastingjaren gedempt. De bestemming en het beoogde doel van de tariefsegalisatiereserve is dus uitsluitend die van tariefdemping. Ten slotte heeft verweerder gesteld dat de dotatie overigens slechts (afgerond) 0,38% is van de totale geraamde opbrengsten.

14. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat als gevolg van de dotatie van € 325.000,- aan de tariefsegalisatiereserve de geraamde opbrengsten de geraamde kosten overschrijden. Uit artikel 4.52 van het Waterschapsbesluit volgt namelijk dat een waterschap een bestemmingsreserve voor tariefsegalisatie op de balans mag plaatsen. Deze reserve dient ertoe om ongewenste schommelingen op te vangen in de belastingtarieven. De uitspraak van de Hoge Raad waarnaar eiser heeft verwezen, zag op een andere situatie en mist daarom toepassing. Dat het Waterschap in dit geval een (beperkte) bestemmingsreserve in de vorm van de tariefsegalisatiereserve op de balans heeft staan, komt daarom niet in strijd met de opbrengstlimiet.

15. De conclusie is dat ook ter zake van de zuiveringsheffing de opbrengstlimiet niet is overschreden.

16. De door eiseres aangevoerde beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren.

Het verzoek om schadevergoeding

17. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

18. Verweerder heeft gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn enkel en alleen aan de werkwijze en de procesgang van (de gemachtigde van) eiseres te wijten is. Volgens verweerder kan eiseres overigens onmogelijk beweren dat zij in grote onzekerheid heeft verkeerd gedurende de procedure.

19. Voor het toetsingskader van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016.3

20. De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepsprocedure sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelduur te rechtvaardigen.

21. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 22 augustus 2017 tot de datum van deze uitspraak zijn twee jaar en bijna zes maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met (afgerond) zes maanden. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

22. Over verweerders argument dat eiseres niet in grote onzekerheid heeft verkeerd gedurende deze procedure overweegt de rechtbank als volgt. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Eiseres hoeft dit dan ook niet aannemelijk te maken. Van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. In zoverre faalt verweerders argument.

23. Vervolgens is de vraag of de overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend aan de bestuurlijke fase of aan de rechterlijke fase. In dit geval heeft de vernietiging van de uitspraak op bezwaar van 2 maart 2018 door de rechtbank geleid tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar. In zo’n geval wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend, tenzij in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd. De rechtbank is in deze procedure steeds binnen de toegestane behandelingsduur van anderhalf jaar gebleven. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval volledig moet worden toegerekend aan de bestuurlijke fase. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de overschrijding aan de werkwijze van (de gemachtigde van) eiseres te wijten is. Verweerder had immers in de uitspraak op bezwaar van 2 maart 2018 het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, hetgeen een hernieuwde behandeling in bezwaar noodzaakte. Dat is de belangrijkste reden dat de procedure te lang heeft geduurd.

24. Het voorgaande betekent dat eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Verweerder zal tot betaling hiervan worden veroordeeld. Anders dan eiseres heeft gesteld, is er geen grond om drie keer (voor elke afzonderlijke heffing die in de aanslag is opgenomen) schadevergoeding toe te kennen. Ook de door eiseres genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2016 biedt voor een dergelijke benadering geen steun.

Griffierecht en proceskosten

25. Gelet op de veroordeling tot het betalen van schadevergoeding is er aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoedt. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Hoge Raad van 20 maart 2015 en 19 februari 2016.4

26. Daarnaast is er aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5). Aangezien verweerder uitsluitend wordt veroordeeld in de proceskosten in verband met de toekenning van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn hanteert de rechtbank een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 0,5.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, rechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier, op 21 februari 2020.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

1 ECLI:NL:HR:2014:777.

2 ECLI:NL:HR:2019:1424.

3 ECLI:NL:HR:2016:252.

4 ECLI:NL:HR:2015:660 en ECLI:NL:HR:2016:252.