Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1099

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
<7577995 \ CV EXPL 19-5191>
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid voor geleden schade aan pand en geldautomaten ten gevolge van plofkraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer \ rolnummer: 7577995 CV EXPL 19-5191

Uitspraak: 14 februari 2020

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: Vesting Finance,

t e g e n

1 [gedaagde 1] ,

wonende te Amsterdam,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

wonende te Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H. Loonstein.

Partijen worden hierna aangeduid als ING en [gedaagden] c.s. (in mannelijk enkelvoud) of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] afzonderlijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 5 juli 2019, met de daarin genoemde processtukken,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens verzet tegen wijziging c.q. vermeerdering van eis, met producties,

  • -

    het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 16 augustus 2019, waarin de zaak is verwezen naar repliek,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagden] c.s. heeft in ’s-Hertogenbosch op 19 februari 2015 een zogenoemde “plofkraak” gepleegd door twee geldautomaten met behulp van explosief materiaal te laten ontploffen.

2.2.

Bij vonnissen van 7 september 2015 is [gedaagden] c.s. (afzonderlijk) door de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant schuldig bevonden aan diefstal met braak door twee of meer verenigde personen. In de vonnissen is vermeld dat de pinautomaten door de ontploffingen volledig zijn verwoest. [gedaagden] c.s. is tegen de vonnissen niet in hoger beroep gegaan.

2.3.

Op 3 juni 2016 heeft ING [gedaagden] c.s. schriftelijk (hoofdelijk) aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de plofkraak.

2.4.

In het procesdossier is een door Ident Projects (hierna: Ident) aan ING verstuurde factuur opgenomen met een totaalbedrag van € 8.505,54 (incl. BTW).

3 Het geschil

3.1.

ING vordert, na vermeerdering van eis, dat [gedaagden] c.s. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis hoofdelijk zal worden veroordeeld tot betaling van € 25.000, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

ING stelt daartoe - kort gezegd - dat [gedaagden] c.s. door het plegen van de plofkraak onrechtmatig heeft gehandeld jegens ING en dat daardoor schade is ontstaan aan zowel de geldautomaten als aan het pand waaraan de geldautomaten waren bevestigd. [gedaagden] c.s. dient deze schade te vergoeden, aldus ING.

3.3.

[gedaagde 2] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op het bepaalde in artikel 140 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zal het vonnis in deze procedure ook ten aanzien van de niet verschenen gedaagde [gedaagde 1] , tegen wie verstek is verleend, als een vonnis op tegenspraak worden beschouwd.

4.2.

[gedaagde 2] heeft allereerst bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van ING. Hij heeft daartoe aangevoerd dat ING in de dagvaarding reeds afstand heeft gedaan van de mogelijkheid tot eisvermeerdering, dat de benaming van het processtuk waarin zij haar eis heeft vermeerderd onjuist is en dat de vermeerdering van eis niet is gemotiveerd. Dit alles brengt met zich dat de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde, aldus [gedaagde 2] .

4.3.

De kantonrechter volgt [gedaagde 2] niet in dit betoog. Artikel 130 Rv bepaalt dat zolang nog geen eindvonnis is gewezen, de eiser bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. De enkele omstandigheid dat ING haar eis heeft vermeerderd bij de conclusie van antwoord in het incident (hierna: de conclusie) en dat niet expliciet in de kop van deze conclusie heeft vermeld, maakt nog niet dat sprake is van strijd met de goede procesorde. De vermeerdering van eis is in de tekst van de conclusie duidelijk tot uitdrukking gebracht en [gedaagde 2] heeft daarop vervolgens ook gereageerd. Niet is gebleken dat [gedaagde 2] door de onvolledige benaming van de conclusie in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Ook de omstandigheid dat de eisvermeerdering niet nader is gemotiveerd, maakt niet dat sprake is van strijd met de goede procesorde. De door ING ingestelde vordering en de rechtsgronden daarvan zijn na de vermeerdering van eis in principe ongewijzigd gebleven. Bij dagvaarding was de totale schade door ING immers reeds begroot op € 31.079,54. De vermeerdering van eis is feitelijk niet meer dan een verhoging van het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 12.500 tot € 25.000. Daarom behoeft de eisvermeerdering geen nadere motivering. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 2] niet is bemoeilijkt in zijn verdediging en de procedure door de eisvermeerdering ook geen onredelijke vertraging heeft opgelopen, zodat ING niet heeft gehandeld in strijd met de goede procesorde. De eisvermeerdering zal daarom worden toegestaan.

4.4.

Door [gedaagde 2] is verder nog aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld of de conclusie bevoegdelijk is ondertekend, omdat niet bekend is gemaakt welke natuurlijke persoon (van de gemachtigde rechtspersoon) voor ING zou optreden. Dit zou, aldus [gedaagde 2] , moeten leiden tot nietigheid van de dagvaarding en/of niet-ontvankelijkheid van ING, althans in ieder geval tot afwijzing van de conclusie. Nu echter niet is onderbouwd, noch is gebleken dat [gedaagde 2] hierdoor enig nadeel heeft ondervonden, gaat de kantonrechter aan dit verweer voorbij.

4.5.

ING heeft gesteld dat [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk is voor de door ING geleden schade op grond van onrechtmatige daad. Door [gedaagde 2] is niet betwist dat als gevolg van zijn gedragingen schade is ontstaan aan het pand en de geldautomaten. Hij heeft echter aangevoerd dat deze schade niet door ING kan worden gevorderd, omdat zij geen eigenaresse is van het pand en de geldautomaten.

4.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter is beantwoording van de vraag aan wie de eigendom van het pand en/of de geldautomaten toebehoort, voor de beoordeling van dit geschil niet van belang. Vast staat dat, nu [gedaagden] c.s. dat niet gemotiveerd heeft betwist, alle door de plofkraak veroorzaakte kosten voor rekening van ING zijn gekomen. Daarmee is ING de partij die de door de plofkraak veroorzaakte schade heeft geleden, zodat, voor zover het toewijsbare schade betreft, deze ook aan ING zal moeten worden vergoed. Of de verschillende door ING gestelde schadeposten voor toewijzing in aanmerking komen, zal hieronder worden beoordeeld.

4.7.

Het door ING begrote schadebedrag van € 31.079,54 is opgebouwd uit drie componenten. Allereerst heeft ING een bedrag van € 8.505,54 gevorderd aan onderzoekskosten. [gedaagde 2] heeft hiertegen aangevoerd dat niet is vast te stellen of deze aan hem kunnen worden toegerekend, omdat uit de onder 2.4 genoemde factuur niet blijkt waarop deze kosten betrekking hebben. ING heeft vervolgens (nogmaals) bij conclusie van repliek toegelicht waaruit deze kosten bestaan, onder andere door de onderliggende facturen en werkbonnen over te leggen. [gedaagde 2] heeft daarop aangevoerd dat deze onderliggende facturen niet aan ING zijn geadresseerd en dat de gefactureerde bedragen niet overeenstemmen met het bedrag dat Ident bij ING in rekening heeft gebracht.

4.8.

Dat de onderliggende facturen niet zijn geadresseerd aan ING maakt niet dat deze kosten uiteindelijk niet voor rekening van ING zijn gekomen. Uit de onderliggende facturen en werkbonnen blijkt dat Ident de schade in opdracht van ING heeft laten herstellen door verschillende andere (gespecialiseerde) bedrijven, dat deze bedrijven hun werkzaamheden aan Ident hebben gefactureerd en dat Ident deze kosten vervolgens bij ING in rekening heeft gebracht. De door Ident bij de onder 2.4 genoemde factuur aan ING in rekening gebrachte bedragen komen overeen met de door ING handgeschreven bedragen op de stempels van de onderliggende facturen van de bedrijven die de werkzaamheden hebben verricht. Bij deze stand van zaken heeft ING voldoende onderbouwd gesteld dat de gevorderde kosten van Ident voor haar rekening zijn gekomen en heeft [gedaagden] c.s. dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Het gevorderde bedrag van € 8.505,54 wordt dan ook toegewezen.

4.9.

ING heeft verder nog een bedrag gevorderd van € 20.414 aan kosten voor twee nieuwe geldautomaten. Door [gedaagde 2] is aangevoerd dat deze schade niet kan worden toegewezen, omdat ING onvoldoende heeft onderbouwd dat de twee oude geldautomaten niet meer konden worden gerepareerd. Uit de onder 2.2 genoemde vonnissen blijkt echter dat de geldautomaten door de plofkraak volledig waren verwoest. Dit verweer van [gedaagde 2] treft dan ook geen doel, zodat ook het door ING gevorderde bedrag van € 20.414 kan worden toegewezen.

4.10.

Tot slot heeft ING een bedrag van € 2.160 gevorderd voor de afhandelingskosten van de riskcoördinator. Ook over de toewijsbaarheid van deze door ING gestelde schade wordt door partijen getwist. Nu de onder 4.8 en 4.9 toegewezen bedragen het door ING gevorderde bedrag van € 25.000 overstijgen, behoeft onderhavige schadepost geen beoordeling meer. Aan ING wordt in totaal toegewezen een bedrag van € 25.000.

4.11.

De wettelijke rente is door [gedaagde 2] niet betwist, zodat deze wordt toegewezen zoals gevorderd.

4.12.

De vordering tegen gedaagde [gedaagde 1] zal worden toegewezen, omdat deze vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

4.13.

[gedaagden] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van ING tot op heden begroot op:

107,11

aan explootkosten

486,00

aan griffierecht

960,00

aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 480)

1.553,11

totaal

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, aan ING een bedrag te betalen van € 25.000 (vijfentwintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 5 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 1.553,11,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis aan de zijde van ING ontstane nakosten, begroot op € 120 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en [gedaagden] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68 aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, kantonrechter, bijgestaan door
mr. L. Goris, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2020.

De griffier De kantonrechter

De griffier is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.