Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2020:1097

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
27-02-2020
Zaaknummer
Parketnummer 13/751297-19
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Bulgaars EAB. Verzetgarantie voldoet aan eisen art. 12 sub d OLW. Bulgaarse OvJ bevoegd EAB uit te vaardigen, evenredigheidstoets door rechter ook igv niet onherroepelijk vonnis. Oordeel over detentieomstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751297-19

RK nummer: 19/5334

Datum uitspraak: 11 februari 2020

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 september 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 27 december 2018 door Sofia City Prosecutor’s Office (Bulgarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:

[adres 1] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 januari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T. Korff, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Bulgaarse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een enforceable judgement, sentence no. 72 of 16 March 2017 under public criminal case no. 43/17 of the Sofia City Court, criminal division, 24th formation.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 7 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij e-mail van 2 oktober 2019 het volgende verklaard:

Under article 423 par. 1 of the Penal Procedure Code mr. [opgeëiste persoon] has the unconditional right to request a retrial based on the fact alone that he was absent during the proceedings. The request should be filed no later than 6 months after mr. [opgeëiste persoon] becomes aware of the sentence or after he is surrendered to the Bulgarian authorities.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft ter zitting gesteld dat deze garantie te algemeen is geformuleerd. Het recht hebben om een nieuw proces te verzoeken, betekent niet dat zo’n verzoek ook zal worden gehonoreerd, aldus de raadsvrouw.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzetgarantie van 2 oktober 2019, in combinatie met punt 3.4 onder d in het EAB voldoende is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – met de officier van justitie en anders dan de verdediging – van oordeel dat de verzetgarantie voldoet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW. Zij leest in de verklaring een onvoorwaardelijke mogelijkheid van een nieuw proces. De in dit artikel bedoelde weigeringsgrond is derhalve niet van toepassing.

4 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Diefstal

5 De bevoegdheid van de Bulgaarse officier van justitie

In het onderhavige geval betreft het een EAB ten behoeve van uitvoering van een straf. In dat kader refereert de rechtbank aan een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) dat op 12 december 2019 is gewezen1 en waarin onder meer het volgende is overwogen.

(…)

33 Anders dan het geval was in de situaties die hebben geleid tot de arresten van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456), en 27 mei 2019, PF (Procureur-generaal van Litouwen) (C‑509/18, EU:C:2019:457), die betrekking hadden op Europese aanhoudingsbevelen die waren uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, heeft het hoofdgeding in casu betrekking op een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op uitvoering van een straf.

34 Aan een dergelijk bevel ligt, zoals blijkt uit artikel 8, lid 1, onder c) en f), van kaderbesluit 2002/584, een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis ten grondslag, waarbij de betrokken persoon een vrijheidsstraf wordt opgelegd en waarmee het vermoeden van onschuld van deze persoon is weerlegd in een gerechtelijke procedure die moet voldoen aan de vereisten van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten.

35 In een dergelijke situatie wordt de rechterlijke toetsing waarnaar wordt verwezen in punt 75 van het arrest van 27 mei 2019, OG en PI (Openbaar ministerie van Lübeck en van Zwickau) (C‑508/18 en C‑82/19 PPU, EU:C:2019:456), en die tegemoetkomt aan de behoefte om effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen aan de persoon die wordt gezocht op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op uitvoering van een straf, verwezenlijkt middels het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis.

36 Gelet op het bestaan van een eerdere gerechtelijke procedure waarin uitspraak is gedaan over de schuld van de gezochte persoon kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit immers ervan uitgaan dat de beslissing om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen met het oog op de uitvoering van een straf voortvloeit uit een nationale procedure waarin de persoon jegens wie een voor uitvoering vatbaar vonnis is gewezen, alle waarborgen heeft genoten waarmee het vaststellen van dergelijke beslissingen is omgeven, met name die welke voortvloeien uit de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen als bedoeld in artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584.

37 Daarenboven voorzien de bepalingen van kaderbesluit 2002/584 zelf reeds in een procedure conform de vereisten van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, onafhankelijk van de wijze waarop de lidstaten het kaderbesluit uitvoeren (arrest van 30 mei 2013, F, C‑168/13 PPU, EU:C:2013:358, punt 47).

38 Wanneer een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd met het oog op de uitvoering van een straf, vloeit de evenredigheid ervan bovendien voort uit de uitgesproken veroordeling, die blijkens artikel 2, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 moet bestaan uit een straf of een maatregel met een duur van ten minste vier maanden.

(…)

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat in casu sprake is van een andere situatie als waar het HvJ over heeft geoordeeld. Er is namelijk sprake van een mogelijkheid tot een nieuw proces, zodat het vonnis dat aan het EAB ten grondslag ligt niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid van een nieuw proces niet wegneemt dat er een vonnis is gewezen, zodat ook in dit geval de evenredigheid van het EAB door een rechter is getoetst.

Het oordeel van de rechtbank

De stelling van de raadsvrouw, dat het ten grondslag liggende vonnis nog niet voor tenuitvoerlegging vatbaar is, is op zichzelf juist. De rechtbank is echter met de officier van justitie en onder verwijzing naar haar uitspraak van 7 januari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:54) van oordeel dat dit niet wegneemt dat ook in dat geval een effectieve rechterlijke bescherming is gewaarborgd. Een rechter heeft immers schuld vastgesteld en de evenredigheid getoetst.

Het verweer wordt verworpen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Bulgaarse officier van justitie bevoegd is om het EAB uit te vaardigen.

6 Detentieomstandigheden

Het standpunt van de verdediging

Ter zitting heeft de raadsvrouw van de opgeëiste persoon zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in Bulgarije onder de maat zijn. Zij heeft gerefereerd aan informatie van de Bulgaarse autoriteiten waarin deze meedelen dat de opgeëiste persoon na overlevering in de gevangenis van Sofia zal worden geplaatst of een nevenvestiging, waar geen overbevolking is en gedetineerden over ten minste 4 m2 celruimte beschikken. De raadsvrouw vindt dit te summier, temeer omdat niet duidelijk is of dit in- of exclusief sanitaire voorziening is. Bovendien dienen ook andere detentieomstandigheden meegewogen te worden bij de beoordeling of sprake is van gevaar voor onmenselijke behandeling. Het gaat dan om ventilatie, temperatuur en sanitaire omstandigheden, hierover is volgens de raadsvrouw niets bekend. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het volgens haar Bulgaarse confrère goed mogelijk is dat de opgeëiste persoon na overlevering in een huis van bewaring zal worden geplaatst en niet in een gevangenis.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt de aanvullende informatie duidelijk genoeg. Het aantal gedetineerden wordt per locatie genoemd en dat is telkens minder dan de capaciteit. Er is dan ook geen sprake van overbevolking. Daarnaast is beschreven waar de cellen aan voldoen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in eerdere zaken op grond van het Public statement van het ‘European Committee for the Prevention of Torture ans Inhuman or Gegrading Treatment or Punishment’ (hierna CPT) van 26 maart 2015 geoordeeld dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie: Aranyosi en Căldăraru, HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90).

Het CPT-rapport van 4 mei 2018 naar aanleiding van bezoeken tussen 25 september 2017 en 6 oktober 2017 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In dit rapport worden wel verbeteringen aangekondigd in de gevangenis van Sofia.

Bij schrijven van 24 oktober 2019 laten de Bulgaarse autoriteiten weten dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst in de gevangenis van Sofia of een van haar onderdelen. In de brief wordt geen onderscheid gemaakt tussen de gevangenis van Sofia (hierna: de gevangenis) en het huis van bewaring van Sofia aan de [adres 2] (hierna: het huis van bewaring). Nu de raadsvrouw onderbouwd heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon mogelijk in het huis van bewaring zal worden geplaatst, de brief dit niet uitsluit en de officier van justitie het niet heeft betwist, zal de rechtbank de detentieomstandigheden in beide inrichtingen beoordelen. Zij gaat er daarbij van uit dat de brief van 24 oktober 2019, die vermeldt dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in de gevangenis van Sofia of een van haar ‘subisidiaries’, beide inrichtingen betreft.

De belangrijkste kritiekpunten over de gevangenis en het huis van bewaring in het CPT-rapport van 4 mei 2018 zijn:

  • -

    beide instellingen worden geplaagd door grote hoeveelheden bedluizen;

  • -

    in de gevangenis wordt de norm van 4 m2 per gevangenen niet gehaald; op verschillende afdelingen overtreffen de aantallen gedetineerden de capaciteit; de cellen zijn oud en vochtig en hebben onvoldoende daglicht en ventilatie;

  • -

    in het huis van bewaring zijn vijfpersoonscellen van 15 m2 waarvan twee vierkante meter niet bruikbaar; deze worden doorgaans bezet door 3 tot 4 personen; er is onvoldoende daglicht en ventilatie en de wc is niet afgeschermd van de rest van de cel;

  • -

    de herinrichting van de gevangenis en het huis van bewaring verloopt traag;

  • -

    inter prisoner violence in zowel de gevangenis als het huis van bewaring ‘remains a serious problem’, dit wordt door de leiding van deze inrichtingen ook erkend. Onderdeel van dit probleem is dat gedetineerden verantwoordelijk worden gesteld voor het toezicht op hun medegedetineerden;

  • -

    in de gevangenis wordt gezag uitgeoefend door ambtenaren van het ministerie van justitie die niet vallen onder het bestuur van de gevangenis; ook dit doet volgens het CPT afbreuk aan de veiligheid van gedetineerden.

Volgens de brief van 24 oktober 2019 zal de opgeëiste persoon na zijn overlevering beschikken over tenminste 4 m2 ‘personal space’. De aantallen gedetineerden per locatie zijn genoemd en die aantallen zijn lager dan de capaciteit. De cellen beschikken over sanitaire voorzieningen, daglicht en ventilatie. Dagelijks wordt de gelegenheid geboden om naar buiten te gaan. De gedetineerden kunnen gebruik maken van een sportzaal en een bibliotheek. Maatregelen zijn getroffen ter voorkoming van geweld.

De rechtbank acht deze informatie voldoende duidelijk. De brief gaat niet op alle kritiekpunten in het CPT-rapport van 4 mei 2018 in, dus het valt niet uit te sluiten dat de beide inrichtingen nog niet op alle onderdelen aan de door het CPT gestelde eisen voldoen. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat de detentieomstandigheden zodanig slecht zijn dat schending van fundamentele rechten dreigt. De slotsom is dan ook dat voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar bestaat dat hij onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Sofia City Prosecutor’s Office (Bulgarije).

Aldus gedaan door

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mrs. H.J. Fehmers en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2020.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 C-627/19 PPU