Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:998

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
13/665322-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor o.a. diefstal uit woning door middel van braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665322-18 (Promis)

Datum uitspraak: 15 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995 ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , gedetineerd in [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Zetsma en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.A.Th. Lemmers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort gezegd – na wijziging op de zitting van 22 november 2018 – ten laste gelegd dat

onder feit 1: hij zich op 7 juli 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het al dan niet met anderen plegen van een woninginbraak;

onder feit 2: hij zich in de periode van 7 juli 2018 tot en met 12 juli 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of België, heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van goederen afkomstig uit eigen misdrijf;

onder feit 3: hij zich op 20 augustus 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van [naam hoofdagent] ;

onder feit 4: hij zich op 3 juli 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een inbraak;

onder feit 5: hij zich op 3 juli 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan vernieling;

onder feit 6: hij zich in de periode van 16 augustus 2018 tot en met 20 augustus 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van [naam officier van justitie] .

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Bevoegdheid tot kennisneming van het ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat de rechtbank onbevoegd is tot kennisneming van de feiten voor zover die in België zijn begaan.

De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 2 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK6328) zich uitgelaten over de vraag of sprake is van rechtsmacht voor een feit begaan in het buitenland als in de tenlastelegging van dat feit zowel Nederland als een ander land als pleegplaats zijn genoemd. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak hierover het volgende overwogen:

“2.4. Ingevolge art. 2 Sr is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (vgl. HR 27 oktober 1998, LJN ZD1413, NJ 1999, 221).”

Op grondslag van de tenlastelegging, die - zoals hiervoor onder 2 is weergegeven - inhoudt dat de gedragingen behoudens te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tevens in België zijn begaan, komt de rechtbank tot het oordeel dat de Nederlandse strafwet daarop van toepassing is. De rechtbank verwerpt daarom het verweer en acht zich bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.

Verder is de dagvaarding geldig en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten bewezen moeten worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte bekent de feiten 3 en 6. Over feit 2 heeft hij verklaard dat het onder hem inbeslaggenomen geld zijn spaargeld betrof. Ten aanzien van de overige feiten heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. De raadsvrouw heeft geen opmerkingen over feiten 1, 4 en 5. Ten aanzien van feiten 3 en 6 heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder de uitlatingen zijn gedaan en met het feit dat verdachte zijn spijt heeft betuigd.

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Feiten 1 en 2

Op 7 juli 2018 is er ingebroken in de woning van [benadeelde partij] en [benadeelde partij] te [woonplaats] , waarbij volgens hun aangifte veel goederen, waaronder een kluis, juwelen van hoge waarde en geldbedragen van verschillende valuta (Euro’s, Marokkaanse Dinars en Arabische Emiraten Dinars), zijn weggenomen. Het raam van het washok was geforceerd.2 Op de camerabeelden rondom de woning is te zien dat de dader om 20:16 uur de zijdeur van de tuin opent.3 De dader is rokend in de tuin te zien.4 Om 20:37 uur is hij zichtbaar in de woning van aangevers.5 Om 21:02 uur verlaat de dader de woning via de tuin. Om 21:07 uur komt de dader met een tweede persoon terug en loopt wederom de tuin in. Zij lopen vervolgens samen richting het Vondelpark.6 Enkele minuten later lopen zij uit de richting van het Vondelpark en tillen zij samen een voorwerp, dat in een zwarte Fiat 500 wordt geladen. Beide personen stappen in de auto aan de passagierszijde. Vervolgens rijdt de Fiat weg.7

Aangevers hebben de camerabeelden gedeeld via de landelijke media. Hierop hebben zich drie tipgevers gemeld die verdachte hebben herkend als dader op de camerabeelden.8 Daarnaast hebben twee verbalisanten verdachte herkend als dader op de camerabeelden.9 De tweede persoon is door drie verbalisanten herkend als zijnde [medeverdachte] .10 Verder is er een sigarettenpeuk aangetroffen in de tuin van aangevers.11 Op deze peuk is een match met het DNA-profiel van verdachte aangetroffen.12

Op het moment van zijn aanhouding was de verdachte in het bezit van een Iphone met IMEI-nummer eindigend op * [nummer] .13 In het telefoontoestel met voornoemd IMEI-nummer was in de periode van 5 juni 2018 tot en met 13 juli 2018 het telefoonnummer eindigend op * [nummer] geplaatst. 14 Uit de verkregen verkeersgegevens heeft de politie vastgesteld dat het toestel met IMEI-nummer * [nummer] en telefoonnummer * [nummer] voor zijn telefonische contacten op 7 juli 2018 tussen de tijdstippen 19.45.35 uur en 21.04.35 uur uitsluitend gebruik heeft gemaakt met zendmasten die zijn geplaatst binnen het bereik van de plaats delict.15

Bij de aanhouding van verdachte in België op 12 juli 2018 zijn onder andere een Rolex Horloge Oyster Perpetual, een geldbedrag van € 10.031,50, een geldbedrag van 1.730 Marokkaanse Dinars en 335 Arabische Emiraten Dinars onder hem inbeslaggenomen.16 De Rolex is door aangevers herkend als zijnde weggenomen bij de inbraak.17

Feiten 4 en 5

Op 3 juli 2018 is er tussen 12:40 uur en 20:30 uur ingebroken in een hotelkamer van het Stayokay hotel te Amsterdam, waar aangeefster [naam] verbleef. Het raam was geforceerd. Er zijn verschillende goederen weggenomen, waaronder twee tassen.18 Op camerabeelden van het hotel is te zien dat er op 3 juli 2018 om 16:08 uur een onbekende man in beeld komt die opvallend gedrag vertoont. Hij loopt heen en weer, gaat op een stenen muurtje zitten, loopt weg, komt een minuut later weer terug en loopt een minuut later weer het Vondelpark in. Om 16:31 uur komt de man weer door de poort van het Vondelpark teruggelopen. Om 16:37 uur is te zien dat hij hard rent. De man draagt een rugzak op zijn rug en heeft nog een extra tas bij zich.19 Zeven verbalisanten hebben verdachte herkend als de persoon op de camerabeelden.20

4.3.2

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht op grond van de aangifte, de camerabeelden, de herkenningen, de telecommunicatiegegevens en het DNA-onderzoek bewezen dat verdachte samen met een ander de inbraak heeft gepleegd.

De rechtbank is op grond van de onder 4.3.1 genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte] de buit in de auto heeft geladen en samen is weggereden. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] .

Ten aanzien van de weggenomen goederen overweegt de rechtbank dat de aangifte op punten wordt ondersteund door overige bevindingen in het dossier, namelijk doordat één van de weggenomen Rolex horloges door de verdachte ten tijde van zijn aanhouding werd gedragen, en bij de verdachte geldbedragen zijn aangetroffen in verschillende valuta die overeenkomen met de bij de inbraak ontvreemde geldbedragen in die valuta. De rechtbank acht de aangifte daarom betrouwbaar en zij zal voor de bewezenverklaring uitgaan van de aangifte.

Feit 2

De rechtbank acht dit feit bewezen op grond van de aangifte en de bij de aanhouding bij verdachte aangetroffen goederen. Met de bewezenverklaring voor feit 1 is gegeven dat verdachte wist dat de goederen uit eigen misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte, inhoudende dat het onder hem aangetroffen geldbedrag zijn spaargeld was, niet aannemelijk. Uit de afschriften van verdachtes bankrekening blijkt niet dat hij een som spaargeld ter grootte van het aangetroffen bedrag heeft opgenomen. Voorts heeft de verdachte ter zitting verklaard een uitkering te ontvangen. Op grond van zijn legale inkomen en financiële situatie zoals die is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier, acht de rechtbank verdachtes verklaring niet aannemelijk.

Feiten 3 en 6

De rechtbank acht deze feiten bewezen op grond van de aangiftes en de bekennende verklaring van verdachte.

Feiten 4 en 5

De rechtbank acht deze feiten bewezen op grond van de aangifte, de camerabeelden en de herkenningen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

1.

hij op 7 juli 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (aan de [adres] ) heeft weggenomen

- een kluis en

- alarmpistolen, en

- een Louis Vuitton schoudertas en

- identiteitsbewijzen en betaalpassen en waardekaarten op naam van [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij] en

- parelcolliers en

- pareloorbellen en

- horloges van het merk Rolex en/of Van der Bauwede en/of Frank Muller en/of Pasha en/of Chanel en/of Corum en/of Breitling,

- witgouden en/of geelgouden armbanden en

- witgouden en/of geelgouden en/of rosé-gouden en/of diamanten ringen en

- kettingen en

- meerdere geldbedragen

toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, door het forceren van een raam van die woning;

2.

hij in de periode van 7 juli 2018 tot en met 12 juli 2018 te Amsterdam en België, (ongeveer) 10.031,50 euro en 1730,00 Marokkaanse Dinars en 335 Arabische Emirates Dinars en een Rolex horloge, voorhanden gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig eigen misdrijf;

3.

hij op 20 augustus 2018 te Amsterdam, [naam hoofdagent] , hoofdagent bij de Politie Eenheid Amsterdam, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door voornoemde [naam hoofdagent] dreigend de woorden toe te voegen: "Als ik jou zie, ik ga je vermoorden, vermoorden ja. Ik ga je moeder neuken en je vermoorden kankerlijer";

4.

(gevoegde zaak 746053-18)

hij op 3 juli 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een hotelkamer in het Stayokay Hotel (gevestigd aan het Zandpad, perceelnummer 5) heeft weggenomen

- 2100,- Euro,

- een ketting en

- een zonnebril en

- kledingstukken en

- tassen,

toebehorende aan [naam] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op een raam van die hotelkamer;

5.

(gevoegde zaak 746053-18)

hij op 3 juli 2018 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een hotelpand (gelegen aan het Zandpad, perceelnummer 5), dat aan het Stayokay Hotel toebehoorde, heeft vernield;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 16 augustus 2018 tot en met 20 augustus 2018 te Amsterdam, en België, [naam officier van justitie] , Officier van Justitie, telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door verbalisant [naam hoofdagent] dreigend de woorden toe te voegen " Ik ga je vermoorden kankerlijer, ook die Officier [naam officier van justitie] ", en het intimiderend telefonisch benaderen van die [naam officier van justitie] ;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregel

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak waarbij voor een groot bedrag aan goederen is weggenomen. Woninginbraken veroorzaken materiële schade en hinder aan de benadeelden. Daarnaast worden de bewoners in hun persoonlijke levenssfeer aangetast, nu een woning bij uitstek een plaats is waar men zich veilig hoort te kunnen voelen. Dat hiervan daadwerkelijk sprake is geweest is gebleken uit de ter terechtzitting afgelegde toelichting op de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] . De benadeelde partij heeft verklaard dat haar meest persoonlijke goederen zijn weggenomen en dat er door de daders een ravage is achtergelaten. Zij geeft aan dat het gevolg hiervan is dat zij sindsdien bevangen is door angstgevoelens in haar eigen huis en ongewild verdriet, emoties, pijn, boosheid en onbegrip. Het gevoel van veiligheid in haar eigen huis was zij in één klap kwijt. Verdachte heeft zich ten aanzien van dit feit op zijn zwijgrecht beroepen en hij heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Verdachte heeft er door zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft zich enkel laten leiden door financieel gewin.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een inbraak in een hotelkamer, witwassen, twee bedreigingen met een misdrijf tegen het leven gericht, waarvan er één gericht was tegen een politieagent en de andere tegen een officier van justitie, en vernieling.

De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In de waarde van de weggenomen goederen - ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit - ziet de rechtbank aanleiding om daarvan naar boven toe af te wijken.

Uit het strafblad van verdachte is gebleken dat verdachte meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, waarbij forse gevangenisstraffen zijn opgelegd. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden wederom strafbare feiten te plegen. Ook is uit het strafblad gebleken dat verdachte op 8 augustus 2018 nog is veroordeeld voor een woninginbraak. Hierdoor is het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing, waar in het voordeel van verdachte rekening mee zal worden gehouden.

Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen van een Pro Justitia rapportage. Uit het reclasseringsadvies van 13 november 2018 volgt dat veelal alle eerdere reclasseringstrajecten voortijdig negatief zijn beëindigd. Verdachte wil niet meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en een klinisch traject. De rechtbank ziet hierin een gemiste kans voor verdachte om te proberen zijn leven een andere wending te geven.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

9 Verbeurdverklaring

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de goederen genoemd onder de nummers 3 tot en met 13 en 19, 20 en 21 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen, die onder de verdachte zijn inbeslaggenomen, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien aannemelijk is dat de verdachte die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit heeft verkregen. Op basis van de legale inkomsten die de verdachte uit uitkering ontvangt, is het niet aannemelijk dat hij deze goederen met legaal verkregen geld heeft aangeschaft. Nu de verdachte geen verklaring heeft afgelegd op welke legale wijze hij de beschikking over deze goederen heeft verkregen, acht de rechtbank het aannemelijk dat de verdachte deze goederen met de onder 1 bewezenverklaarde woninginbraak heeft buitgemaakt, dan wel met de opbrengst van die woninginbraak heeft aangeschaft.

10 Teruggave

Omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de goederen genoemd onder de nummers 1, 2 en 14 tot en met 18 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen, in enige relatie staan tot de bewezenverklaarde feiten, dienen deze voorwerpen aan de verdachte te worden teruggegeven. De beslissing tot teruggave kan uiteraard wel doorkruist worden door het conservatoir beslag dat volgens de officier van justitie op meerdere goederen is gelegd. De beslissing tot teruggave kan uiteraard wel doorkruist worden door het conservatoir beslag dat volgens de officier van justitie op meerdere goederen is gelegd.

11 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 319.080,- aan materiële schadevergoeding, € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding en € 15.242,- aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen. Hij heeft tevens gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Materiële schade

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging niet kan vaststellen dat de gevorderde goederen in de kluis zaten. De schade is niet eenvoudig vast te stellen. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij drie dagen voorafgaand aan de zitting is ingediend. De weggenomen goederen zijn daarin gespecificeerd en de waarde van de goederen is daarbij vermeld. Ook is daarin beschreven met welke stukken de waardebepaling is onderbouwd. De benadeelde partij heeft ervoor gekozen de onderbouwende stukken enkel ter terechtzitting ter inzage beschikbaar te stellen, uit vrees dat de verkoopbaarheid van de weggenomen goederen zal worden vergroot indien de verdachten de echtheidscertificaten en taxaties in bezit krijgen. De raadsman van de benadeelde partij heeft tijdens de pro forma zitting op 22 november 2018 reeds aangekondigd op deze manier te werk te zullen gaan. De raadsvrouw heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de vordering – ondanks de hoge waarde van de goederen – eenvoudig is en voldoende is onderbouwd met de ter inzage beschikbaar gestelde stukken. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de materiële schade in zijn geheel toewijzen.

Advocaatkosten

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor rechtsbijstand geen rechtstreekse schade zijn en dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Zij heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:653). Subsidiair moet de vordering worden gematigd. De gevorderde kosten zijn buitensporig hoog. Er komen slechts twee punten voor vergoeding in aanmerking, namelijk één voor het opstellen van de vordering en één voor het bijwonen van de terechtzitting van 1 februari 2019. De pro forma zittingen mogen niet in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het tarief dat de raadsman van de benadeelde partij heeft gehanteerd uit van een hoger bedrag dan het bedrag dat is gevorderd.

De rechtbank ziet aanleiding om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen op grond van het bepaalde in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Nu ter terechtzitting geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken waarom er afgeweken zou moeten worden van het liquidatietarief, is de rechtbank van oordeel dat voor de vaststelling van die vergoeding het liquidatietarief als uitgangspunt gehanteerd dient te worden.

Bij de berekening op grond van genoemd liquidatietarief heeft de rechtbank gelet op de verrichte werkzaamheden, te weten het opstellen van de vordering en het toelichten van de vordering ter terechtzitting. De geldswaarde in hoofdsom ligt tussen de € 195.000,- en € 390.000,-, zodat tarief VI geldt (een tarief van € 2.402,- per punt). In totaal komt daarmee een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 4.804,-. De rechtbank zal dat bedrag toekennen en deze post voor het overige afwijzen.

Immateriële schade

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat deze post moet worden afgewezen, nu op grond van artikel 6:101 BW dergelijke schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt als sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als een psychiatrisch ziektebeeld. Daar is niet van gebleken.

De rechtbank oordeelt als volgt. Hoewel de rechtbank zich goed kan voorstellen dat het veiligheidsgevoel van [benadeelde partij] ernstig is aangetast door de inbraak, kent de Nederlandse wet een restrictief stelsel ten aanzien van het toekennen van vergoedingen voor ander nadeel dan vermogensschade. Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek geeft daartoe een limitatieve opsomming. Het recht op vergoeding bestaat slechts:

a. wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);

b. bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;

c. bij aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

De schade die [benadeelde partij] stelt te hebben geleden, valt onder de aantasting van de persoon op andere wijze. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van een persoon op andere wijze is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, waarbij het moet gaan om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Gevoelens van angst, pijn, boosheid en onbegrip en het gemis van een gevoel van veiligheid vallen niet onder het bereik van de wet, ongeacht hoe voorstelbaar deze gevoelens ook mogen zijn. [benadeelde partij] heeft ernstiger letsel dan voornoemde gevoelens niet gesteld. Daarom moet de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank wijst aldus een gedeelte van de vordering toe, te weten € 319.080,-, en wel hoofdelijk, en veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk opleggen op de hierna te noemen wijze.

Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld tot voldoening van de proceskosten tot een bedrag van € 4.804,-.

[benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 5.319,74 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen. Hij heeft tevens gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt over de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van feit 1 rechtstreeks schade heeft geleden. De schade is voldoende onderbouwd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. De rechtbank wijst aldus een gedeelte van de vordering toe, te weten € 5.319,74 en wel hoofdelijk, en veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk opleggen op de hierna te noemen wijze.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 55, 57, 63, 285, 311,,350 en 420bis 1. van het Wetboek van Strafrecht.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

onder feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

onder feit 2: eenvoudig witwassen

onder feit 3 en 6: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

onder feit 4 en 5: eendaadse samenloop van:

- diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd de goederen genoemd onder de nummers 3 tot en met 13 en 19, 20 en 21 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de goederen genoemd onder de nummers 1, 2 en 14 tot en met 18 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen.

De vordering van [benadeelde partij]

Wijst de vordering van [benadeelde partij] , hoofdelijk toe tot € 319.080,- (driehonderdnegentienduizend tachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 4.804,-.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] , aan de Staat € 319.080,- (driehonderdnegentienduizend tachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 305 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

[benadeelde partij]

Wijst de vordering van [benadeelde partij] , hoofdelijk toe tot € 5.319,74 (vijfduizend driehonderdnegentien euro en vierenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] , € 5.319,74 (vijfduizend driehonderdnegentien euro en vierenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 60 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 februari 2019.

Mr. Kleijne is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pg. 2 en 3.

3 Pg. 102 en 104.

4 Pg. 285.

5 Pg. 102 en 112.

6 Pg. 102, 108 en 109.

7 Pg. 143.

8 Pg. 121 en 122.

9 Pg. 129 en 133.

10 Pg. 157, 161 en 165.

11 Pg. 50.

12 Pg. 280.

13 Pg. 225.

14 Pg. 303 en 304.

15 Pg. 304. Zie ook het overzicht op pg 370.

16 Pg. 225.

17 Pg. 232.

18 Pg. B01 en B02.

19 Pg. B07.

20 Pg. B13,B17, B20, B23, B25, B29 en B33.