Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9963

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2019
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 96
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De intrekking van een exploitatievergunning van een horecabedrijf en de weigering die te verlenen aan een ander horecabedrijf op grond van de wet Bibob en vanwege het levensgedrag zijn rechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/96

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2019 in de zaak tussen

de besloten vennootschap MR Horeca B.V., h.o.d.n. [bedrijf] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. A.G.C.B. van der Weijden),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kramer).

Procesverloop

In het besluit van 16 mei 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aan eiseres verleende exploitatievergunning voor een alcoholvrij horecabedrijf met terras, gevestigd aan [adres 1] te Amsterdam, ingetrokken.

In het besluit van 16 mei 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een exploitatievergunning voor een alcoholvrij horecabedrijf zonder terras, gevestigd aan [adres 2] te Amsterdam, afgewezen.

In het besluit van 23 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2019. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens eiseres verschenen de [persoon 1] en [persoon 2] . Ook was ter zitting aanwezig [persoon 3] , [functie 1] van eiseres.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Bij de beoordeling van deze zaak gaat de rechtbank uit van het wettelijk kader zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten en besluitvorming verweerder

2.1.

[persoon 1] is [functie 2] van eiseres. Bij besluit van 18 februari 2016 heeft verweerder aan eiseres een exploitatievergunning verleend voor een alcoholvrij horecabedrijf met terras, gevestigd aan [adres 1] . Op 3 augustus 2017 heeft eiseres verzocht om een exploitatievergunning voor een alcoholvrij bedrijf zonder terras, gevestigd aan [adres 2] .

2.2.

Op 12 februari 2018 en 15 februari 2018 heeft de burgemeester bestuurlijke rapportages van de politie ontvangen, gevolgd door aanvullende bestuurlijke rapportages van 21 februari 2018 en 6 maart 2018. Daaruit blijkt - kort gezegd - dat [persoon 1] als [functie 2] van eiseres wordt verdacht van onder andere betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie. Er zijn onregelmatigheden aangetroffen in de jaarrekeningen en in de boekhouding van eiseres, waardoor het vermoeden bestaat dat [persoon 1] zijn criminele verdiensten in de ondernemingen heeft witgewassen.

2.3.

Op 21 maart 2018 heeft verweerder aan eiseres zowel het voornemen bekend gemaakt om de verleende exploitatievergunning in te trekken als het voornemen om de gevraagde exploitatievergunning te weigeren. Eiseres heeft op 17 april 2018 haar zienswijze ingediend.

2.4.

In de primaire besluiten heeft verweerder de verleende exploitatievergunning ingetrokken en de gevraagde exploitatievergunning geweigerd.

2.5.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten en heeft daarnaast een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. In de uitspraak van 13 juni 20181 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2.6.

In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gelaten. Verweerder heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat er, gelet op de hiervoor genoemde bestuurlijke rapportages van de politie, een ernstig gevaar bestaat dat de verkregen, respectievelijk de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om strafbare feiten te plegen.

Daarnaast vormt het levensgedrag van [persoon 1] voor verweerder grond voor intrekking van de exploitatievergunning en weigering van de aangevraagde exploitatievergunning.

2.7.

In beroep heeft eiseres het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden.

Procesbelang

3.1.

Ter zitting is gebleken dat de vestiging van [bedrijf] aan [adres 1] inmiddels door [persoon 1] is verkocht. [persoon 1] heeft verklaard dat hij na intrekking van de exploitatievergunning kosten heeft gemaakt voor die vestiging en dat die vestiging daarom heeft verkocht. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of eiseres belang heeft bij de beoordeling van haar beroep, voor zover het betreft de intrekking van de exploitatievergunning van deze vestiging.

3.2.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 (hierna: de Afdeling) volgt dat procesbelang kan bestaan indien betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk en als gevolg van deze bestuurlijke besluitvorming is geleden.

3.3.

Nadat de exploitatievergunning bij besluit van 16 mei 2018 was ingetrokken was het eiseres verboden deze vestiging te exploiteren. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat eiseres in de periode na intrekking van de exploitatievergunning tot het moment van de verkoop van de vestiging schade heeft geleden wegens inkomstenderving. Eiseres heeft dan ook belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de intrekking van de exploitatievergunning.

Aannemelijkheid van de door [persoon 1] gepleegde strafbare feiten

4.1.

De rechtbank is van oordeel dat de informatie uit de bestuurlijke rapportages, in onderling samenhang bezien, voldoende grondslag biedt voor het standpunt van verweerder dat het aannemelijk is dat [persoon 1] zich schuldig gemaakt heeft aan handel in verdovende middelen, deelname aan een criminele organisatie met als doel handel in verdovende middelen, het voorhanden hebben van een vuurwapen en witwassen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.2.

In de bestuurlijke rapportages van de politie staat onder meer het volgende vermeld. Op 24 januari 2018 zijn in een woning aan [adres 3] (hierna: de woning) harddrugs, een vuurwapen, patroonhouders voor dat vuurwapen, laadhulpen en een patroonhouder (voor een ander vuurwapen dan het aangetroffen vuurwapen) aangetroffen. Er is 8.459,90 gram drugs aangetroffen met een totale straatwaarde van ongeveer € 423.000,-, waaronder in ieder geval cocaïne, MDMA en amfetamine. De bewoonster van de woning heeft verklaard dat zij de middelen in de woning bewaarde voor een man die de sleutel van de woning heeft. Van de zes verdachten, die op 23 januari 2018 zijn aangehouden, is alleen bij [persoon 1] een bos met sleutels van de woning aangetroffen. Daarnaast beschikte hij over een tag behorende bij de [garage] te Amsterdam. Uit verschillende gegevens komt het vermoeden naar voren dat [persoon 1] vanaf mei 2017 in de woning is geweest. Uit een technische actie op een ‘dealtelefoon’ blijkt dat via het nummer daarvan vermoedelijk verdovende middelen besteld konden worden. Het is aannemelijk dat er gemiddeld 500 deals per week werden gesloten. Uit verhoren is verder naar voren gekomen dat getuigen hebben verklaard over een periode van meerdere jaren naar de dealtelefoon te hebben gebeld, dat klanten een gram cocaïne of XTC kochten voor een bedrag van € 50,- per gram en dat twee van de getuigen aangaven de persoon aan de dealtelefoon te kennen als ‘ [bijnaam] ’. Die stem is herkend als de stem van [persoon 1] . Eén van de getuigen heeft verklaard dat hij al zestien jaar cocaïne kocht bij [persoon 1] . Uit een analyse van gevoerde telecommunicatie van de dealtelefoon is gebleken dat die telefoon in de nachtelijke uren gebruik maakte van een zendmast in de nabije omgeving van de woning van [persoon 1] . Het onderzoeksteam acht het aannemelijk dat hij een leidende rol had binnen de criminele organisatie.

Verder blijkt uit de rapportages dat eiseres bij de aanvraag om een exploitatievergunning op verschillende momenten verschillende jaarrekeningen voor het boekjaar 2016 heeft ingeleverd, bij twee stadsdelen, waarin onregelmatigheden zijn aangetroffen (te weten verschillen in omzet en winstreservegegevens) en dat op de bankrekening van eiseres diverse contante stortingen hebben plaatsgevonden die niet overeenkwamen met haar gebruikelijke manier van storten. Het betreft contante stortingen die niet herleidbaar zijn tot de omzet van eiseres en die niet door middel van een verpakking zijn gedaan.

4.3.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een bestuursorgaan, in dit geval de burgemeester, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte rapportage. Dit geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs moet leiden tot afwijking van dit uitgangspunt3.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat de bestuurlijke rapportages, met uitzondering van die van 12 februari 2018, zijn opgemaakt op ambtseed/ambtsbelofte. Dat uit de bestuurlijke rapportage van 12 februari 2018 niet blijkt dat die op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, betekent echter niet dat verweerder die rapportage niet bij zijn oordeel mocht betrekken. De informatie over de aangetroffen verdovende middelen maakt namelijk ook onderdeel uit van het proces-verbaal van 15 februari 2018 dat wel op ambtseed/ambtsbelofte is opgemaakt4.

4.5.

Eiseres heeft aangevoerd, onder verwijzing naar een pleitnotitie van de advocaat in de strafzaak van [persoon 1] , dat sprake is van ontlastend bewijs dat verweerder ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Zo zijn er geen DNA-sporen van [persoon 1] aangetroffen op de in de woning aangetroffen dealertelefoons, de plastic verpakking van de aangetroffen drugs of het vuurwapen. Ook heeft de bewoonster van de woning eiser niet geïdentificeerd aan de hand van een foto.

4.6.

De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet, omdat ze haar stelling dat er ontlastend bewijs zou zijn niet met stukken heeft onderbouwd. De enkele betwisting van de juistheid van de informatie uit de bestuurlijke rapportages vormt onvoldoende tegenbewijs om af te wijken van het uitgangspunt dat verweerder mocht uitgaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportages5.

4.7.

Wat betreft de in de bestuurlijke rapportages genoemde ongebruikelijke stortingen heeft eiseres ter zitting aangevoerd dat wel vaker zonder verpakking geld is gestort door [persoon 1] en dat de wijze van storting dan ook niet ongebruikelijk is. Dit doet echter niet af aan het standpunt van verweerder dat sprake is van stortingen op de rekening die niet herleidbaar zijn tot de omzet van eiseres. Ook laat het voorgaande onverlet dat bij twee verschillende stadsdelen verschillende jaarrekeningen zijn ingeleverd. Dat de toenmalige [functie 1] deze niet heeft ondertekend en heeft opgesteld zonder tussenkomst van [persoon 1] , maakt het voorgaande niet anders. Eiseres is in deze immers degene die verantwoordelijk is voor de juiste gang van zaken. Ook de verklaring van 24 september 2018 van toenmalig [persoon 4] dat hij midden 2016 als gevolg van een depressie overwerkt is geraakt en daardoor fouten heeft gemaakt in de jaarrekeningen voor het jaar 2016 kan eiseres daarom niet baten. Daarbij verschillen de winstreserves en omzetgegevens in de op 2 augustus 2018 overgelegde - derde - versie van de jaarrekening voor het jaar 2016 eveneens ten opzichte van de eerder overgelegde, ook op die punten onderling verschillende, versies van die jaarrekening. Verweerder heeft dan ook aan eiseres mogen tegenwerpen dat in de jaarrekeningen voor het jaar 2016 onregelmatigheden zijn aangetroffen.

4.8.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat uit de pleitnotitie van de advocaat in de strafzaak van [persoon 1] blijkt dat hij niet door het Openbaar Ministerie wordt vervolgd wegens witwassen, zodat verweerder niet bij zijn beoordeling heeft kunnen betrekken dat aannemelijk is dat hij dit strafbare feit heeft begaan. Daargelaten of het voorgaande daadwerkelijk blijkt uit die pleitnotitie, overweegt de rechtbank over dit betoog als volgt.

4.9.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling6 volgt dat bij de beoordeling van de mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob feiten en omstandigheden mogen worden betrokken die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Het kan derhalve gaan om strafbare feiten waarvan niet in rechte is vastgesteld dat en door wie zij zijn gepleegd. Wel dient het aannemelijk te zijn dat de strafbare feiten zijn gepleegd. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

De a-grond

4.10.

Eiseres heeft aangevoerd dat er geen begin van bewijs is dat ernstig gevaar bestaat dat illegaal verkregen gelden worden witgewassen met de vergunningen, omdat geen sprake is van uit strafbare feiten verkregen gelden.

4.11.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Zoals in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen, heeft verweerder het aannemelijk mogen achten dat [persoon 1] genoemde strafbare feiten, waaronder witwassen, heeft gepleegd. Nu [persoon 1] [functie 2] van eiseres is en [functie 2] van de exploitatievergunningen heeft verweerder terecht overwogen dat (in ieder geval) sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [persoon 1] en daarom van een situatie als bedoeld in artikel 3, vierde lid en onder c, van de Wet Bibob. Dat betekent dat sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat eiseres in relatie staat tot genoemde strafbare feiten en dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde en ingetrokken beschikkingen mede zullen worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten. Verweerder heeft daarom de exploitatievergunning mogen intrekken en weigeren op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob.

De b-grond

4.12.

Eiseres heeft aangevoerd dat geen gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, omdat niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob. Er is geen sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat eiseres in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven. Niet valt in te zien hoe de activiteiten waarvan [persoon 1] wordt verdacht samenhangen met de exploitatie van eiseres en verweerder heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dit zo is, aldus eiseres.

4.13.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet en is met verweerder van oordeel dat de exploitatievergunningen het mogelijk maken om strafbare feiten, zoals witwassen, te plegen. Er is voldoende samenhang tussen de activiteiten waarvoor de exploitatievergunning wordt verleend en de aannemelijk geachte gepleegde strafbare feiten. Daar komt bij dat één van de medeverdachten zich op meerdere momenten in een vestiging van eiseres bevond en is het, zoals verweerder heeft gesteld, een feit van algemene bekendheid dat de horecabranche kwetsbaar is voor risico’s die voortkomen uit strafbare feiten en de drugshandel kan faciliteren.

4.14.

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde en ingetrokken beschikkingen mede zullen worden gebruikt om in de toekomst strafbare feiten te plegen. Verweerder heeft daarom de exploitatievergunningen ook mogen intrekken en weigeren op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob.

Levensgedrag

4.15.

Eiseres stelt dat geen sprake is van levensgedrag dat intrekking van de gevraagde en weigering van de verleende exploitatievergunning rechtvaardigt. Zij voert ook in dit verband aan dat [persoon 1] de activiteiten waarvan hij wordt verdacht niet heeft begaan en dat het ontlastend bewijs dat de advocaat in de strafzaak heeft ingebracht, niet door verweerder is meegewogen. Gelet op de verwerping van deze beroepsgronden in het bovenstaande (zie rechtsoverweging 4.1 tot en met 4.9) leiden deze beroepsgronden de rechtbank ook in dit kader niet tot een ander oordeel.

4.16.

Zoals is overwogen in het voorgaande, biedt de informatie uit de bestuurlijke rapportages, in onderlinge samenhang bezien, voldoende grondslag voor het standpunt van verweerder dat het aannemelijk is dat [persoon 1] , [functie 2] van eiseres, zich schuldig gemaakt heeft aan handel in verdovende middelen, deelname aan een criminele organisatie met als doel handel in verdovende middelen, het voorhanden hebben van een vuurwapen en witwassen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het levensgedrag dat daaruit spreekt een gevaar vormt voor de openbare orde, alsmede dat gelet op dat levensgedrag de openbare orde nadelig wordt beïnvloed doordat [persoon 1] een horecagelegenheid kan exploiteren. Reeds gelet hierop heeft verweerder de gevraagde exploitatievergunning kunnen weigeren en de verleende exploitatievergunning kunnen intrekken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo, en mr. D. Sullivan, leden, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage – Wettelijk kader

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Artikel 3

1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2 Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3 Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4 De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

Op grond van artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Algemene plaatselijke verordening 2008

Artikel 3.8

1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

2. (…).

(…).

Artikel 3.11

1. (…).

2. De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

3. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

a. (…);

(…);

e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.

Artikel 3.24

De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als:

a. de exploitant of leidinggevende het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde overtreedt;

b. aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bij activiteiten als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid van deze verordening of bij andere activiteiten in of vanuit het horecabedrijf die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf dan wel als naar zijn oordeel de wijze van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in artikel 3.11, derde lid onder e, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen.

1 ECLI:NL:RBAMS:2018:5970.

2 Zie onder meer de uitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3581.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1543.

4 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:55.

5 Zie de uitspraak van 4 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ.

6 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2821.