Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9878

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-12-2019
Datum publicatie
31-12-2019
Zaaknummer
13/702538-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

120 uur taakstraf en verplichte behandeling voor stalken en bedreigen Ajax-bestuurders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/702538-18

Datum uitspraak: 31 december 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 december 2019. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. N.M. van Ditzhuyzen, en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij in de periode van 26 oktober 2017 tot en met 25 september 2018, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gestalkt (belaagd).

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

Het feit kan op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier worden bewezen. Verdachte heeft ook bekend de gedragingen te hebben gepleegd.

3.2

Standpunt van verdachte

Verdachte vindt dat hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat hij zich er op geen moment van bewust is geweest dat zijn gedragingen strafbaar waren. Daarnaast kan wat hij heeft gedaan, niet worden gekwalificeerd als belaging. Wat door de officier van justitie naar voren is gebracht, ziet juist op bedreiging en niet op stalking.

Verdachte zegt dat hij als voetbalmakelaar enkel opkwam voor een van zijn pupillen en duidelijkheid wilde hebben over een donatie van voetbalvereniging Ajax aan zijn Stichting.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bekend de gedragingen, zoals onder de gedachtestreepjes in de tenlastelegging genoemd, te hebben gepleegd.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging (stalking) als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is van belang of sprake is van een stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer. Met stelselmatigheid wordt bedoeld een herhaling van gedragingen, zoals iemand herhaaldelijk lastig vallen. Dat lastig vallen kan op verschillende manieren worden gedaan, zoals het uiten van bedreigingen, het telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen of het voor de woning posten. Het kan gaan om een herhaling van gedragingen, of verschillende gedragingen die samen gezien het stelselmatige karakter bevatten.

Het hoeft niet vast te staan dat het opzet van verdachte ook gericht is geweest op de wederrechtelijkheid en stelselmatigheid van zijn gedragingen (Kamerstukken II 1997-1998, 25 768, nr. 5, p. 14-15) (zie ook HR 20 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2138). Het is voldoende dat verdachte opzet heeft gehad op zijn gedragingen en het maakt daarbij dus niet uit dat verdachte niet wist dat wat hij deed strafbaar is.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van belaging niet is vereist dat het slachtoffer zich van alle belagingshandelingen direct bewust is geweest, zolang het slachtoffer daarna wel van een van die handelingen op de hoogte is geraakt (zie HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).

Verder geldt dat ook berichten die zijn gestuurd naar de werkplek van het slachtoffer en het zakelijk optreden van het slachtoffer betreffen, als belaging kunnen worden aangemerkt (zie HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8642).

Dat gedragingen zich op de openbare weg hebben afgespeeld, maakt niet dat die gedragingen niet als belaging kunnen worden gezien (zie HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05710).

Het maakt daarnaast niet uit of aan verdachte duidelijk is gemaakt dat contact niet als wenselijk wordt gezien (zie HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1447).

Om te bepalen of de gedragingen vallen onder belaging zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Verdachte heeft in de periode van 14 maart 2018 tot en met 25 september 2018, nadat hem per brief van 13 maart 2018 was meegedeeld geen contact meer te zoeken met medewerkers van Ajax, meerdere berichten gestuurd. Deze berichten waren van zeer indringende aard. Zo stuurde hij onder andere de tekst: “ [slachtoffer 4] de kuil die Ajax voor mij heeft gegraven gaat de directie samen met jou in liggen, jij, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zijn veel te ver gegaan! Mark my words, na 12 maanden vernederen ga ik jou live live live laten zien wie jullie denken kapot te maken. Ik heb al eens vier jaar opgesloten gezeten en als het moet dan doe ik dit zo weer. Speelkwartier is voorbij [slachtoffer 4] ” en “Wat nou als ik terug zou doen bij jouw kinderen wat jij bij mijn stiefzoon hebt gedaan. Ik kan veel hebben, heb drie jaar opgesloten gezeten, op straat geslapen. Mij krijg je niet snel klein” en “Het leven heeft mij geleerd dat iedereen die een ander wat aan flikt het terug komt. En hoe jullie aan mijn stiefzoon zijn gekomen zal je zien dat er met jullie ( [naam 3] [slachtoffer 2] [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] ) kinderen wat gaat gebeuren” en “Denk dat het wel welletjes is [slachtoffer 4] . Na een jaar lang door jou genegeerd te worden, vernederd te worden tegengewerkt te worden is het klaar, jij weet heel goed waar de waarheid ligt, geld heeft mij nooit geboeid en dat weet je zelf ook. Je wilt me gek maken dan ga je mij krijgen ook.” Op 21 april 2018 heeft verdachte een bericht gestuurd naar [slachtoffer 4] met een foto van de dochter van [slachtoffer 4] . Ook heeft verdachte op 21 april 2018 voor de woning van [slachtoffer 3] in [woonplaats] gestaan en heeft hij een foto van het toegangshek en de woning naar [slachtoffer 4] gestuurd. Op 22 april 2018 heeft verdachte tweemaal visitekaartjes onder de ruitenwisser van de auto van [slachtoffer 4] gedaan.

Na een gesprek op 26 april 2018 tussen verdachte, [naam 1] , manager Veiligheid bij Ajax en [naam 2] , extern veiligheidsadviseur, is het een tijdje relatief rustig, maar vanaf augustus 2018 worden door verdachte meerdere berichten per week gestuurd naar de e-mailadressen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . De aanleiding hiertoe bestond erin dat verdachte op 30 juli 2018 een bericht had ontvangen van [naam 2] waarin stond dat als verdachte een brief wilde sturen naar [slachtoffer 3] , hij dat toch echt zelf zou moeten doen. Dit bood verdachte, naar eigen zeggen de legitimatie om weer contact op te nemen met aangevers. Ook deze berichten waren van zeer indringende aard. Zo stuurde verdachte onder andere de teksten: “Zoals ze mij in de jeugdgevangenis hebben geleerd, wie niet horen wilt moet maar voelen!” en “Natuurlijk ga ik [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] opzoeken gezien zij weigeren het netjes op te lossen. Ze hebben de verkeerde persoon lopen opfucken. Rechts of linksom ik kom [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] vroeg of laat ergens tegen en dan kijken of ze ook zo stoer zijn.” Ook heeft verdachte op 26 augustus 2018 twee berichten naar [slachtoffer 3] gestuurd met de tekst: (om 7.18 uur) “Ik rij nu naar je toe zodat we het eens en voor altijd oplossen met elkaar. Kan je mij mooi uitleggen waarom je mij zo behandeld hebt en hoe jij denkt wat de oplossing in deze is. Tot zo! En (om 8.17 uur): “Ik ben er, kom je naar buiten. Lopen we een rondje. Ik wil je gezin niet wakker maken door aan te bellen.”

Uit de gedragingen en de verklaringen van verdachte blijkt dat hij wilde dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] contact met hem zouden opnemen en dat zij een verklaring zouden geven voor de donatie die in het kader van een schikking aan zijn Stichting was gedaan, zodat verdachte zijn inkomsten bij de uitkeringsinstanties kon verklaren. Uit de aangiftes blijkt dat verdachte door zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Gelet op de indringendheid van de gedragingen, de frequentie waarmee verdachte via meerdere wegen contact heeft gezocht, de intensiteit van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van belaging in de zin van het eerste lid van artikel 285b Sr. Het contact was veelal eenzijdig en kwam vanaf de kant van verdachte. Verdachte wist dat zijn gedragingen en dan met name zijn bedreigende berichten impact zouden hebben. Bovendien was verdachte er sinds 13 maart 2018 ook van op de hoogte dat [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] geen contact met hem wilden. Op die datum is hem namelijk een brief door Ajax gestuurd met het dringende verzoek geen contact meer op te nemen met medewerkers van Ajax. Op 29 maart 2018 is dit verzoek herhaald per e-mailbericht aan verdachte en ook is in een persoonlijk gesprek eind april 2018 gezegd dat verdachte alleen via [naam 2] mocht communiceren. Desondanks heeft hij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de periode van 14 maart 2018 tot en met 25 september 2018 op zeer indringende wijze lastig gevallen met de bedoeling om tegen hun uitdrukkelijke wens in contact met hen te komen en hen angst aan te jagen. Dat het e-mailverkeer daarbij grotendeels naar de zakelijke e-mailadressen is gegaan is, zoals hiervoor al is overwogen, niet van belang. Ook de omstandigheid dat de berichten door de ICT afdeling van Ajax werden geblokkeerd, is niet relevant, omdat de aangevers daarna wel van die berichten op de hoogte zijn geraakt. Verdachte stond bij de woning van [slachtoffer 3] nog op de openbare weg maar ook dat is, zoals hiervoor al uiteengezet, niet van belang bij de vraag of er sprake is van belaging. Dat verdachte op 30 juli 2018 door een bericht van [naam 2] dacht toestemming te hebben gekregen om weer direct contact met aangevers op te nemen, maakt niet dat het hem was toegestaan die personen weer stelselmatig lastig te vallen zoals hij heeft gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen die zich voorafgaand aan 14 maart 2018 hebben voorgedaan, niet kunnen worden gezien als belaging. Verdachte heeft zich in die periode wellicht vervelend gedragen, maar dit maakt nog niet dat gesproken kan worden van belaging in de zin van artikel 285b Sr. Uit het procesdossier volgen wat die periode betreft geen concrete gedragingen die aan te merken zijn als belaging. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij voor de periode van 26 oktober 2017 tot 14 maart 2018. Daarnaast spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onderdeel dat ziet op het overtreden van het locatieverbod. Uit het procesdossier is gebleken dat het locatieverbod aan verdachte bekend is gemaakt op 13 maart 2018. Verdachte heeft zich vervolgens aan dit locatieverbod gehouden.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in de periode van 14 maart 2018 tot en met 25 september 2018 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , door

- op een intimiderende en/of bedreigende wijze die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (email)bericht(en) (dan wel in de CC) en/of (WhatsApp)bericht(en) en/of brie(f)(ven)te sturen (onder meer inhoudende de tekst “mark my words na 12 maanden vernederen ga ik jou live live live laten zien wie jullie denken kapot te maken. Ik heb al eens 4 jaar opgesloten gezeten en als het moet dan doe ik dit zo weer.” en “Jammer dat het zo moet gaan. Zoals ze mij in de jeugdgevangenis hebben geleerd wie niet horen wilt die moet maar voelen!” en “Ik kom je toch vroeg of laat tegen op straat, de supermarkt of de hockeyclub. En hoe jij en [slachtoffer 3] mijn stiefzoon kapot hebben gemaakt ga ik het zelfde doen bij jullie kinderen.” en

- zich voor en nabij de woning van die [slachtoffer 3] te begeven en

- visitekaartjes onder de ruitenwisser van de auto van die [slachtoffer 4] die nabij de woning van die [slachtoffer 4] geparkeerd stond te steken en

- in strijd met het dringende verzoek van de Directie van AFC Ajax, contact te zoeken met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (zie brief van de Directie van AFC Ajax d.d. 13 maart 2018, p. 31)

met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

Dit vonnis betreft een zogenaamd verkort vonnis. De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Standpunt van de officier van justitie

Verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van honderdtwintig uur, waarvan zestig uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan die proeftijd moet als bijzondere voorwaard een behandelverplichting worden verbonden. Daarnaast moet een maatregel op grond van artikel 38v Sr worden opgelegd, inhoudende dat verdachte geen contact met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] mag hebben gedurende een periode van 2 jaar.

8.2

Strafmaatverweer van verdachte

Verdachte heeft aangegeven dat hij al genoeg gestraft is. Hij is niet meer in staat om zijn werk als zaakwaarnemer uit te voeren en daarnaast heeft de negatieve aandacht van de media een grote impact gehad op zijn leven.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van het Ajax bestuur. Verdachte heeft op meerdere manieren contact met hen opgenomen, via e-mail, WhatsApp, en zelfs door het opzoeken van de woning van [slachtoffer 3] . Ondanks dat verdachte meerdere malen was verzocht om geen contact met medewerkers van Ajax op te nemen, heeft hij alsnog veelvuldig contact met hen opgenomen en hen belaagd. Verdachte, wiens uitkering was stopgezet, wilde dat Ajax een verklaring zou geven voor de donatie die in het kader van een schikking aan zijn Stichting was gedaan, zodat verdachte zijn inkomsten bij de uitkeringsinstanties kon verklaren. Hij heeft verschillende bedreigingen geuit, waarbij zelfs kinderen van aangevers werden betrokken. Hij wilde hen door hen angst aan te jagen, dwingen om het zakelijk geschil op te lossen. Door zo te handelen heeft verdachte op grove en indringende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van aangevers. Verdachte heeft hiermee grote angst bij hen teweeggebracht en de vrees bestond dat verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan zijn dreigementen.

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 20 november 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Uit de Pro Justitia rapportage van 19 december 2018 is gebleken dat verdachte is gediagnosticeerd met een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische persoonlijkheidstrekken. Vanuit de persoonlijkheidsstoornis wordt het gedrag van verdachte gestuurd door een fundamenteel wantrouwen richting zijn omgeving. Tegelijkertijd heeft hij behoefte aan veiligheid, genegenheid en acceptatie. Om deze kwetsbaarheid te verhullen en niet teleurgesteld te raken, presenteert verdachte zich als groots en onaantastbaar. Door de persoonlijkheidsstoornis is verdachte verminderd in staat tot logisch redeneren, oordelen, plannen en leren door ervaring. Door het zakelijk geschil met Ajax werden bij verdachte gevoelens en ervaringen uit zijn jeugd getriggerd, wat resulteerde in een gevoel van machteloosheid, boosheid en woede. Hierdoor werd bij verdachte een vroegkinderlijke woede gemobiliseerd die door hem onvoldoende gekanaliseerd en gecontroleerd kon worden. Het feit kan verdachte daardoor verminderd worden toegerekend. Omdat verdachte echter sterk gemotiveerd is om verandering in zijn leven te brengen en professionele hulp heeft gezocht, wordt de kans op herhaling als laag ingeschat en worden door het NIFP geen gronden gezien om een advies voor begeleiding of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen.

Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsrapport van 22 februari 2019. De reclassering is daar, anders dan het NIFP, van oordeel dat verdachte een ambulante behandeling dient te ondergaan. Verdachte toont inzicht en is gemotiveerd om aan zijn problemen te werken. Verdachte heeft een behandelcontact bij De Waag en door De Waag is teruggekoppeld dat verdachte vanuit zijn krenkbaarheid impulsief kan reageren en dat de vraag speelt of verdachte in staat is om zijn emoties te beheersen. Daar wordt bij de behandeling aan gewerkt. De reclassering acht het daarom zinvol dat de behandeling in een strafrechtelijk kader wordt voortgezet en adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, die zien op een behandelverplichting en een meldplicht, op te leggen.

De rechtbank zoekt tot slot bij de op te leggen straf aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting die de rechtbanken hebben afgesproken en houdt rekening met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank er ook rekening mee dat het feit in verminderde zin aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank weegt mee dat verdachte al ‘gestraft’ is voor zijn gedragingen omdat hij geen VOG meer kan krijgen en zijn carrière als zaakwaarnemer heeft moeten opgeven.

De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf een passende straf is voor verdachte, mede omdat deze straf de mogelijkheid biedt aan verdachte om weer onder de mensen te komen en hem misschien kan helpen aan nieuwe carrièremogelijkheden.

De rechtbank vindt dat er aan verdachte naast een onvoorwaardelijke taakstraf, ook een voorwaardelijk deel moet worden opgelegd als stok achter de deur om herhaling te voorkomen. De rechtbank legt daarbij de behandelverplichting en het reclasseringstoezicht op, zoals deze voorwaarde door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal ook de door de officier van justitie gevorderde maatregel van artikel 38v Sr opleggen, die ziet op beperking van de vrijheid ter voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel houdt een contactverbod in met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] . Het verbod geldt voor de duur van twee jaar. Voor iedere keer dat verdachte het verbod overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd van één week. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt tegenover aangevers.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de door de officier van justitie geëiste taakstraf en acht een taakstraf passend van honderdtwintig uur, waarvan zestig uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met daaraan voornoemde bijzondere voorwaarde verbonden. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht dient van die straf te worden afgetrokken. Daarnaast legt de rechtbank een contactverbod op met aangevers voor twee jaar via de maatregel van artikel 38v Sr.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 38v, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

belaging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van honderdtwintig (120) uur, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van zestig (60) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van twee (2) uur per dag.

Beveelt dat een gedeelte, van zestig (60) uur, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van dertig (30) dagen, van deze taakstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarde houdt:

Stelt de volgende algemene voorwaarden:

  1. Veroordeelde mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

  2. Veroordeelde moet ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  3. Veroordeelde moet medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Daarnaast kan de tenuitvoerlegging ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt de volgende bijzondere voorwaarde:

1. Ambulante behandeling: verdachte zal meewerken aan een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dit wenselijk acht.

Geeft de reclassering opdracht tot het houden van toezicht en het bieden van steun bij de naleving van de voorwaarden.

Legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee (2) jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2], (geboren op [geboortedatum] 1970), [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1973), [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1961) en [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum] 1964). De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen van de opgelegde maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen tegenover een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en K.A. Brunner, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 december 2019.