Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9845

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2019
Datum publicatie
27-12-2019
Zaaknummer
C/13/662757 / HA RK 19-74
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanrijding; aansprakelijkheid WAM-verzekeraar; deelgeschilprocedure over toedracht ongeval; rechtbank stelt vast dat verzekeraar aansprakelijk is maar de schade niet hoeft te vergoeden voor zover er sprake is van eigen schuld aan de zijde van verzoeker; de (mogelijke) eigen schuld aan de omvang van de schade verdient geen doorwerking op de aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/662757 / HA RK 19-74

Beschikking van 27 juni 2019

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. E.A. Dekker te Etten-Leur,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. VERZEKERINGSBEDRIJF GROOT AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. D.J. van der Kolk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en VGA worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 28 februari 2019, met producties,

- de tussenbeschikking van 4 april 2019, waarbij een mondelinge behandeling is gelast,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 mei 2019 en de daarin genoemde processtukken, waaronder het verweerschrift.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 12 september 2016, omstreeks 17:30 uur, heeft op de [adres 1] te [plaats] een aanrijding plaatsgevonden tussen [verzoeker] als bestuurder van een motorfiets en [autobestuurder] als bestuurder van een auto. [Verzoeker] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen.

2.2. [

Autobestuurder] is ingevolge de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (hierna: WAM) verzekerd bij VGA.

2.3.

De Politie Amsterdam-Amstelland heeft op 12 september 2016 een registratie van het ongeval opgemaakt. Daarin staat omtrent de toedracht van het ongeval het volgende weergegeven:

“B.T. [AUTOBESTUURDER] K.U.D.R.V. [adres 2] G.I.D.R.V. [adres 1] zag BT [VERZOEKER] op een zwartkleurige motor rijden. BT [AUTOBESTUURDER] zag dat BT [VERZOEKER] het voertuig niet onder controle had, achter wiel slipte weg. Derhalve is BT [AUTOBESTUURDER] op veilige afstand de motor gepasseerd. Vervolgens hoorde BT [AUTOBESTUURDER] een klap en zag glas van zijn rechtervoorportiek de auto in spatte. Hierop is BT [AUTOBESTUURDER] uitgestapt en zag BT [VERZOEKER] op het wegdek liggen. Beide bestuurders bliezen P. BT [VERZOEKER] was niet horen daar hij voor behandeling naar het ziekenhuis vervoerd is.”

Voorts is omtrent de omstandigheden ter plaatse van het ongeval opgenomen dat het ongeval heeft plaatsgevonden binnen de bebouwde kom waar een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. Met betrekking tot de aard van het ongeval staat “botsing flank” weergegeven.

2.4. [

Autobestuurder] heeft ten overstaan van de politie op 12 september 2016 onder meer het volgende verklaard:

“Ik kwam vanaf de [adres 2] en reed de [adres 1] te [plaats] op. (…) Ik zag een man op een motor zwart van kleur. Ik zag dat deze gas gaf en dat het achterwiel daardoor wegslipte. Ik zag dat de man geen helm op had. Vervolgens liet de man het gas los. Ik ging er vanuit dat de man de garage instuurde. Toen was ik de man een motor voorbij. Vervolgens hoorde ik een klap, ik zag glas naar binnen komen. Kennelijk was de man en motor tegen mijn rechterzijde gekomen. Ik stapte uit en zag de man liggen. Ik heb niet gezien hoe het is gebeurd. (…).”

2.5. [

Verzoeker] heeft op 30 september 2016 ten overstaan van de politie een verklaring afgelegd. Het proces-verbaal luidt – voor zover hier relevant – als volgt.

“(…) De motor stond op de stoep en ik liep achteruit. Ik trok op, ongeveer 3 meter. Ik had mijn linkervoet aan de grond en mijn koppeling had ik in. Ik wilde kijken en werd toen al meegenomen door het andere voertuig. Ik werd dus geraakt. Ik kan me niet herinneren hoe dit gebeurd is. Ik ben aan de rechterkant van het voertuig terecht gekomen. Ik droeg geen helm en ik wilde de motor eigenlijk alleen maar binnenzetten. Ik heb letsel overgehouden aan deze aanrijding. Ik heb een hersenschudding opgelopen waardoor mijn hoofd draait en het moeilijk is om te werken. Tevens zijn mijn enkels gekneusd en heb ik last van mijn knieën. (…).”

2.6.

Partijen hebben geen gezamenlijk schadeaanrijdingsformulier ingevuld en ondertekend. Op het zijdens [verzoeker] ingevulde schadeaanrijdingsformulier staat onder opmerkingen vermeld: “Ik stond stil en werd aangereden van links (…)” en dat [autobestuurder] rechtdoor reed en de motorfiets inhaalde. In het door [autobestuurder] ingevulde schadeaangifteformulier staat alleen vermeld dat hij rechtdoor reed en de motorfiets inhaalde.

2.7.

Verder hebben [de heer A], [de heer B] en [de heer C] schriftelijke verklaringen omtrent de toedracht van het ongeval afgelegd.

2.8.

VGA heeft in reactie op de aansprakelijkstelling van de advocaat van [verzoeker], en na toezending van de hiervoor genoemde schriftelijke getuigenverklaringen en het schadeaanrijdingsformulier van [verzoeker], aan hem bericht dat zij geen aansprakelijkheid erkent.

2.9. [

Verzoeker] heeft vervolgens een voorlopig getuigenverhoor aanhangig gemaakt. Op 2 mei 2018 en 24 oktober 2018 zijn [verzoeker], [autobestuurder], de heer A, de heer B, de heer C en de heer D. in het kader van het door verzoeker verzochte voorlopig getuigenverhoor gehoord voor de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.

2.10. [

Verzoeker] heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het navolgende verklaard:

“(…) Ik was op dat moment bezig mijn motorfiets, een grote [merk] , naar binnen mijn garage in te rijden. (…) Ik startte de motor, en keek over mijn schouder of er iets aan kwam. Dat was nodig omdat ik met een bochtje over de weg de garage in rij. (…) De motorfiets stond op een stoep die gesitueerd is voor mijn garage (…). Om de motorfiets de garage in te rijden moet ik de motorfiets achteruit manoeuvreren, dat moet achteruit lopend zittend op de motor, waarnaar ik de motorfiets eigenlijk rechtuit zet met de rug naar de [adres 2] toe. Normaliter rijd ik dan met een bochtje linksom de garage in. (…) Op 12 september 2016 had ik de motorfiets inmiddels achteruit gemanoeuvreerd en stond ik met mijn rug toe naar de [adres 2] . Voordat ik achteruit reed had ik al over mijn schouder gekeken en gezien dat er geen verkeer aan kwam. Toen de motorfiets rechtuit op de straat stond, ben ik een stukje rechtuit gereden. Daarbij heb ik mijn achterwiel laten slippen. Daarbij maakte mijn achterwiel een kleine slippende beweging, naar beide kanten ongeveer 30 centimeter. Toen ben ik weer stil gaan staan, daarbij had ik de motorfiets met de koppeling ingetrokken en de rem erop klaar staan om de bocht naar links te maken. (…) Voordat ik over mijn linker schouder kon kijken werd ik al aangereden. (…) Door die aanrijding ben ik een heel eind meegesleurd. (…) Pas in de ambulance ben ik weer bijgekomen. (…) Gelet op het feit dat ik van achteren ben aangereden moet het wel zo zijn dat de [autobestuurder] vanaf de [adres 2] kwam. Ik denk dat hij in ieder geval meer dan 30 km per uur reed. Er stond op die dag een verkeersbord in verband met werkzaamheden, waarop een snelheidslimiet stond van 30 km per uur. (…) De schade aan mijn motorfiets bevond zich aan de linker kant. De schade begon bij het voorwiel en eindigde bij de kunststoffen bagagebak aan de linker kant van de motorfiets (…).”

2.11.

De heer A. heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het volgende verklaard:

“Ik kende voor het ongeval geen van de daarbij betrokkenen. (…) Ik reed met mijn vriend in de straat waar het ongeval gebeurde, de straatnaam weet ik niet meer. Wij reden in de richting van waar wij een mooie zwarte motorfiets zagen staan. Ik zag dat er iemand op zat. Ook zag ik dat vanuit de tegenovergestelde richting van ons uit gezien een auto met een redelijke snelheid aan kwam. (…) De auto was ook wit met rood. Ik zag dat de auto tegen de motorfiets reed. Ik weet niet meer of die auto de motorfiets aan de achterkant of zijkant raakte. Ik zag wel dat de bestuurder door de klap van de motorfiets werd gelanceerd. (…) Mijn vriend heeft de auto waarin wij zaten gestopt. Ik was de passagier. We zijn niet uitgestapt. Wij keken en zagen mensen naar het ongeval toe rennen. Daarna zijn we, nog steeds in shock, doorgereden. (…) De dag na het ongeval ben ik met mijn vriend terug gegaan naar de plaats van het ongeval. We zijn toen het garagebedrijf ingegaan, waaruit wij de dag daarvoor mensen hebben zien rennen. We begrepen toen dat de baas van dat bedrijf het slachtoffer was. Hij was toen niet aanwezig. We hebben onze telefoonnummers achter gelaten voor het geval we een eventuele getuigenverklaring af moesten geven. (…) De motorfiets stond stil op de weg. (…).”

2.12.

De heer B heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het volgende verklaard:

“(…) Ik reed op de [adres 1] . Ik zat achter het stuur. Ik zag een man op een motorfiets schuin op de straat staan, met zijn neus van de [adres 2] af. (…) Ik zag een rood-witte auto aankomen vanaf de [adres 2] en die reed toen de motorfiets in de linkerflank aan. Ik heb gezien dat de man op de motor door de aanrijding als het ware gelanceerd werd. (…) Wij zijn daarna doorgereden. (…) Ik ben met mijn vriend kort na het ongeval, maar niet op dezelfde dag, teruggegaan naar de plaats van het ongeval en heb gevraagd of wij iets konden doen. (…) De motorrijder stond op het moment van de aanrijding stil. Ik heb hem niet zien rijden. (…).

2.13.

De heer C heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het navolgende verklaard:

“(…) Ongeveer 2,5 jaar geleden reed ik met mijn auto, ik geloof op de [adres 1] , ter hoogte van de garage (...). Ik zag toen een zwarte chopper, een mooie [merk] , staan. (…) Er zat wel een man op. Wel kan ik mij herinneren dat hij in de rijrichting stond. Hij stond stil. (…) Er kwam een rood-witte auto aanrijden uit de van richting de [adres 2] . Ik zag die auto gewoon op die motorfiets inrijden. Ik dacht nog: dat zou niet hoeven, hoe kan dat nou? Ik heb gezien dat de motor omviel. (…) Voor zover ik heb gezien stond de motorfiets stil. De motorfiets stond een beetje haaks nabij de garage. De auto raakte de motor aan de linkerkant.”

2.14.

De heer D heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het volgende verklaard:

“[Verzoeker] en ik zijn compagnons geweest in de autogarage waarvoor het ongeval heeft plaats gehad. (…) Ik zag dat [verzoeker] stopte om een auto die er hard aan kwam rijden voor te laten gaan. (…) De motorfiets is, denk ik aan de zijkant geraakt. (…) Ik denk dat de auto boven de 50 km per uur reed, maar ik weet dat niet zeker. (…) Ik kan mij niet herinneren dat de motor slipte. Hij maakte wel geluid. (…).

2.15. [

Autobestuurder] heeft over de toedracht van het ongeval onder meer het navolgende verklaard:

“(…) Ik reed vanaf de [adres 2] de [adres 1] in. Ik zal 40 á 50 kilometer per uur gereden hebben, ik kwam net uit de bocht. (…) Ik zag een motorfiets staan met een berijder erop. Ik zag hem rijden en zag hem gasgeven, waarna ik zag dat zijn achterwiel slipte. Ik ben doorgereden, ik ben de motorfiets gepasseerd. Op dat moment reed de motorfiets rustig. (…) Ik reed ruim om hem heen omdat ik hem had zien slippen. Toen ik hem eigenlijk al voorbij was hoorde ik een klap en zag ik de motorfiets in mijn auto hangen. Ik zag, als ik het mij goed herinner, dat de motorfiets door het rechterachterraam was gevallen. Het kan ook het voorraam zijn geweest. Dat weet ik niet meer. (…) De motorfiets moet denk ik linksvoor schade hebben gehad. (...) Ik heb de motorfiets niet goed bekeken na het ongeval. (...) Toen ik hem passeerde reed hij dus rustig en op dat moment slipte hij niet. Toen ik hem passeerde, reed ik zo ongeveer tegen de as van de weg. Het is een vrij brede weg. (…)”.

2.16.

Bij brief van 6 november 2018 heeft de advocaat van VGA aan de advocaat van [verzoeker] medegedeeld geen aanleiding te zien om aansprakelijkheid te erkennen.

3 Het verzoek

3.1.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank – samengevat – bij beschikking:

  1. bepaalt dat VGA, als WAM-verzekeraar van [autobestuurder], (volledig) aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog lijdt,

  2. bepaalt dat VGA is gehouden de volledige geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade van [verzoeker] te vergoeden,

  3. de kosten van deze procedure op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vaststelt conform de opgave van de advocaat van [verzoeker], althans een nader in goede justitie te bepalen bedrag, en VGA veroordeelt – naar de rechtbank begrijpt – in de kosten van de procedure, vermeerderd met het griffierecht, te voldoen binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking.

3.2.

VGA voert verweer.

3.3.

Op de standpunten van partijen zal hierna worden ingegaan.

4 De beoordeling

Behandeling in een deelgeschilprocedure

4.1.

Bij beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure stelt de rechtbank voorop dat de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschil aan de orde kan komen. Een oordeel hierover kan de weg vrij maken voor verdere schikkingsonderhandelingen en bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen.

4.2. [

Verzoeker] heeft meegedeeld dat de aansprakelijkheidsvraag kan worden beantwoord aan de hand van de verklaringen van partijen en getuigen van het ongeval, waaronder ook de processen-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor, zoals opgenomen in het verzoekschrift. Volgens [verzoeker] zijn er geen andere bewijsmiddelen voorhanden die uitsluitsel kunnen verschaffen over de toedracht dan de reeds bij het verzoekschrift in het geding gebrachte stukken. VGA heeft ter zitting meegedeeld evenmin over andere bewijsmiddelen te beschikken dan de reeds aanwezige informatie.

4.3.

Gelet hierop neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat partijen een oordeel over de aansprakelijkheid van VGA wensen op basis van de op dit moment beschikbare informatie, waarbij zij desgevraagd geen concrete mogelijkheden naar voren hebben gebracht om verder bewijs te leveren van de toedracht. Nu er geen andere gronden zijn die aan een beoordeling op grond van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in de weg staan, is de rechtbank van oordeel dat deze zaak zich leent voor een deelgeschilprocedure. Het verzoek zal dan ook inhoudelijk worden beoordeeld.

Toedracht van het ongeval

4.4.

Tussen partijen is in geschil wat de toedracht van het ongeval is geweest. [verzoeker] heeft omtrent de toedracht – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. Hij stelt dat hij voorafgaand aan het ongeval zijn motorfiets vanaf de stoep achteruit op de weg had gemanoeuvreerd. Vervolgens is hij een klein stukje vooruit gereden. Hij stond schuin naar links gedraaid aan de rechterkant van de weg en stond stil toen hij werd aangereden door de auto, die werd bestuurd door [autobestuurder]. [Autobestuurder] reed op dat moment harder dan de maximumsnelheid van 30 km/uur, aldus [verzoeker].

4.5.

VGA betwist de gestelde toedracht en voert daartoe aan dat de aanrijding plaatsvond doordat [verzoeker], nadat [autobestuurder] hem aan de linkerzijde met een ruime bocht had ingehaald, met zijn motorfiets naar links en vervolgens tegen de rechterportier van de auto is aangereden. [Autobestuurder] heeft volgens VGA niet harder dan de van toepassing zijnde maximumsnelheid van 50 km/uur gereden.

4.6.

De stelplicht en bewijslast van de stellingen (i) dat [autobestuurder] [verzoeker] op zijn motorfiets (stilstaand) heeft aangereden en derhalve onvoldoende afstand heeft gehouden tijdens het inhalen en (ii) dat [autobestuurder] te hard heeft gereden, rusten op [verzoeker].

4.7. [

Verzoeker] heeft ten bewijze van zijn stelling dat [autobestuurder] [verzoeker] op zijn motorfiets heeft aangereden, terwijl hij stilstond, schriftelijke getuigenverklaringen en processen-verbaal overgelegd van getuigen die tijdens het voorlopig getuigenverhoor bij de rechtbank Midden-Nederland over de toedracht van het ongeval hebben verklaard. Naast [verzoeker] en destijds zijn compagnon, de heer D, zijn daarbij de heren A, B en C, die allen als omstanders ten tijde van het ongeval ter plaatse waren, gehoord.

4.8.

De door [verzoeker] gestelde toedracht vindt steun in de afgelegde verklaringen. De verklaringen van de omstanders zijn zowel ten aanzien van de positie van [verzoeker] als degene die de aanrijding heeft veroorzaakt, eensluidend. Uit de in het geding gebrachte processen-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor blijkt dat zij alle drie de motor eerst hebben waargenomen alvorens zij de auto uit de richting van de [adres 2] zagen komen aanrijden. Zowel de heer A, de heer B als de heer C hebben tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat de motorfiets stilstond op de weg en dat de auto tegen de motorfiets aanreed.

4.9.

VGA voert aan dat de heren A en B het exacte ongevalsmoment niet hebben gezien. Zij heeft deze stelling echter onvoldoende gemotiveerd. Dat deze personen het exacte ongevalsmoment niet hebben gezien, blijkt in elk geval niet uit de door hen afgelegde verklaringen. Een hierop gerichte vraag is ook niet (door de advocaat van VGA) tijdens het voorlopig getuigenverhoor aan hen gesteld. De heer A heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor verklaard: “Ik zag dat de auto tegen de motorfiets reed” (zie 2.11) en in zijn eerder afgelegde schriftelijke verklaring staat weergegeven: “(…) reed de meneer die op zijn motor schuin op de weg stilstond aan.” De heer B heeft eerder verklaard “(…) zag ik een motor schuin stilstaan op de weg. Vervolgens reed er een auto (…) met een hoge snelheid tegen de motor aan. Ik verminderde mijn snelheid en zag hoe het ongeval gebeurde.” Hetzelfde geldt voor het verweer van VGA dat uit de verklaringen van de heren A en B ook niet blijkt dat de motorfiets op het moment van de aanrijding stilstond. Ook dit verweer slaagt niet. Naast de verklaringen die hiervoor zijn aangehaald, heeft de heer B tijdens het voorlopig getuigenverhoor immers verklaard: “De motorrijder stond op het moment van de aanrijding stil” (zie 2.12).

4.10.

VGA kan verder niet worden gevolgd in haar betoog dat aan de verklaring van de heer C geen waarde kan worden gehecht, aangezien hij heeft verklaard dat de auto frontaal op de motorfiets is gebotst. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de heer C dit in zijn schriftelijke verklaring naar voren heeft gebracht en niet tijdens het voorlopig getuigenverhoor. Ofschoon de heer C tijdens het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard: “Ik zag die auto gewoon op die motorfiets inrijden”, heeft hij vervolgens ook verklaard dat de auto de motorfiets aan de linkerkant raakte (zie 2.13), hetgeen strookt met de andere verklaringen. Voor de rechtbank is er geen reden om aan de juistheid van de verklaring van de heer C, rijinstructeur van beroep, te twijfelen dan wel om aan zijn verklaring geen waarde te hechten.

4.11.

Uit het vorenstaande volgt dat de door [verzoeker] bij het verzoekschrift overgelegde producties voldoende bewijs bieden voor de door hem gestelde toedracht van het ongeval. De afgelegde verklaring van [autobestuurder] maakt dat niet anders.

4.12. [

Autobestuurder] heeft als enige verklaard dat hij [verzoeker] heeft ingehaald en vervolgens een klap hoorde. Voor zover [autobestuurder] daarmee heeft bedoeld dat [verzoeker] tegen de auto op reed, staan daar de drie onafhankelijke getuigenverklaringen tegenover die de verklaring van [autobestuurder] weerspreken. Deze onafhankelijke verklaringen die de door [verzoeker] gestelde toedracht onderschrijven, worden door de verklaring van [autobestuurder] onvoldoende weerlegd. Verder heeft VGA de stelling van [verzoeker] dat na de aanrijding geen schade aan de voorkant van de motor is aangetroffen, hetgeen volgens [verzoeker] erop duidt dat hij niet tegen de motor is aangereden, onvoldoende weersproken. VGA heeft verder geen andere stuk overgelegd waaruit het tegendeel blijkt.

4.13.

Uit de door [verzoeker] bewezen toedracht van het ongeval volgt dat [autobestuurder] tijdens zijn inhaalmanoeuvre onvoldoende afstand heeft gehouden en tegen [verzoeker] is aangereden. [Autobestuurder] heeft daarmee onrechtmatig jegens [verzoeker] gehandeld. Nu de auto van [autobestuurder] ten tijde van het ongeval voor het risico van wettelijke aansprakelijkheid bij VGA was verzekerd, is hiermee het recht op schadevergoeding als gevolg van het ongeval gegeven.

4.14.

De overige stellingen van partijen met betrekking tot de aansprakelijkheid, waaronder de stellingen omtrent de snelheid waarmee [autobestuurder] heeft gereden, behoeven geen verdere bespreking. Ten overvloede merkt de rechtbank met betrekking tot de toegestane snelheid het navolgende op. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] zijn stelling dat de ter plaatse geldende maximumsnelheid ten tijde van het ongeval 30 km/uur was (en dat [autobestuurder] aldus te hard heeft gereden) - in het licht van de gemotiveerde betwisting van VGA - onvoldoende gemotiveerd. [Verzoeker] stelt weliswaar dat ten tijde van het ongeval een verkeersbord was geplaatst met een snelheidsbeperking van 30 km/uur en heeft ter onderbouwing van zijn stelling een foto van de situatie ter plaatse met daarop voornoemd verkeersbord in het geding gebracht, maar uit die foto kan niet worden afgeleid wanneer die precies is genomen en of het daarop zichtbare bord er ook ten tijde hier van belang stond. Daar komt bij dat, zoals VGA terecht heeft aangevoerd, in het proces-verbaal van de politie is opgetekend dat de maximumsnelheid ter plaatse 50 km/uur betrof. Daaruit blijkt niet dat er op dat moment een bijzondere snelheidsbeperking van 30 km/uur gold.

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat VGA aansprakelijk is voor de schade van [verzoeker] die het gevolg is van het ongeval. Nu echter ook vaststaat dat [verzoeker] geen helm droeg ten tijde van het ongeval en er (aldus) nog veel onduidelijk is over de eventuele mate van eigen schuld ten aanzien van de omvang van de schade, zal niet worden bepaald dat VGA is gehouden de volledige schade van [verzoeker] aan hem te vergoeden. Het verzoek ter zake de vergoeding van de schade als gevolg van het ongeval zal, met inachtneming van eventuele eigen schuld, worden toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.

Kosten deelgeschil

4.16.

De kosten van het deelgeschil dienen op grond van het bepaalde in artikel 1019aa Rv te worden begroot. Hierbij geldt de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), in die zin dat het redelijk dient te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en dat de hoogte van die kosten eveneens redelijk is.

4.17.

VGA betwist niet het door de advocaten van [verzoeker] gehanteerde uurtarief, maar maakt wel bezwaar tegen het aantal in rekening gebrachte uren. Voorafgaand aan deze deelgeschilprocedure is al een voorlopig getuigenverhoor gevoerd door [verzoeker]. Gelet op dit voorwerk voert VGA aan dat een bedrag van maximaal € 2.000,- aan kosten voor het deelgeschil redelijk is. Verder hebben twee advocaten, te weten: mr. E.A Dekker en mr. B., aan het verzoekschrift gewerkt. VGA voert aan dat zij op grond van artikel 6:96 BW niet de kosten van beide advocaten behoeft te vergoeden.

4.18.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aantal uren gemoeid met het opstellen van het verzoekschrift niet te ruim gerekend. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat door VGA niet is weersproken dat het verzoekschrift in het kader van de onderhavige procedure veel uitgebreider is dan het verzoekschrift tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor en dat het dossier in het kader van de deelgeschilprocedure opnieuw moest worden bestudeerd. Bovendien is door mr. Dekker, de advocaat van [verzoeker], een relatief laag uurtarief gehanteerd. Door mr. Dekker is gesteld dat zij het verzoekschrift samen met haar kantoorgenoot, mr. B., heeft opgesteld. De rechtbank overweegt dat VGA niets concreets heeft gesteld waaruit blijkt dat daadwerkelijk (onnodig) dubbel werk is verricht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de door [verzoeker] opgevoerde uren te matigen naar 10,5 uur.

4.19.

De rechtbank acht de gehanteerde uurtarieven van mr. Dekker (€ 190,-) en mr. B. (€ 265,-) verder redelijk. Over de periode vanaf het opstellen van het verzoekschrift tot de behandeling ter zitting houdt de rechtbank, conform de specificatie van mr. Dekker, rekening met een tijdsbesteding van mr. B. van 1,3 uur en van mr. Dekker van 20,2 uur. Voorts gaat de rechtbank voor de aan de mondelinge behandeling bestede tijd in redelijkheid uit van 1,5 uur. De rechtbank stelt daarmee de totale tijdsbesteding van mr. Dekker op 21,7 uur.

4.20.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten begroten op een bedrag van ((1,3 x € 265 +21%=) € 416,85 + (21,7 x € 190 + 21%=) € 4.988,83 =) € 5.405,68. Deze kosten zullen worden vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 291,00, zodat het totaal uitkomt op een bedrag van € 5.696,68.

4.21.

Zoals hiervoor uiteengezet, staat thans nog niet vast dat en in welke mate er sprake is van eigen schuld en zal nog (in gezamenlijk overleg door partijen) moeten worden vastgesteld in hoeverre het niet dragen van een helm door [verzoeker] van invloed is op (de omvang van) de schade. Indien echter veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat toepassing van artikel 6:101 BW in dit geval zou leiden tot een lagere vergoedingsplicht ter zake van een deel van de schade, geldt het volgende.

4.22.

Vooropgesteld wordt dat, indien de schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW evenredig met de mate van eigen schuld van de benadeelde aan de door hem initieel geleden schade wordt verminderd, ook de verplichting om de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden in beginsel in dezelfde mate moet worden verminderd (HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624, Van der Slot/Manege Bergamo). Dit geldt ook voor de kosten van de behandeling van het deelgeschil, nu deze op grond van artikel 1019aa lid 2 Rv hebben te gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW.

4.23.

In dit geval is echter gebleken dat het ongeval volledig en alleen door de verzekerde van VGA, [autobestuurder], is veroorzaakt en dat enkel de ernst of omvang van de schadelijke gevolgen daarvan door [verzoeker] zelf kan zijn vergroot door het niet dragen van een helm. Dit leidt er toe dat de initiële schade, die ook zonder de fout van [autobestuurder] zou zijn geleden, voor volledige vergoeding in aanmerking komt. Verzoeker heeft geen eigen schuld aan het ontstaan van de schade, maar (mogelijk) slechts aan de omvang daarvan. De (mogelijke) eigen schuld aan de omvang van de schade verdient geen doorwerking op de aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. VGA zal daarom worden veroordeeld de volledige kosten van dit deelgeschil aan verzoeker te vergoeden.

5 De beslissing

De rechtbank

- bepaalt dat VGA aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval;

- bepaalt dat VGA is gehouden om de schade van [verzoeker] als gevolg van het ongeval te vergoeden, met inachtneming van een eventueel nog nader vast te stellen percentage eigen schuld van [verzoeker];

- begroot de kosten van dit deelgeschil aan de zijde van [verzoeker] op € 5.696,68 en veroordeelt VGA tot betaling daarvan aan [verzoeker], te voldoen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. E.C. Kleverlaan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2019.