Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9821

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-12-2019
Datum publicatie
09-01-2020
Zaaknummer
13-751756-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Polen, vervolging. Tussenuitspraak. Negatief van de IND twee jaar oud. Gelet op dit tijdsverloop acht de rechtbank acht het nodig dat de IND de vraag of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest, opnieuw beoordeelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751756-17

RK-nummer: 17/5908

Datum uitspraak: 6 december 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 september 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 mei 2017 door the Regional Court in Konin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1985,

wonende op het [adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 19 juni 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 juni 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de zaak op 19 juni 2018 aangehouden teneinde de beantwoording van de door de Ierse rechter gestelde prejudiciële vragen in zaak C-126/18 PPU af te wachten, omdat die beantwoording mogelijke relevant is voor de afdoening van deze zaak. De rechtbank heeft de beslistermijn om die reden opgeschort.

Zitting 25 oktober 2019

De rechtbank heeft het onderzoek op 25 oktober 2019 – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de schorsing op 19 juni 2018.


Gehoord zijn de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, de opgeëiste persoon en diens raadsman. De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft opnieuw het onderzoek geschorst en wel tot 22 november 2019 om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de al eerder gestelde ‘rechtsstaatvragen’ nogmaals ter beantwoording voor te leggen aan de beroepsinstantie te Poznań.

Zitting 22 november 2019

De rechtbank heeft het onderzoek op 22 november 2019 – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het moment van de schorsing op 25 oktober 2019.


Gehoord zijn de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, de opgeëiste persoon en diens raadsman. De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de overlevering toelaatbaar wordt verklaard.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting bevestigd dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 5 april 2017 van the District Court in Konin.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1: deelneming aan een criminele organisatie en 5: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Poolse autoriteiten plaats te vinden.

Hiertoe zijn de volgende argumenten aangevoerd:

- het onderzoek is in Polen aangevangen;

- de verdovende middelen waren voor de Poolse markt bestemd;

- de rechtsorde in Polen is geschonden;

- Polen heeft kenbaar gemaakt te willen vervolgen;

- het bewijs is in Polen;

- medeverdachten worden in Polen vervolgd.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Poolse nationaliteit.

Ter zitting van 19 juni 2018 is betoogd dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld moet worden aan een Nederlands onderdaan. Deze stelling is met stukken onderbouwd.

De officier van justitie is op die zitting tot de conclusie gekomen dat de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaren onafgebroken, rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.

De rechtbank heeft op 19 juni 2018 als beslissing uitgesproken dat is aangetoond dat de opgeëiste persoon meer dan vijf jaar in Nederland heeft gewerkt en gewoond en dat hij daarmee duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen, zoals blijkt uit het van die zitting opgemaakte proces-verbaal.

Dit betekent dat de opgeëiste persoon een beroep kan doen op de waarborg die in artikel 6, eerste lid OLW wordt geboden, voor zover hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen en indien de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Aan de tweede voorwaarde – Nederlandse rechtsmacht – is gelet op de artikelen 7 en 86b van het Wetboek van Strafrecht voldaan.

Wat de derde voorwaarde betreft – het behoud van recht op verblijf in Nederland - heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (IND) bij brief van 18 december 2017 onder meer het volgende meegedeeld:

In reactie op uw adviesverzoek van heden bericht ik u dat de strafbare feiten die u beschrijft er naar mijn oordeel toe kunnen leiden dat het verblijfsrecht van de heer [opgeëiste persoon] eindigt. (…) Bij een veroordeling door de Poolse strafrechter zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onderzoeken of het verblijfsrecht dient te vervallen. Internationale drugshandel, gedurende een langere periode en in georganiseerd verband gepleegd, is een zeer ernstig misdrijf op basis waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat betrokkene een actuele en ernstige bedreiging (…) is. Op basis van de beschikbare gegevens wordt weliswaar niet uitgegaan van duurzaam verblijfsrecht, maar bij de beschreven feiten is alleszins denkbaar dat er ‘ernstige redenen’ in de zin van artikel 8.18, aanhef en onder b, Vreemdelingenbesluit bestaan die verblijfsbeëindiging rechtvaardigen. Of aan deze criteria wordt voldaan moet blijken uit de feiten en omstandigheden van het individuele geval.

De rechtbank heeft oog voor het grote persoonlijke belang dat de opgeëiste persoon heeft bij een gegarandeerde terugkeer naar Nederland, indien hij in Polen tot een vrijheidsbenemende straf wordt veroordeeld, De rechtbank stelt verder vast dat voormelde brief van de IND inmiddels bijna twee jaar oud is. Om deze redenen en mede gelet op het door de IND te hanteren criterium dat (onder meer) sprake moet zijn van een actuele en ernstige bedreiging, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de IND de vraag of ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel opnieuw en met inachtneming van de huidige stand van zaken beoordeelt.

Hierin ziet de rechtbank aanleiding het onderzoek te heropenen en dit voor onbepaalde termijn te schorsen. Gelet op een spoedige afhandeling van onderhavige zaak bepaalt de rechtbank dat de zaak binnen een termijn van maximaal zes weken opnieuw op zitting dient te worden gepland.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 13 Overleveringswet.

8 Beslissing

HEROPENT het onderzoek en schorst dit voor onbepaalde tijd in afwachting van een actueel advies van de IND over de vraag of ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman, met dien verstande dat onderhavige zaak binnen een termijn van maximaal zes weken dient te worden gepland.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. I. Verstraeten-Jochemsen, voorzitter,

mrs. H.J. Fehmers en M.C.M. Hamer, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 6 december 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.