Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:982

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
13/752101-17 (EAB II)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

vervolgings-EAB Polen, tussenuitspraak, nader onderzoek i.v.m. toetsing artikel 6 lid 5 OLW en i.v.m. Poolse rechtsstaat/eerlijk proces

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752101-17 (EAB II)

RK-nummer: 18/5397

Datum uitspraak: 14 februari 2019

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 8 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 21 september 2017 door de Regional Court in Szczecin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

Zitting van 27 november 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 27 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. R. Heemskerk, advocaat te Den Haag, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevolen.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de uitspraakdatum op 11 december 2018 bepaald.

Op deze zitting is ook de vordering tot het in behandeling nemen van het tegen de opgeëiste persoon op 19 april 2018 door de Regional Court in Szczecin uitgevaardigde EAB, dat strekt tot tenuitvoerlegging van (het resterende deel van) een vrijheidsstraf voor de duur van 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan in Polen (13/751621-17 (EAB I)), behandeld. De rechtbank heeft in die zaak op 11 december 2018 afzonderlijk uitspraak gedaan en de verzochte overlevering geweigerd.

Tussenuitspraak van 11 december 2018

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 11 december 2018 overwogen dat de rechtbank na sluiting van het onderzoek tot de conclusie is gekomen dat het wenselijk is dat het debat over de

antwoorden op de gestelde vragen met betrekking tot de Poolse rechtsstaat van de President of the Court bij the District Court Szczecin-Centre bij brief van 6 november 2018 en van een rechter bij the Regional Court, IIIrd Criminal Division, Szczecin bij brief van 14 november 2018 op een nadere zitting wordt voortgezet. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de rechtbank eerst de zaak waarin zij op 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) tussenuitspraak heeft gedaan in de Poolse rechtsstaatkwestie, wil behandelen en dat die behandeling is gepland op

6 december 2018. De rechtbank heeft overwogen de behandeling van onderhavige zaak pas op een daarná gelegen datum voort te zetten.

Gevangenneming geschorst met ingang van 11 december 2018

De rechtbank heeft op 11 december 2018 de schorsing onder voorwaarden van het bevel gevangenneming bevolen, met ingang van voormelde datum.

Zitting van 31 januari 2019

De behandeling van de vordering is – met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon – voortgezet op de openbare zitting van 31 januari 2019 in de stand waarin de behandeling zich bevond ten tijde van de sluiting ter zitting van 27 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door mr. M.M.R. Slaghekke, advocaat te Amsterdam, die de zaak heeft overgenomen van mr. R. Heemskerk, en door een tolk in de Poolse taal.

Op deze zitting is ook de vordering tot het in behandeling nemen van het tegen de opgeëiste persoon op 7 januari 2019 door de Regional Court in Szczecin uitgevaardigde EAB, dat strekt tot

tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan in Polen (13/751075-19 (EAB III)), behandeld. De rechtbank doet, afzonderlijk, ook in die zaak tussenuitspraak op 14 februari 2019.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een decision on the application of provisional arrest issued by the District Court Szczecin – Right Bank and West in Szczecin, the VIIth Non-Local Criminal Division with the seat in Police van 30 September 2013 (referentie: VII K 413/12).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 26, te weten:

handel in gestolen voertuigen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Artikel 6, vijfde lid, van de OLW; aanleiding voor heropening van het onderzoek

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6, eerste lid, van de OLW worden toegestaan voor zover deze is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de uitvoerende justitiële autoriteit is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

  1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

  2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

  3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Ad 1)

Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank:

- een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger;

- een duurzaam verblijfsrecht niet hoeft te worden aangetoond middels overlegging van een verblijfsdocument, dit kan ook met het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.

De opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat hij beschikt over een duurzaam verblijfsrecht in Nederland als Unieburger en daartoe stukken overgelegd over de jaren 2013 tot en met (januari) 2019.

Gelet op de door de opgeëiste persoon overgelegde stukken heeft hij in de hiervoor genoemde jaren in Nederland – als werknemer en als zelfstandige – economische activiteiten verricht. Die economische activiteiten vormen dan ook de grondslag voor de toetsing van de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland. Van belang daarbij is dat in het Unierecht een persoon een werknemer/zelfstandige is als die persoon reële en daadwerkelijke arbeid verricht, die niet louter marginaal en bijkomstig is. De rechtbank zoekt bij de beantwoording van de vraag of daar in het geval van de opgeëiste persoon sprake van is aansluiting bij het door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) gehanteerde beleid (hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). De IND beschouwt een burger van de Unie als werknemer of zelfstandige als deze reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Van reële en daadwerkelijke arbeid is volgens het beleid van de IND in ieder geval (dus niet uitsluitend) sprake als:

 de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm;

of

 de burger van de Unie ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd werkt.

Voorts is van belang dat een economisch actieve Unieburger die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar rechtmatig op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, aldaar een duurzaam verblijfsrecht heeft.

Uit de stukken blijkt en niet ter discussie staat dat de opgeëiste persoon in de jaren 2013 tot en met 2016 als werknemer/zelfstandige op basis van voormelde criteria rechtmatig in Nederland heeft verbleven en dat dit verblijf een ononderbroken karakter had. Gelet op de overgelegde stukken, onder meer de registratie bij de Belastingdienst onder sofinummer per 10 januari 2013, stelt de rechtbank vast dat de periode van rechtmatig verblijf in Nederland is aangevangen in januari 2013.

De rechtbank is van oordeel dat met de overgelegde stukken ook afdoende is aangetoond dat de opgeëiste persoon in 2017 het ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft voortgezet. De rechtbank merkt, met de raadsvrouw en anders dan de officier van justitie, de vermelding op het aangifteformulier inkomstenbelasting/premieheffing 2017 dat sprake is van 8 maanden verblijf in het buitenland, aan als een misslag. De boekhouder heeft dit gecorrigeerd bij schriftelijke verklaring van 2 december 2018, waarin hij verklaart dat de opgeëiste persoon slechts van 13 april 2017 tot 17 mei 2017 in het buitenland heeft verbleven. Deze verklaring is aannemelijk, omdat deze korte periode van verblijf in het buitenland (Polen) overeenkomt met de gegevens in de Basisregistratie Personen. In dit verband is ook van belang dat de opgeëiste persoon met overlegging van bankafschriften en facturen van door hem verrichte werkzaamheden heeft aangetoond in 2017 ononderbroken rechtmatig in Nederland te hebben verbleven. De rechtbank merkt, met de officier van justitie, op dat de opgeëiste persoon in week 16 van 2017 volgens de door hem overgelegde facturen opvallend veel uren heeft gewerkt, namelijk circa 100 uren. Uit de overige overgelegde facturen blijkt dat dit een uitzonderlijke week is geweest wat betreft het aantal gewerkte uren. Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank in die enkele uitschieter geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de informatie vermeld in de facturen. Tot slot verdient ten aanzien van 2017 nog opmerking dat de periode van 13 april 2017 tot 17 mei 2017 in het buitenland niet af doet aan het ononderbroken karakter van het rechtmatig verblijf. Bij de verwerving van een duurzaam verblijfsrecht wordt het ononderbroken karakter van het verblijf niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, zo volgt uit artikel 16 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004.

Uit de overgelegde stukken blijkt voorts en niet ter discussie staat dat de opgeëiste persoon in 2018 en januari 2019 ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de opgeëiste persoon in januari 2018 vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleef en op dat moment dus een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Niet is gebleken dat hij dit verblijfsrecht daarna heeft verloren. De opgeëiste persoon is sindsdien immers niet meer dan twee achtereenvolgende jaren afwezig geweest uit Nederland en het verblijfsrecht is niet beëindigd vanwege ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid.

De opgeëiste persoon heeft dan ook aangetoond dat hij voldoet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.

Ad 2)

Ook aan de tweede voorwaarde – Nederlandse rechtsmacht – is voldaan. Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van het duurzame verblijfsrecht van de opgeëiste persoon en gelet op de artikelen 7 en 86b van het Wetboek van Strafrecht, concludeert de rechtbank dat ook is voldaan aan het zogenoemde rechtsmachtvereiste.

Ad 3)

De rechtbank zal tot slot moeten toetsen of ook is voldaan aan de derde en laatste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander. Dat zal moeten gebeuren aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De rechtbank zal het onderzoek daarom heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen deze verklaring van de IND te verkrijgen.

Mocht blijken dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander, dan zou zijn overlevering ter strafvervolging slechts kunnen worden toegestaan met een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW. De rechtbank verzoekt de officier van justitie dan ook bij voorbaat – indien nodig – die terugkeergarantie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen en aan het dossier toe te voegen.

6. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Poolse rechtsstaat); aanleiding voor heropening van het onderzoek

6.1

Inleiding

De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 11 december 2018 al overwogen dat de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 in een andere Poolse overleveringszaak (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) heeft geoordeeld dat er in Polen een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van Polen betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen.

Gelet op dit dreigende reële gevaar en het in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest) gegeven toetsingskader, moet de rechtbank vervolgens concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen. Hiertoe dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen betreft, gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. Vervolgens zal de rechtbank gelet op het in het arrest gegeven toetsingskader ook de vraag moeten beantwoorden of er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ter beantwoording voorgelegd de – door de rechtbank in andere Poolse overleveringszaken reeds gestelde – vragen over de volgende onderwerpen:

  1. de personele wijzigingen die zich sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken hebben voorgedaan, in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de (vice)voorzitters en rechters;

  2. de regels en procedures met betrekking tot de toewijzing van zaken aan kamers of rechters binnen de bevoegde rechterlijke instanties en de behandeling daarvan;

  3. de tuchtzaken of andere disciplinaire maatregelen die (vice)voorzitters en rechters van de genoemde rechterlijke instanties sindsdien hebben geraakt, bijvoorbeeld in de vorm van wijzigingen met betrekking tot de bezoldiging;

  4. de procedures die de opgeëiste persoon ter beschikking staan om schendingen van het hem toekomende recht op een onafhankelijk gerecht te kunnen aanvechten, en de waarborgen waarmee zij zijn omgeven;

  5. buitengewoon beroep.

De antwoorden zijn, zoals hiervoor bij het procedureverloop al weergegeven, ontvangen.

6.2

Standpunt van de opgeëiste persoon

Voortschrijdend inzicht aan de zijde van de verdediging heeft, bij monde van de opvolgend raadsvrouw, ter zitting van 31 januari 2019 het volgende gebracht. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat vanuit haar kantoor informatie en legal opinions vanuit het Poolse ‘werkveld’ worden vergaard. Meer concreet zijn diverse Poolse advocaten benaderd voor nadere informatie en is een Poolse professor een stuk aan het schrijven omtrent zijn visie aangaande de Poolse rechtsstaat. Deze professor is in het bezit van de vragen die de rechtbank in andere Poolse overleveringszaken heeft gesteld bij tussenuitspraken van 4 oktober 2018 en 4 januari 2019 en zal deze — waar mogelijk— in zijn legal opinion beantwoorden. De raadsvrouw benadrukt het zeer goed te vinden dat de Amsterdamse rechtbank kritisch is ten aanzien van de Poolse rechtsstaat en in dit verband nadere vragen stelt aan de Poolse autoriteiten. De raadsvrouw hecht echter veel waarde aan de input van onafhankelijke juridische autoriteiten in Polen. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank dan ook om de zaak aan te houden, zodat de door haar kantoor vergaarde informatie en legal opinions een bijdrage kunnen leveren aan de dialoog die de rechtbank momenteel met Polen voert omtrent de zorgelijke juridische situatie in Polen. De raadsvrouw verwacht binnen een maand de nadere informatie en legal opinions te kunnen overleggen.

6.3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting van 27 november 2018 opgemerkt dat in de brieven van

6 en 14 november 2018 van de Poolse rechters serieus wordt ingegaan op de onafhankelijkheid van de Poolse rechters in Szczecin. De antwoorden zijn volgens de officier van justitie vergelijkbaar met de antwoorden die zijn gegeven in een zaak waarin de Internationale Rechtshulpkamer op 26 november 2018 uitspraak heeft gedaan en de overlevering heeft toegestaan (ECLI:NL:RBAMS:2018:8508). De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht ook het onderhavige overleveringsverzoek toe te staan.

Ter zitting van 31 januari 2019 heeft de officier van justitie zich verzet tegen inwilliging van het verzoek om aanhouding van de raadsvrouw. Hierbij heeft hij opgemerkt dat een Poolse professor of advocaat niet per definitie onafhankelijk is. Volgens de officier van justitie moet de informatie door rechterlijke instanties worden verstrekt.

6.4

Overwegingen van de rechtbank

6.4.1

Aanleiding tot stellen van nadere vragen aan Poolse autoriteiten door de

rechtbank

Inleiding

In deze zaak zijn (vooral) bij brief van 14 november 2018 de vragen betreffende de Poolse rechtsstaat door the Regional Court in Szczecin, III Criminal Division beantwoord. De rechtbank acht voor haar oordeel de navolgende antwoorden van belang:

Ad. A Changes in the staff situation

After the coming into force of the act on the 12th of July 2017 on the changes of the act - “The law on the structure of the common law courts (…) and some other acts (The Journal of Laws of 2017, item 1452) in the Regional Court in Szczecin (…) and the District Court Szczecin - Centre in Szczecin (…) did not take place any dismissals of the presidents and vice-presidents of the courts.

(…)

In the District Court Szczecin - Centre in Szczecin the court assessors do not adjudicate in criminal cases.”

en

Ad. C Disciplinary proceedings or other disciplinary measures

There are no cases known, that from the entry into force of the indicated changes any disciplinary proceedings have been started against the judges of the court authorities competent for conducting the proceedings in respect of the requested person in the present case, that is the judges of the – Regional Court in Szczecin and the District Court in Szczecin – Right Bank and West in Szczecin Centre In Szczecin.”

De rechtbank is in een andere overleveringsprocedure betreffende een Pools vervolgings-EAB ambtshalve op de hoogte geraakt van de antwoorden van the District Judge van the Krakow-Podgorz Regional Court van november 2018.

De rechtbank acht de volgende passages uit de antwoorden van the District Judge van the Krakow-Podgorz Regional Court voor deze zaak van belang (onderstreping door de rechtbank):

" (…)

C. Disciplinary action or other ( disciplinary) measures.

1. Have disciplinary actions been taken against court presidents, deputies or judges since the entry into force of the law revisions discussed above? If so, on what grounds and what were the outcomes?

(…)

Nevertheless, several disciplinary and criminal actions have been taken against judges, and the actions are highly likely to be related to the cases which the judges had disposed and which had a political context. Alternatively, they may have something to do with the steps taken or public statements made by the judges with the purpose of safeguarding the independence of the Polish judiciary.

Steps that may have a freezing effect on judges include:

(…)
4)Criminal action brought against administrative judges of Szczecin courts , who assigned for examination requests for pre-trial detention of directors charged with acting against the interests of chemical company Police,

(…)"

Heropening van het onderzoek ter zitting voor het stellen van nadere vragen

De rechtbank ziet tegen de achtergrond van het voorgaande aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen inzake de antwoorden op de vragen A.1, A.4 en C.1 tot en met C.3.

In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van de vragen C.1 tot en met C.3

In de hiervoor geciteerde brief van the District Judge van the Krakow-Podgorz Regional Court van november 2018 zijn meer voorbeelden gegeven van (disciplinaire) maatregelen die tegen (vice)presidenten en rechters zijn genomen en die mogelijk de beoordelingsvrijheid van rechters beïnvloeden. Er is onder meer een voorbeeld gegeven dat ziet op rechters van ‘Szczecin courts’. Blijkens het voorbeeld zou een strafrechtelijke vervolging tegen een aantal rechters zijn gestart “who assigned for examination requests for pre-trial detention of directors charged with acting against the interests of chemical company Police”.

De rechtbank vraagt de uitvaardigende justitiële autoriteit om haar visie ten aanzien van het vorenstaande weer te geven en verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit in dat kader de vragen C.1 tot en met C.3 meer gedetailleerd te beantwoorden.

Ten aanzien van vraag A.1

Uit hetgeen door the Regional Court in Szczecin, III Criminal Division onder C. is geantwoord, zou kunnen worden afgeleid dat er geen rechters zijn ontslagen in the Regional Court in Szczecin en the District Court Szczecin - Centre in Szczecin.

Is dit een juiste veronderstelling in het licht van wat the District Judge van the Krakow-Podgorz Regional Court in november 2018 onder C. heeft aangegeven?

Ten aanzien van vraag A.4

De rechtbank beschikt ambtshalve over informatie dat assistent-rechters behalve in District Courts ook in Regional Courts werken. Daarom verzoekt de rechtbank om vraag

A.4 tevens met betrekking tot the Regional Court in Szczecin te beantwoorden.

Slotsom

Naar aanleiding van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet.

De rechtbank beschikt op dit moment nog over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. Deze informatie kan ook relevant zijn voor de beantwoording van de - derde - vraag of concreet een gevaar voor een oneerlijk proces voor de opgeëiste persoon moet worden aangenomen.

De rechtbank verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit dan ook nogmaals om haar, gelet op de aanbevelingen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, te voorzien van informatie om haar in staat te stellen een oordeel te vormen over de actuele en concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrest.

Bovendien herhaalt de rechtbank haar uitnodiging aan de uitvaardigende Poolse autoriteit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht, in het bijzonder gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

In vervolg op de reeds verstrekte informatie verzoekt de rechtbank daarom, in het licht van het voorafgaande, beantwoording van de volgende vragen:

A. Wijzigingen personele bezetting

1. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken rechters ontslagen? Zo ja, op welke datum is het ontslag aangezegd en wat is de grond die hiervoor is gegeven?

4. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet inzake de Nationale School voor de
rechterlijke macht assistent-rechters benoemd in the Regional Court in Szczecin en
zo ja, behandelen zij strafzaken en zo ja, als unus of binnen een rechterlijke
college?

C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen

1. Zijn er sinds de hiervoor vermelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?

2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?

3. Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het
verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie. Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding?

De rechtbank verzoekt dat de vragen worden doorgeleid naar een bevoegd(e) persoon of instantie, indien dit voor de beantwoording daarvan noodzakelijk is.

Eindvraag:

Tot slot verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit alle gegevens die in deze dialoog van belang zijn maar wellicht buiten het kader van de gestelde vragen vallen, te vermelden.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek ook heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.

6.4.2

Ten aanzien van het verzoek om aanhouding van de raadsvrouw

De heropening van het onderzoek biedt de raadsvrouw de gelegenheid de informatie uit Polen, die op dit moment door haar kantoor wordt vergaard, te krijgen en in de procedure te brengen.

7 Beslissing

HEROPENT en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde:

- de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst te verkrijgen over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel;

- de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank aan het einde van rubriek 6.4.1 geformuleerde aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ter beantwoording voor te leggen met het oog op de toetsing aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Poolse rechtsstaat).

De raadsvrouw wordt door de aanhouding in de gelegenheid gesteld nadere informatie te overleggen met het oog op de toetsing aan artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Poolse rechtsstaat).

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;

BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.