Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:976

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
13/751653-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Duitsland, overlevering toegestaan, genoegzaamheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751653-18

RK-nummer: 18/8373

Datum uitspraak: 14 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 april 2018 door de Leidende Hoofdofficier van Justitie te Kleve (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] ( Nigeria ) op [geboortedag] 1972,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 januari 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht aanwezig te zijn ter zitting. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn raadsman, mr. D.E. Wiersum, advocaat te Haarlem, die heeft verklaard door de opgeëiste persoon te zijn gemachtigd namens hem een standpunt in te nemen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nigeriaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 5 maart 2018 van de Rechtbank van eerste aanleg Kleve (dossiernummer: 10 Gs-204 Js 477/17 331/18).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Duitsland strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Genoegzaamheid

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak is aan de hiervoor genoemde vereisten voldaan. Ook de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het vermeende strafbare feit – medeplegen van invoer van heroïne in Duitsland vanuit Nederland – is, anders dan gesteld door de raadsman, genoegzaam omschreven. In het EAB is namelijk vermeld dat de opgeëiste persoon als mededader betrokken zou zijn. Verder is zijn vermeende rol omschreven als degene die in Nederland de verdovende middelen zou hebben verpakt en/of ter beschikking gesteld.

Voor zover de raadsman de vermelding in het EAB dat sprake zou zijn geweest van handelen ‘in overeenstemming met het gemeenschappelijk daadplan’ door de opgeëiste persoon en de personen die de verdovende middelen naar Duitsland zouden hebben gebracht niet voldoende vindt om de opgeëiste persoon als medepleger bij de invoer van de verdovende middelen in Duitsland aan te merken, geldt dat een dergelijk verweer in dit geval niet de genoegzaamheid van de feitsomschrijving, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder e, van de OLW, kan raken. Een dergelijk juridisch verweer met betrekking tot ‘medeplegen’, zal door de (advocaat van de) opgeëiste persoon in de Duitse strafprocedure moeten worden gevoerd, waarbij ook de door de raadsman aangehaalde kwestie van de rechtsmacht ter sprake zou kunnen worden gebracht. Hierbij merkt de rechtbank op dat door de uitvaardigende justitiële autoriteit in deze zaak – in redelijkheid, zoals de rechtbank hierna in rubriek 5 nader zal vermelden – een lijstfeit is aangekruist, zodat de rechtbank de strafbaarheid naar Nederlands recht (inclusief deelnemingsvorm) niet hoeft vast te stellen. Met de omstandigheid dat een EAB is uitgevaardigd en gelet op de gegeven feitsomschrijving is voor de rechtbank in deze procedure verder een gegeven dat Duitsland rechtsmacht heeft ten aanzien van het vermeende door de opgeëiste persoon gepleegde feit.

5 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

Het EAB heeft betrekking op een strafbaar feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:

  • -

    het onderzoek is in Duitsland gestart;

  • -

    de mededaders zijn in Duitsland aangehouden;

  • -

    de concentratie van bewijs is in Duitsland;

  • -

    de verdovende middelen zijn in Duitsland ingevoerd en de rechtsorde is daar geschaad.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. Aangevoerd is het volgende:

  • -

    de zaken van de in het EAB genoemde [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] zijn waarschijnlijk al afgerond en deze personen zitten waarschijnlijk niet meer vast in Duitsland;

  • -

    de opgeëiste persoon heeft zijn vermeende strafbare handelingen geheel in Nederland verricht.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 13, van de OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan de Leidende Hoofdofficier van Justitie te Kleve (Duitsland) ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2019.

Mr. B. Poelert is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.