Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:971

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
13/997061-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Beslissingen op verzoeken van verdediging onderzoek Marsman II

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/997061-17

PROCES-VERBAAL

TERECHTZITTING

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige strafkamer, op 14 februari 2019.

Tegenwoordig:

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en E. van den Brink, rechters

en mr. R. Stockmann, griffier.

Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J. Plooij, officier van justitie.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, opgeroepen als:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “ [naam PI] te [plaats] ,

is niet verschenen.

De raadslieden van verdachte, mr. I.N. Weski en mr. S. Splinter zijn niet ter terechtzitting verschenen.

De nabestaanden [naam nabestaande 1] en [naam nabestaande 2] zijn eveneens niet ter terechtzitting verschenen, evenmin als hun raadsman mr. R.A. Korver.

De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 29 januari 2019.

De voorzitter deelt de beslissingen van de rechtbank op de onderzoekswensen van de verdediging en de verzoeken van de nabestaanden, zoals aangevoerd op de regiezitting van 29 januari 2019, mee. Deze houden samengevat het volgende in:

- Data Ennetcom

o Over de stukken onder a, c en g hoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen, omdat deze stukken inmiddels aan het procesdossier zijn toegevoegd.

o De rechtbank gaat er vanuit dat alle stukken zoals bedoeld onder f zich in het procesdossier bevinden.

o De stukken onder b, d en e acht de rechtbank redelijkerwijs niet van belang voor de verdediging om de rechtmatigheid van de verkrijging en het gebruik van de gegevens van de Ennetcomserver en de betrouwbaarheid van deze gegevens te betwisten. Het verzoek tot verstrekking van deze stukken wordt daarom afgewezen.

- Delen informatie uit Tandem ten behoeve van onderzoek Marsman

o De officier van justitie heeft tijdens de regiezitting van 29 januari 2019 de benodigde verantwoording afgelegd over het contact tussen de onderzoeksteams Tandem en Marsman over de relevante Ennetdom-data.

o De officier van justitie is voldoende tegemoetgekomen aan het verzoek van de verdediging om verstrekking van gegevens die vanuit andere opsporingsonderzoeken zijn gedeeld met het onderzoeksteam Marsman.

o Het verzoek tot verstrekking van alle berichten en onderliggende extractierapporten van de gekraakte telefoons wordt toegewezen met betrekking tot de ‘gekraakte’ telefoon van [naam 1] .

o De rechtbank biedt de verdediging in het kader van de behandeling van de huidige strafzaak MarsmanII opnieuw de mogelijkheid om de TandemII dataset uit te laten breiden met andere berichten vanuit de Ennetcom-data door daarvoor zoektermen door de rechter-commissaris te laten goedkeuren. Het verzoek tot verstrekking van alle Ennetcom-data wordt afgewezen.

o Het verzoek tot verstrekking van alle PGPsafe-data wordt afgewezen.

- Analyse zendmastgegevens

o Nu de verdediging, blijkens een e-mail bericht van de officier van justitie van 1 februari 2019, de gevraagde analyse verstrekt zal krijgen, gaat de rechtbank ervan uit dat voldoende aan de wens van de verdediging tegemoet zal worden gekomen, zodat de rechtbank hierover geen beslissing hoeft te nemen.

o Wat betreft de identificerende processen-verbaal verwijst de rechtbank naar de pagina’s 796, 834 en 360 van het dossier MarsmanI.

o Het verzoek tot verstrekking van alle onderliggende stukken van de zendmastgegevens wordt afgewezen, omdat het verzoek te algemeen is geformuleerd.

- TCI informatie

o Het verzoek tot nader onderzoek naar de bronnen van de TCI-informatie wordt afgewezen.

- Ruisbericht Vlinderscrime

o De officier van justitie heeft tijdens de regiezitting van 29 januari 2019 de benodigde verantwoording afgelegd. Het verzoek om de officier van justitie op te dragen schriftelijke verantwoording af te laten leggen wordt afgewezen.

- Alternatieve scenario’s

o De officier van justitie heeft tijdens de regiezitting van 29 januari 2019 de benodigde verantwoording afgelegd ten aanzien van de conclusies over het onderzoek naar de alternatieve scenario’s. Het verzoek om de officier van justitie op te dragen schriftelijke verantwoording af te laten leggen wordt afgewezen.

o Door inzage in het persoonsdossier van het slachtoffer uit het Nationaal Archief wordt voldoende tegemoet gekomen aan het verzoek van de verdediging. Het persoonsdossier maakt geen onderdeel van het procesdossier uit, zodat geen recht op een afschrift daarvan aan de verdediging toekomt. Het verzoek tot het verstrekken van een kopie wordt afgewezen.

o Het is niet aannemelijk dat uit de berichtgeving in de Iraanse media relevante informatie in belastende dan wel ontlastende zin ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde zal blijken. De verdediging heeft ook geen concrete argumenten aangevoerd waarom dit wel het geval zou zijn. De verdediging is niet in haar belang geschaad als hier geen nader onderzoek naar wordt gedaan. Het verzoek wordt afgewezen.

o Door inzage in het e-mailbericht wordt voldoende tegemoet gekomen aan het verzoek van de verdediging. Het is niet aannemelijk dat uit de e-mailberichten die zouden zijn verstuurd aan de zoon en de neef van het slachtoffer relevante informatie in belastende dan wel ontlastende zin ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde zal blijken. De verdediging heeft ook geen concrete argumenten aangevoerd waarom dit wel het geval zou zijn. De verdediging is niet in haar belang geschaad als hier geen nader onderzoek naar wordt gedaan. Het verzoek wordt afgewezen.

o Het verzoek tot verstrekking van de door getuige [naam getuige 1] genoemde documenten mist feitelijke grondslag en wordt daarom afgewezen. Het is niet aannemelijk dat uit de documenten relevante informatie in belastende dan wel ontlastende zin ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde zal blijken. De verdediging heeft ook geen concrete argumenten aangevoerd waarom dit wel het geval zou zijn. De verdediging is niet in haar belang geschaad als hier geen nader onderzoek naar wordt gedaan. Het verzoek wordt afgewezen.

o De rechtbank geeft de officier van justitie de opdracht om aan de Landelijk officier van justitie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de volgende vraag te stellen:

Beschikken de AIVD of MIVD over informatie over personen die direct of indirect betrokken zijn geweest bij de liquidatie van het slachtoffer op 15 december 2015 in Almere of over informatie die aanknopingspunten biedt voor de identificatie van betrokken personen?

Mocht hierover informatie beschikbaar zijn, dan dient deze informatie verstrekt te worden ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte, tenzij een wettelijke weigeringsgrond zich tegen het verstrekken van deze informatie verzet. De rechtbank geeft de officier van justitie de opdracht om de bevindingen omtrent het voorgaande schriftelijk vast te leggen.

- OVC [naam 1]

o Het verzoek van de verdediging om de officier van justitie op te dragen een proces-verbaal op te maken, waarin wordt aangegeven welk technisch hulpmiddel is ingezet en waarom dit specifieke middel op die wijze is ingezet, wordt afgewezen. De rechtbank zal de rechter-commissaris wel opdracht geven om een aanvullend proces-verbaal op te maken over de vraag of hij voorafgaand aan het afgeven van zijn machtigingen volledig geïnformeerd was over de aard en wijze van toepassing van het technisch hulpmiddel.

o Aan het verzoek van de verdediging tot verstrekking van een kopie van de OVC-gesprekken is voldaan.

o De verdediging krijgt tot twee weken na deze beslissing (tot en met 28 februari 2019) de tijd om bij de rechter-commissaris aan te geven welke passages van de OVC-gesprekken zij door (een) door de rechter-commissaris benoemde vertaler(s) wil laten vertalen naar de Nederlandse taal. De raadsvrouw moet daarbij gemotiveerd aangeven waarom die passages in belastende of ontlastende zin van belang kunnen zijn voor de beoordeling van onderhavige strafzaak. De rechter-commissaris beslist vervolgens of er inderdaad een verdedigingsbelang is. De rechtbank verzoekt de rechter-commissaris om de vertalers die hij inschakelt de opdracht te geven om de te vertalen passages zowel schriftelijk uit te werken in de oorspronkelijk gesproken taal (waarbij steeds moet worden aangegeven om welke taal het gaat) als in de Nederlandse taal.

- Getuigen

o Het verzoek tot het horen van de getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3] wordt toegewezen, waarbij de rechter-commissaris de opdracht wordt gegeven om bij de raadslieden van de getuigen te informeren of de getuigen thans wel inhoudelijk willen antwoorden op vragen betreffende communicatie in relatie tot de identificatie van verdachte. In het ontkennende geval zou door de rechter-commissaris van het (opnieuw) verhoren van de getuigen kunnen worden afgezien.

o Het verzoek tot het horen van de getuigen [naam getuige 1] , [naam getuige 4] en [naam getuige 5] wordt afgewezen.

- Nieuwe regiezitting

o De zaak wordt (beperkt) open naar de rechter-commissaris verwezen. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding voor een extra regiezitting.

- Verzoeken nabestaanden

o Er wordt voldoende tegemoet gekomen aan de belangen van de nabestaanden door hen door de politie op de hoogte te laten brengen van de inhoud van het persoonsdossier van het slachtoffer uit het Nationaal Archief. Het verzoek tot inzage in het persoonsdossier van het slachtoffer wordt afgewezen.

o De uitoefening van het spreekrecht van de nabestaanden over de gevolgen die de gebeurtenis voor hen heeft gehad en eventueel de strafmaat zal kunnen plaatsvinden voorafgaand aan het requisitoir van de officier van justitie. De nabestaanden kunnen op dit moment ook indien gewenst hun vorderingen benadeelde partij toelichten en vragen beantwoorden of laten toelichten en beantwoorden door hun raadsman. Aan de raadsman van de nabestaanden wordt enkel de gelegenheid geboden om het woord te voeren over de bewijsvraag en de strafmaat na het requisitoir van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De raadsman kan op dat moment tevens ingaan op de standpunten van de officier van justitie en de verdediging ten aanzien van de ingediende vorderingen. De officier van justitie en de verdediging kunnen hierop vervolgens reageren in re- en dupliek, waarna verdachte het recht op het laatste woord heeft.

Een volledige motivering van de beslissingen is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht.

Vervolgens deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mee dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 14 mei 2019 om 10.00 uur, wegens de klemmende reden dat het zittingsrooster van de rechtbank thans zodanig is bezet, dat het stellen van de termijn van de schorsing op niet meer dan één maand niet mogelijk is en het de verwachting is dat het onderzoek niet eerder gereed is.

De zaak wordt (beperkt) open naar de rechter-commissaris verwezen. Onderzoekswensen ten aanzien van het kort voor de regiezitting verstrekte BOB-dossier MarsmanI en ten aanzien van na de regiezitting nieuw verstrekte of ter inzage geboden stukken, kan de verdediging aan de rechter-commissaris voorleggen. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging voldoende tijd heeft gehad om onderzoekswensen ten aanzien van de reeds langer beschikbare (proces)stukken te formuleren. Voor zover de verdediging met betrekking tot deze reeds langer beschikbare stukken nieuwe onderzoekswensen heeft, zal een strenger criterium, te weten het noodzaakcriterium, worden toegepast.

De voorzitter beveelt de oproeping van verdachte tegen voornoemd tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadslieden.

De voorzitter beveelt dat de nabestaanden de dag en het tijdstip van de volgende zitting schriftelijk wordt meegedeeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

Bijlage

Beslissingen op de onderzoekswensen van de verdediging

Inleiding

De rechtbank stelt bij de beoordeling van de verzoeken van de verdediging het volgende voorop.

Op grond van het bepaalde in artikel 149a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de officier van justitie verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken. Tot die processtukken behoren alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door de rechtbank in de strafzaak van verdachte te geven beslissing, zowel in ontlastende als in belastende zin. De rechter kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdediging dan wel op vordering van het Openbaar Ministerie alsnog de toevoeging aan het dossier van bepaalde stukken gelasten op grond van voornoemd relevantiecriterium.

Gelet op de hiervoor genoemde wettelijke verantwoordelijkheid van de officier van justitie voor de samenstelling van het procesdossier gaat de rechtbank, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uit dat de officier van justitie overeenkomstig deze wettelijke verantwoordelijkheid heeft gehandeld en relevante stukken voor de beoordeling van de strafzaak (in belastende en ontlastende zin) aan het procesdossier heeft toegevoegd.

De verzoeken van de verdediging moeten beoordeeld worden op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving1 alsmede tegen de achtergrond van het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna EVRM). Zowel op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving als op grond van het recht op een eerlijk proces en het daarvan deel uitmakende beginsel van “equality of arms” heeft de verdediging het recht kennis te nemen van niet tot de procestukken behorende documenten, indien dit noodzakelijk is om de betrouwbaarheid of rechtmatigheid van enig bewijsmiddel aan te vechten. De verdediging dient in de gelegenheid te worden gesteld om toegepaste methoden van opsporing en resultaten van dat onderzoek te betwisten. Op de rechter rust de verplichting erop toe te zien dat aan deze rechten van de verdediging gedurende de berechting wordt voldaan. Aan deze rechten van de verdediging is over het algemeen tegemoet gekomen als de verdediging over de informatie beschikt die redelijkerwijs relevant kan worden geacht voor de hiervoor bedoelde betwisting.

Anders dan de verdediging lijkt te veronderstellen, vloeit noch uit de Nederlandse wet- en regelgeving noch uit artikel 6 EVRM het recht voort dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen. Er kunnen grenzen worden gesteld aan de omvang en indringendheid van de controle door de verdediging van opsporingsactiviteiten en aan de mate waarin van gerelateerde opsporingsactiviteiten nader verslag dient te worden gedaan. Anders gezegd, het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om deze te controleren.2

Ten aanzien van stukken waarvan niet zonder meer duidelijk is dat de verdediging er belang bij heeft om daarvan kennis te nemen, ligt het op de weg van de verdediging om met concrete argumenten te komen waarom de verzochte stukken redelijkerwijs relevant kunnen zijn voor haar betwisting.

Het recht op kennisneming van stukken die redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor de betwisting door de verdediging, houdt in dat de verdediging het recht heeft deze stukken in te zien. Er is geen wettelijk recht op een afschrift van deze stukken. Het recht op een afschrift van stukken (artikel 32 Sv) beperkt zich tot stukken die als processtukken zijn aangemerkt. Dit neemt niet weg dat de officier van justitie de verdediging uit praktische overwegingen een afschrift van de stukken kan verstrekken.

De rechtbank zal nu ingaan op de onderzoekswensen van de verdediging. De rechtbank houdt daarbij dezelfde kopjes aan als de verdediging in haar pleitaantekeningen heeft gedaan.

1 Hoofdstuk 14, Data Ennetcom

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie opdracht te geven de volgende stukken aan de verdediging ter kennisneming te verstrekken, zodat de verdediging daaruit stukken ter voeging in het procesdossier kan selecteren:

  1. Het rechtshulpverzoek aan Canada

  2. Alle correspondentie met Canada in het kader van het rechtshulpverzoek

  3. Alle beslissingen van Canada ten aanzien van het rechtshulpverzoek

  4. Alle correspondentie met Canada in het kader van de in beslag genomen servers

  5. Alle stukken betrekking hebbend op het beslag op servers in Canada

  6. Alle brondocumenten waarop de informatie uit het relaas is gebaseerd

  7. Alle bijlagen waarnaar wordt verwezen in de vordering van het Openbaar Ministerie d.d. 20 januari 2017.

De stukken onder a, c en g zijn door de officier van justitie inmiddels aan het procesdossier toegevoegd zodat de rechtbank over deze stukken geen beslissing meer hoeft te nemen.

De stukken onder f zijn volgens de officier van justitie eveneens aan het dossier toegevoegd. Deze stukken zijn te vinden in de hoofdstukken van het procesdossier waar ze uit het oogpunt van leesbaarheid het beste uit de verf komen, aldus de officier van justitie. Gelet op het standpunt van de officier van justitie dat er geen brondocumenten ontbreken en de verdediging geen concrete documenten heeft genoemd die volgens haar ontbreken, gaat de rechtbank er vanuit dat alle relevante brondocumenten waarop de informatie in het relaas is gebaseerd, zich in het procesdossier bevinden.

De stukken onder b, d en e acht de rechtbank redelijkerwijs niet van belang voor de verdediging om de rechtmatigheid van de verkrijging en het gebruik van de gegevens van de Ennetcomserver en de betrouwbaarheid van deze gegevens te betwisten. De stukken waarover de verdediging reeds beschikt zouden in beginsel voldoende moeten zijn om de rechtmatigheid en betrouwbaarheid te kunnen controleren en zo nodig te betwisten. Er zijn geen concrete argumenten aangevoerd waarom ook de onder b, d en e genoemde correspondentie en stukken daarvoor aan de verdediging ter beschikking moeten worden gesteld. Het verzoek tot verstrekking van de stukken onder b, d en e wordt daarom afgewezen.

1A. Delen informatie uit Tandem ten behoeve van Marsman

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie te doen aangeven of er contact is geweest tussen de onderzoeksteams Tandem en Marsman over berichten die in de data van de Ennetcomserver zijn aangetroffen die relevant geacht werden ten aanzien van de liquidatie van het slachtoffer op 15 december 2015 in Almere.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat in het onderzoek TandemII een dataset is verkregen, die geselecteerd was uit de data van de Ennetcomserver. Met machtiging van de rechter-commissaris is een deel van die data aan de verdediging onthouden en apart gezet voor andere opsporingsonderzoeken. In die onthouden berichten bevond zich geen enkel bericht dat relevant werd geacht voor het onderzoek Marsman. De berichten zagen enkel op andere opsporingsonderzoeken.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de officier van justitie de gegevens die vanuit andere opsporingsonderzoeken zijn gedeeld met het onderzoeksteam Marsman aan de verdediging te verstrekken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat het onderzoeksteam Marsman vanuit het onderzoek 26DeVink niets meer en niets minder heeft ontvangen dan de dataset uit het onderzoek TandemII. Die dataset is met een machtiging van de rechter-commissaris overgeheveld naar het onderzoeksteam Marsman om verder te kunnen worden onderzocht. De verdediging heeft in de zaak TandemII een cd-rom ontvangen met daarop de data van de TandemII dataset. Volgens de officier van justitie heeft het onderzoeksteam Marsman vanuit het onderzoek 26Sassenheim, het onderzoek naar PGPsafe, niet meer data ontvangen dan zich reeds in het dossier Marsman bevindt.

De officier van justitie heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank de benodigde verantwoording afgelegd en is voldoende tegemoetgekomen aan de verzoeken van de verdediging. De opmerkingen die de officier van justitie ter terechtzitting heeft gemaakt zijn vervat in het proces-verbaal van de terechtzitting, dat onderdeel van het procesdossier uitmaakt.

De verdediging heeft de rechtbank tot slot verzocht om de officier van justitie de opdracht te geven op een toegankelijke gegevensdrager en met gebruikmaking van dezelfde mogelijkheden als het Openbaar Ministerie hanteert, te verstrekken:

  • -

    alle berichten en onderliggende extractierapporten van de in het dossier genoemde “gekraakte” telefoons;

  • -

    alle Ennetcom-data en PGPsafe-data waaruit de berichten en data zijn geselecteerd.

Dit zodat de verdediging de betrouwbaarheid van de identificatie van verdachte en andere relevante gebruikers kan controleren.

De raadsvrouw heeft niet geconcretiseerd van welke gekraakte telefoons zij alle berichten en onderliggende extractierapporten wenst te ontvangen. De rechtbank ziet het belang van de verdediging om kennis te nemen van alle berichten en onderliggende technische extractierapporten uit de gekraakte telefoon van [naam 1] waarover het onderzoeksteam Marsman beschikt. Het onderzoeksteam Marsman heeft alle berichten weliswaar handmatig in een bestand uitgewerkt (p. 325 en verder van het dossier MarsmanII), maar de verdediging dient naar het oordeel van de rechtbank in staat te worden gesteld om de juistheid hiervan te controleren nu er door het onderzoeksteam en de officier van justitie in belastende zin veel gewicht wordt gehecht aan de inhoud van deze telefoon. De rechtbank zal het verzoek in zoverre dus toewijzen.

De rechtbank gaat er vanuit dat, zoals de officier van justitie heeft meegedeeld, het onderzoeksteam Marsman niet over alle Ennetcom-data beschikt. Het onderzoeksteam beschikt slechts over de TandemII dataset. De verdediging beschikt ook over deze dataset, met uitzondering van de onthouden berichten. De TandemII dataset is, met uitzondering van de onthouden berichten, in het kader van de behandeling van de strafzaak TandemII aan de verdediging ter beschikking gesteld op een cd-rom. De berichten zijn op de cd-rom goed toegankelijk en doorzoekbaar via de word-zoekfunctie, zo is door de rechter-commissaris eerder vastgesteld. De verdediging is in het kader van de behandeling van de strafzaak TandemII ook de mogelijkheid geboden om de TandemII dataset uit te laten breiden met andere berichten vanuit de Ennetcom-data door daarvoor zoektermen door de rechter-commissaris te laten goedkeuren. Van deze mogelijkheid heeft de verdediging in het kader van de behandeling van de zaak TandemII geen gebruik gemaakt. De rechtbank biedt de verdediging in het kader van de behandeling van de huidige strafzaak MarsmanII opnieuw deze mogelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende aan de belangen van de verdediging wordt tegemoet gekomen. De verdediging heeft de rechtbank niet duidelijk kunnen maken waarom zij, anders dan het onderzoeksteam Marsman, wel de beschikking zou moeten krijgen over alle Ennetcom-data. Dit verzoek wordt dus afgewezen.

De officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld dat het onderzoeksteam Marsman vanuit het onderzoek 26Sassenheim, het onderzoek naar PGPsafe, niet meer data heeft ontvangen dan zich in het dossier Marsman bevindt. De rechtbank gaat uit van de juistheid van die mededeling. De verdediging heeft de rechtbank niet duidelijk kunnen maken waarom zij, anders dan het onderzoeksteam Marsman, wel de beschikking zou moeten krijgen over alle PGPsafe-data. Dit verzoek wordt dus afgewezen.

2 Analyse zendmastgegevens

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie opdracht te geven een analyse te verstrekken waaruit blijkt hoe de politie van de zendmastgegevens uitkomt bij de IMEI-nummers # [nummer 1] , # [nummer 2] en # [nummer 3] , alsmede identificatie processen-verbaal waarmee deze nummers kunnen worden gekoppeld aan [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . De verdediging heeft voorts verzocht alle onderliggende stukken van de zendmastgegevens te verstrekken.

Door de officier van justitie is na de zitting in een e-mail bericht van 1 februari 2019 aan de rechtbank en de verdediging kenbaar gemaakt dat er nadere BOB stukken en een proces-verbaal van bevindingen, bevattende een analyse van de zendmastgegevens, aan het dossier zullen worden toegevoegd. Deze stukken zullen, aldus de officier van justitie, vermoedelijk antwoord geven op de vragen van de raadsvrouw van verdachte over de analyse van de zendmastgegevens.

Nu de verdediging de gevraagde analyse verstrekt zal krijgen, gaat de rechtbank ervan uit dat voldoende aan de wens van de verdediging tegemoet zal worden gekomen, zodat de rechtbank hierover geen beslissing hoeft te nemen.

Wat betreft de identificerende processen-verbaal verwijst de rechtbank naar de volgende vindplaatsen.

Het IMEI-nummer # [nummer 2] schrijft de politie op grond van onder andere gegevens uit de telefoon van [naam 1] , enkelbandgegevens van [naam 3] en chats toe aan [naam 3] (proces-verbaal van identificatie, p. 796 TGO MarsmanI).

Het IMEI-nummer # [nummer 3] schrijft de politie op grond van gegevens van de Penitentiaire Inrichting Almelo, femtocell en adresgegevens toe aan [naam 4] (proces-verbaal van identificatie, p. 834 en volgende TGO MarsmanI).

Het IMEI-nummer # [nummer 1] schrijft de politie op grond van onder andere een MAC-adres, bezoekerslijsten van PI Lelystad, gegevens uit de telefoon van [naam 1] en een SD-kaart van [naam getuige 2] toe aan [naam 2] (proces-verbaal van identificatie, p. 360 en volgende TGO MarsmanI).

De verdediging heeft tot slot verzocht om aan haar alle onderliggende stukken van de zendmastgegevens te verstrekken. De rechtbank wijst dit verzoek af. De verdediging heeft geen concrete argumenten aangevoerd waarom haar zou moeten worden toegestaan kennis te nemen van al deze gegevens. Het verzoek is te algemeen geformuleerd.

3 TCI informatie

De verdediging heeft verzocht om de officier van justitie te doen aangeven waarom geen onderzoek is verricht naar de identiteit van de bronnen van de informatie die bij het Team Criminele Inlichtingen (TCI) is binnengekomen en dus naar de betrouwbaarheid van de informatie. Voorts is verzocht om de officier van justitie opdracht te geven om dat onderzoek alsnog te verrichten.

Op de pagina’s 416 tot en met 419 van het dossier MarsmanII zijn de drie berichten die bij het TCI zijn binnengekomen en betrekking hebben op verdachte beschreven. Steeds is, voor zover mogelijk, een uitspraak gedaan over de betrouwbaarheid van de informatie. Ten aanzien van de eerste twee berichten is aangegeven “dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie niet kan worden gegeven”. Ten aanzien van het derde bericht is aangegeven “dat de verstrekte informatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt”.

De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen de officier van justitie ter terechtzitting heeft opgemerkt over onderzoek naar de betrouwbaarheid van de informatie die is binnengekomen bij het TCI. Zwaarwegende belangen verzetten zich altijd tegen openbaarmaking van de bronnen. Omdat de herkomst van de informatie op het niveau van identiteit van de bron niet kan worden getoetst, is de staande praktijk dat informatie van het TCI niet voor het bewijs wordt gebruikt, maar slechts als richtinggevend voor (de start van) een onderzoek. In onderhavige zaak is de informatie echter ook niet de aanleiding geweest voor de start van het onderzoek. De start van het onderzoek MarsmanII was immers gebaseerd op ontsleutelde berichten uit de PGP-telefoon van [naam 1] .

Het verzoek van de verdediging wordt afgewezen.

4 Ruisbericht naar Vlinderscrime

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie op te dragen om schriftelijke verantwoording af te leggen over het verzenden van het ‘ruisbericht’ naar de website van Vlinderscrime, en antwoord te geven op de vraag of een dergelijke onderzoekstechniek vaker is toegepast in onderhavig onderzoek of in relatie tot verdachte in andere onderzoeken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting uitleg gegeven over het handelen met betrekking tot het bericht dat is verzonden naar de website Vlinderscrime. Ook heeft hij antwoord gegeven op de vragen van de verdediging omtrent de (overige) inzet van deze onderzoekstechniek. De officier van justitie heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank de benodigde verantwoording afgelegd. De opmerkingen die de officier van justitie ter terechtzitting heeft gemaakt zijn vervat in het proces-verbaal van de terechtzitting, dat onderdeel van het procesdossier uitmaakt.

Het verzoek wordt afgewezen.

Alternatieve scenario’s

A. Hoofdstuk 23

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie op te dragen alsnog schriftelijke verslaglegging ter verantwoording van de conclusies over het onderzoek naar de alternatieve scenario’s te voegen in het dossier, althans ter selectie tot voeging aan de verdediging te verstrekken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat er geen brondocumenten met betrekking tot het onderzoek naar de alternatieve scenario’s bestaan. De scenario’s die in het onderzoek zijn betrokken kwamen naar voren uit getuigenverklaringen, die zich reeds in het dossier bevinden. De officier van justitie heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank de benodigde verantwoording afgelegd. De opmerkingen die de officier van justitie ter terechtzitting heeft gemaakt zijn vervat in het proces-verbaal van de terechtzitting, dat onderdeel van het procesdossier uitmaakt.

Het verzoek wordt afgewezen.

B. Persoonsdossier slachtoffer Nationaal archief te Den Haag

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie op te dragen een kopie van het persoonsdossier van het slachtoffer uit het Nationaal Archief aan de verdediging te verstrekken, dan wel de verdediging de mogelijkheid tot inzage te bieden.

Het persoonsdossier van het slachtoffer uit het Nationaal Archief is volgens de officier van justitie geen processtuk en bevat bovendien veel privacygevoelige informatie. De verdediging heeft wel recht op inzage in deze stukken, welke mogelijkheid door de officier van justitie ter terechtzitting aan de verdediging is aangeboden. De rechtbank is van oordeel dat, nu dit persoonsdossier geen onderdeel van het procesdossier uitmaakt, zodat geen recht op een afschrift daarvan aan de verdediging toekomt, door inzage voldoende tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van de verdediging. Immers, door inzage in genoemd persoonsdossier kan de verdediging voldoende nagaan of daarin mogelijk ontlastende informatie ten aanzien van betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde aanwezig is. Het verzoek tot het verstrekken van een kopie wordt afgewezen.

C. Berichtgeving Iraanse media

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie opdracht te geven om eventuele resultaten van het onderzoek naar de berichtgeving over het slachtoffer in de Iraanse media, waarover is verklaard door getuige [naam nabestaande 1] , in het dossier te voegen. Mocht hier nog geen onderzoek naar zijn gedaan, dan dient de officier van justitie dit volgens de verdediging alsnog te doen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat er geen onderzoek is gedaan naar de berichtgeving in de Iraanse media waarover door getuige [naam nabestaande 1] is verklaard. De rechtbank acht het met de officier van justitie niet aannemelijk dat uit de genoemde berichtgeving relevante informatie in belastende dan wel ontlastende zin ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde zal blijken. De verdediging heeft ook geen concrete argumenten aangevoerd waarom dit wel het geval zou zijn. De verdediging is niet in haar belang geschaad als geen nader onderzoek naar de berichtgeving in de Iraanse media wordt gedaan.

Het verzoek wordt afgewezen.

D. Perzische en ‘Latijnse’ e-mailberichten

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie opdracht te geven om aan de verdediging een kopie te verstrekken van de e-mailberichten die zouden zijn verstuurd aan de zoon ( [naam nabestaande 2] ) en neef ( [naam neef] ) van het slachtoffer. Hierover heeft de zoon van het slachtoffer verklaard. De verdediging heeft daarnaast verzocht om de officier van justitie opdracht te geven om eventuele resultaten van het onderzoek naar de e-mailberichten in het dossier te voegen. Mocht hier nog geen onderzoek naar zijn gedaan, dan dient de officier van justitie dit volgens de verdediging alsnog te doen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat het onderzoeksteam Marsman beschikt over het betreffende e-mailbericht. Het e-mailbericht is volgens de officier van justitie geen processtuk. De officier van justitie biedt de verdediging wel de mogelijkheid om kennis te nemen van het e-mailbericht. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van de verdediging, nu zij door inzage in het e-mailbericht kan nagaan of daarin mogelijk ontlastende informatie ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde aanwezig is.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat uit nader onderzoek naar het e-mailbericht relevante informatie in belastende dan wel ontlastende zin ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde zal blijken. De verdediging heeft ook geen concrete argumenten aangevoerd waarom dit wel het geval zou zijn. De verdediging is niet in haar belang geschaad als geen nader onderzoek naar het e-mailbericht wordt gedaan. Het verzoek tot nader onderzoek wordt daarom afgewezen.

E. Documenten als bedoeld door getuige [naam getuige 1]

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie opdracht te geven om een kopie van de documenten waar de getuige [naam getuige 1] op pagina 1187 van het dossier MarsmanI over heeft verklaard aan de verdediging te verstrekken. Ook is verzocht om de officier van justitie opdracht te geven om eventuele resultaten van het onderzoek naar de documenten in het dossier te voegen. Mocht hier nog geen onderzoek naar zijn gedaan, dan dient de officier van justitie dit volgens de verdediging alsnog te doen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat de documenten geen onderdeel uitmaken van het onderzoeksdossier, nu zelfs de getuige niet over de door hem genoemde documenten beschikt. Het verzoek tot verstrekking van de door getuige [naam getuige 1] genoemde documenten mist aldus feitelijke grondslag en wordt daarom afgewezen.

De rechtbank acht het niet aannemelijk dat uit nader onderzoek naar de documenten relevante informatie in belastende dan wel ontlastende zin ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde zal blijken. De verdediging heeft ook geen concrete argumenten aangevoerd waarom dit wel het geval zou zijn. De verdediging is niet in haar belang geschaad als geen nader onderzoek naar de documenten wordt gedaan. Het verzoek tot nader onderzoek wordt daarom afgewezen.

F. Gegevens van de AIVD en de MIVD

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie opdracht te geven om bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) de informatie op te vragen die ten grondslag heeft gelegen aan de brief die de minister van Buitenlandse Zaken, Stef Blok, en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren, op 8 januari 2019 aan de Tweede Kamer hebben gezonden. De verdediging wenst van deze informatie, die eventueel kan worden vervat in ambtsberichten, kennis te kunnen nemen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting meegedeeld dat de Landelijk officier van justitie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft meegedeeld dat er niet meer informatie verstrekt kan worden dan reeds is gedeeld in de brief van de ministers Blok en Ollongren van 8 januari 2019 aan de Tweede Kamer. Dit zou een schending van de geheimhoudingplicht opleveren.

In voornoemde brief van 8 januari 2019 is door de Ministers het volgende gesteld:

De AIVD heeft sterke aanwijzingen dat Iran betrokken is geweest bij de liquidaties van twee Nederlanders van Iraanse komaf in Almere in 2015 en in Den Haag in 2017. Het betrof in deze gevallen tegenstanders van het Iraanse regime.

In de nu lopende strafrechtelijke onderzoeken is de genoemde inlichtingeninformatie die duidt op bemoeienis van Iran vooralsnog niet in strafrechtelijke zin bevestigd.”

Uit de tekst blijkt onmiskenbaar dat de informatie van de veiligheidsdiensten betrekking heeft op de liquidatie waarop onderhavige strafzaak ziet. De rechtbank is daarom van oordeel dat navraag naar deze informatie gedaan dient te worden. De rechtbank geeft de officier van justitie de opdracht om aan de Landelijk officier van justitie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de volgende vraag te stellen:

Beschikken de AIVD of MIVD over informatie over personen die direct of indirect betrokken zijn geweest bij de liquidatie van het slachtoffer op 15 december 2015 in Almere of over informatie die aanknopingspunten biedt voor de identificatie van betrokken personen?

Mocht hierover informatie beschikbaar zijn, dan dient deze informatie verstrekt te worden ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte, tenzij een wettelijke weigeringsgrond zich tegen het verstrekken van deze informatie verzet. De rechtbank geeft de officier van justitie de opdracht om de bevindingen omtrent het voorgaande schriftelijk vast te leggen.

5 OVC [naam 1]

B. Technisch hulpmiddel

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie op te dragen een proces-verbaal op te maken, waarin wordt aangegeven welk technisch hulpmiddel is ingezet en waarom dit specifieke middel op die wijze is ingezet. De verdediging heeft aangevoerd dat het plaatsen van een technisch hulpmiddel op of aan het lichaam van een persoon niet is toegestaan op grond van artikel 126g lid 3 Sv.

De onderliggende stukken ten aanzien van de inzet van het technisch hulpmiddel bevinden zich al langere tijd in het dossier. Op 7 februari 2018 heeft de officier van justitie een vordering ingediend voor de inzet van een technisch hulpmiddel (p. 844 van het dossier MarsmanII). De inzet van het hulpmiddel is vervolgens door de rechter-commissaris getoetst en hij heeft daarvoor een machtiging afgegeven (p. 845 van het dossier MarsmanII). In deze machtiging staat vermeld dat deze ingaat op het moment van invrijheidsstelling van [naam 1] en maximaal 24 uur mag duren. In een aanvullende vordering van de officier van justitie van 20 februari 2018 (p. 850 van het dossier MarsmanII) is verzocht om de eerdere machtiging ook van toepassing te laten zijn op communicatie op elke besloten plaats, inclusief een woning en op/bij een openbare plaats. Diezelfde dag heeft de rechter-commissaris ook hiervoor een machtiging afgegeven (p. 851 van het dossier MarsmanII).

Met betrekking tot de audioapparatuur, zijnde het technische hulpmiddel, is door de Keuringsdienst van de Politie/Landelijke Eenheid een conformiteitverklaring gegeven, waaruit blijkt dat ten aanzien van dit technisch hulpmiddel een geldig keuringsrapport is vastgesteld. De audioapparatuur is conform het bevel geplaatst, aangesloten en gecontroleerd op goede werking (p. 853 van het dossier MarsmanII).

De rechtbank gaat er op grond van voornoemde stukken van uit dat het technisch hulpmiddel pas is ingezet na machtiging van de rechter-commissaris en na technische keuring. Er is geen rechtsregel die het Openbaar Ministerie verplicht om openbaar te maken welk technisch hulpmiddel op welke wijze is ingezet. Door de officier van justitie is ter zitting aangegeven dat ook een zwaarwegend opsporingsbelang zich verzet tegen openbaarmaking van deze informatie, namelijk om toekomstige toepassing van het middel mogelijk te maken. Als bekend zou worden waar precies het middel zich heeft bevonden, kunnen verdachten en andere betrokkenen daarop attent gemaakt worden en alert zijn, wat voor de effectiviteit van het middel funest zou zijn. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek van de verdediging afgewezen.

De rechtbank zal de rechter-commissaris wel opdracht geven om een aanvullend proces-verbaal op te maken over de vraag of hij voorafgaand aan het afgeven van zijn machtigingen volledig geïnformeerd was over de aard en wijze van toepassing van het technisch hulpmiddel. Dit blijkt namelijk niet duidelijk uit de vorderingen en machtigingen in het dossier.

Door de raadsvrouw is gesteld dat het plaatsen van een technisch middel op of aan het lichaam verboden is op grond van artikel 126g lid 3 Sv. De rechtbank wijst er op dat artikel 126g lid 3 Sv ziet op de inzet van een technisch hulpmiddel ten behoeve van stelselmatige observatie. Artikel 126l Sv ziet op het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel.

A en C. Inzet tolken en verstrekking OVC

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de officier van justitie op te dragen in een aanvullend proces-verbaal alsnog per tekstdeel in de uitwerking van de OVC-gesprekken aan te geven door welke tolk of verbalisant dit vanuit welke taal is vertaald en/of geïnterpreteerd.

De verdediging heeft de rechtbank daarnaast verzocht om een kopie van de OVC-gesprekken aan de verdediging te verstrekken, zodat de gesprekken kunnen worden beluisterd en eventueel opnieuw door een zelf ingeschakelde tolk kunnen worden vertaald.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven een kopie van de OVC-gesprekken aan de verdediging te zullen verstrekken, onder de voorwaarde dat zij een geheimhouders verplichting zal tekenen. Ook aan de rechtbank zal een kopie van de OVC-gesprekken worden verstrekt. Aan dit verzoek van de verdediging is daarmee voldaan.

Uit pagina 952 van het dossier MarsmanII blijkt dat bij de uitwerking van de OVC-gesprekken die zich thans in het dossier bevindt, gebruik is gemaakt van vier tolken. Deze tolken zijn opgenomen in de lijst van het Nationaal Tolken Coördinatiepunt Politie Nederland. In het kader van afscherming zijn de tolken niet bij naam maar bij nummer genoemd. Voornoemde tolken zijn gehouden te voldoen aan kwaliteitseisen alsmede aan een betrouwbaarheids- en geschiktheidsonderzoek. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat de verschillende tolken hebben samengewerkt bij het uitwerken en vertalen van de OVC-gesprekken, waardoor het feitelijk onmogelijk is om te voldoen aan het verzoek van de raadsvrouw om per tekstgedeelte aan te geven door welke tolk dat is vertaald. Het verzoek van de verdediging dat hier op ziet wordt dan ook afgewezen.

Vast staat dat de vertaling van bepaalde passages van de OVC-gesprekken niet eenvoudig is geweest omdat in de gesprekken verschillende talen door elkaar worden gebruikt. De rechtbank ziet dan ook het belang van de verdediging om passages die in belastende of ontlastende zin relevant zouden kunnen zijn voor de beoordeling van de strafzaak door de rechtbank, nogmaals te laten vertalen door andere gekwalificeerde vertalers.

Gezien de gevoeligheid van de opnames en de bescherming van de veiligheid/privacy van personen die op de opnames te horen zijn, acht de rechtbank het niet wenselijk dat de opnames oncontroleerbaar worden verspreid. De rechtbank is daarom van oordeel dat een nieuwe vertaling van passages via de rechter-commissaris dient plaats te vinden. Nu aan de verdediging een kopie van de OVC-gesprekken wordt verstrekt en de verdediging daarnaast over een schriftelijke uitwerking/vertaling van de OVC-gesprekken beschikt, acht de rechtbank de verdediging voldoende in staat om aan de rechter-commissaris gemotiveerd aan te geven welke passages volgens haar nog eens door andere vertalers opnieuw vertaald moeten worden. De verdediging krijgt daarom tot twee weken na deze beslissing (tot en met 28 februari 2019) de tijd om bij de rechter-commissaris aan te geven welke passages van de OVC-gesprekken zij door (een) door de rechter-commissaris benoemde vertaler(s) wil laten vertalen naar de Nederlandse taal. De raadsvrouw moet daarbij gemotiveerd aangeven waarom die passages in belastende of ontlastende zin van belang kunnen zijn voor de beoordeling van onderhavige strafzaak. De rechter-commissaris beslist vervolgens of er inderdaad een verdedigingsbelang is. De rechtbank verzoekt de rechter-commissaris om de vertalers die hij inschakelt de opdracht te geven om de te vertalen passages zowel schriftelijk uit te werken in de oorspronkelijk gesproken taal (waarbij steeds moet worden aangegeven om welke taal het gaat) als in de Nederlandse taal.

6 Getuigen

Bij de beoordeling van de getuigenverzoeken stelt de rechtbank het volgende voorop.

Wat betreft de beoordeling van het verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging kent de wet een gedetailleerde regeling met duidelijke maatstaven. Wat betreft de onderhavige verzoeken is dat de maatstaf van het verdedigingsbelang.

Volgens de jurisprudentie houdt het verdedigingsbelang in dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.

Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.

A en B. Getuigen [naam getuige 2] en [naam getuige 3]

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de personen [naam getuige 2] en [naam getuige 3] als getuigen te horen. De rechtbank sluit zich aan bij het voorstel dat de officier van justitie hieromtrent op de regiezitting heeft gedaan. Het verzoek tot het horen van de getuigen wordt toegewezen, waarbij de rechter-commissaris de opdracht wordt gegeven om bij de raadslieden van de getuigen te informeren of de getuigen thans wel inhoudelijk willen antwoorden op vragen betreffende communicatie in relatie tot de identificatie van verdachte. In het ontkennende geval zou door de rechter-commissaris van het (opnieuw) verhoren van de getuigen kunnen worden afgezien.

C, D en E. Getuigen [naam getuige 1] , [naam getuige 4] en [naam getuige 5]

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de personen [naam getuige 1] , ‘ [naam getuige 4] ’ en ‘ [naam getuige 5] ’ als getuigen te horen. Door de raadsvrouw is onvoldoende gemotiveerd dat voornoemde getuigen uit eigen wetenschap iets zouden kunnen verklaren over de betrokkenheid van verdachte of andere personen bij het ten laste gelegde. De getuigen staan in een dermate ver verwijderd verband van het aan verdachte ten laste gelegde, dat niet aannemelijk is dat zij in belastende of ontlastende zin iets zouden kunnen verklaren. Verdachte wordt niet in zijn verdediging geschaad als de getuigenverhoren achterwege blijven.

Daar komt bij dat ten aanzien van de verzochte getuigen [naam getuige 4] en [naam getuige 5] geen persoonsgegevens bekend zijn.

De verzoeken worden afgewezen.

Extra regiezitting en eventuele nadere onderzoekswensen

De verdediging heeft de rechtbank verzocht een nieuwe regiezitting in te plannen, gelet op de incompleetheid van het dossier en de onvoldoende tijd die de verdediging tot op heden heeft gehad om de onderzoekswensen voor te bereiden.

De rechtbank sluit niet uit dat een extra regiezitting wenselijk is. Hiertoe ziet de rechtbank echter op dit moment geen aanleiding. De zaak wordt (beperkt) open naar de rechter-commissaris verwezen. Onderzoekswensen ten aanzien van het kort voor de regiezitting verstrekte BOB-dossier MarsmanI en ten aanzien van na de regiezitting nieuw verstrekte of ter inzage geboden stukken, kan de verdediging aan de rechter-commissaris voorleggen. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging voldoende tijd heeft gehad om onderzoekswensen ten aanzien van de reeds langer beschikbare (proces)stukken te formuleren. Voor zover de verdediging met betrekking tot deze reeds langer beschikbare stukken nieuwe onderzoekswensen heeft, zal een strenger criterium, te weten het noodzaakcriterium, worden toegepast.

Beslissingen op de verzoeken van de nabestaanden

Mr. R.A. Korver heeft namens de nabestaanden van het slachtoffer verzocht om aan hem een afschrift van alle processtukken te verstrekken. De officier van justitie heeft ter terechtzitting meegedeeld dat alle stukken die onderdeel uitmaken van de procesdossiers MarsmanI en MarsmanII aan de raadsman zullen worden verstrekt. De rechtbank hoeft hierover geen beslissing meer te nemen.

Voorts heeft de raadsman van de nabestaanden verzocht om inzage te krijgen in het persoonsdossier van het slachtoffer, afkomstig uit het Nationaal Archief te Den Haag. De officier van justitie heeft ter terechtzitting terecht aangegeven dat nabestaanden en slachtoffers geen wettelijk recht hebben op inzage in het gehele onderzoeksdossier. De officier van justitie heeft aangeboden om in het bijzijn van de politie de benadeelde partijen op de hoogte te brengen van de inhoud van het persoonsdossier, zodat zij ter terechtzitting niet onverwachts met voor hen onbekende informatie kunnen worden geconfronteerd. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende tegemoet wordt gekomen aan de belangen van de nabestaanden. Het verzoek tot inzage in het persoonsdossier van het slachtoffer wordt afgewezen.

De raadsman heeft tot slot een verzoek gedaan ten aanzien van de uitoefening van het spreekrecht. De nabestaanden wensen zelf te spreken over de gevolgen van het feit en de eventueel door hen gewenste straf. De nabestaanden wensen hun raadsman hun spreekrecht uit te laten oefenen ten aanzien van de bewezenverklaring en de strafmaat. Zij verzoeken primair om de raadsman in de gelegenheid te stellen twee keer te spreken en subsidiair enkel na pleidooi.

Gelet op de positie en belangen van de nabestaanden, de officier van justitie en de verdediging, beslist de rechtbank ten aanzien van het moment waarop de nabestaanden en hun raadsman namens hen het woord kunnen voeren als volgt. De uitoefening van het spreekrecht van de nabestaanden over de gevolgen die de gebeurtenis voor hen heeft gehad en eventueel de strafmaat zal kunnen plaatsvinden voorafgaand aan het requisitoir van de officier van justitie. De nabestaanden kunnen op dit moment ook indien gewenst hun vorderingen benadeelde partij toelichten en vragen beantwoorden of laten toelichten en beantwoorden door hun raadsman. Dit geeft de officier van justitie en de verdediging de mogelijkheid om hier rekening mee te houden bij de formulering van hun standpunten.

Binnen de door de wetgever gekozen opzet van het strafproces past dat vervolgens eerst de officier van justitie zijn standpunt kenbaar maakt over de bewijsvraag en strafmaat. Vervolgens dient aan de verdediging, die als procespartij tegenover de officier van justitie staat, het woord gegeven te worden. Aan de raadsman van de nabestaanden wordt daarom enkel de gelegenheid geboden om het woord te voeren over de bewijsvraag en de strafmaat na het requisitoir van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De raadsman kan op dat moment tevens ingaan op de standpunten van de officier van justitie en de verdediging ten aanzien van de ingediende vorderingen. De officier van justitie en de verdediging kunnen hierop vervolgens reageren in re- en dupliek, waarna verdachte het recht op het laatste woord heeft.

1 In het bijzonder artikel 30 t/m 34 Sv en het Besluit processtukken in strafzaken.

2 Zie ook Hof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:240.