Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:967

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
13/728059-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 48-jarige man krijgt 20 maanden celstraf omdat hij in maart vorig jaar 3 wapens, munitie en 1 kilo cocaïne in bezit had. Het waren 2 pistoolmitrailleurs en 1 aanvalsgeweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2019/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728059-18

Datum uitspraak: 14 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Op 6 juli 2018, 28 september 2018, 20 november 2018 en 31 januari 2019 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Verdachte was daarbij aanwezig. Daarnaast was als raadsman van verdachte aanwezig mr. J.W. Soeteman.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging op de zitting – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich op 27 maart 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. het (mede)plegen van het aanwezig hebben van meerdere soorten (vuur)wapens van categorie II en/of III en meerdere soorten munitie van categorie II en/of III, waaronder kneedspringstof, handgranaten, diverse pistoolmitrailleurs, patroonmagazijnen en een aanvalsgeweer;

2. het (mede)plegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 4 kilo MDMA en/of 7,71 kilo cocaïne;

3. het (mede)plegen van het (schuld)witwassen van een geldbedrag van € 56.085,00, een geldbedrag van € 4.652,00 en een Rolex horloge.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

De feiten en omstandigheden wijzen er op dat verdachte al langere tijd in de woning aan de [adres 1] verbleef. Een rugtas met explosieven en handgranaten, een automatisch pistool met munitie en een revolver zijn aangetroffen in de kledingkast waar verdachte dagelijks kleding uit pakte. Deze kast stond in de slaapkamer waar verdachte sliep (kamer 3). In de andere slaapkamer (kamer 4) is een koffer aangetroffen met veel verschillende wapens, munitie en MDMA. Op een aantal van de wapens in deze koffer is DNA van verdachte aangetroffen. Gelet op het aantreffen van wapens in zijn eigen kledingkast en het aantreffen van het DNA van verdachte op een aantal wapens in de koffer, is het onaannemelijk dat verdachte geen weet zou hebben van de aanwezigheid van de wapens in de woning. Naast de wapens is ook MDMA in de koffer aangetroffen. Er is daarmee tevens bewijs voor het voorhanden hebben van deze drugs. Daarnaast is een hoeveelheid cocaïne aangetroffen naast de wasmachine. Bewezen kan worden dat verdachte alle in de woning aangetroffen wapens en drugs voorhanden heeft gehad.

Tijdens de doorzoeking is een blok cocaïne van 1,07 kilogram aangetroffen in de auto van verdachte. De verklaring van verdachte dat hij niets afweet van deze drugs is ongeloofwaardig gelet op het feit dat de drugs in zijn auto lagen en te meer nu op de tas waarin de drugs werden aangetroffen, een DNA-mengprofiel met DNA van verdachte is aangetroffen. Op basis hiervan kan worden bewezen dat verdachte ook deze drugs aanwezig heeft gehad.

Tijdens de doorzoeking zijn verder een geldbedrag van € 56.085,- en 4,53 kilo cocaïne aangetroffen in een kluis in de woning. Verdachte ontkent dat het geld en de cocaïne van hem zijn. Hij heeft sinds 2011 geen werk maar wel veel dure kleding en een auto van het merk Audi. Verdachte heeft niet verklaard van wie de kluis zou zijn. Hij verbleef al langere tijd in de woning en had daarom ook beschikkingsmacht over de kluis. Verdachte heeft geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van het geld terwijl vast staat dat hij geen inkomsten uit werk of uitkering heeft en er aanwijzingen zijn dat hij zich bezig hield met de handel in wapens en drugs Gelet hierop kan met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat dit geld van misdrijf afkomstig is en kan het witwassen worden bewezen. In het verlengde hiervan kan ook bewezen worden dat verdachte de drugs uit de kluis voorhanden heeft gehad.

Daarnaast zijn bij verdachte een geldbedrag van € 4.652,- en een Rolex horloge aangetroffen. Verdachte heeft aangevoerd dat hij dit geld heeft verkregen door middel van gokken en heeft verwezen naar de bonnetjes van Lucky Jack Casino die in de woning en in zijn auto zijn aangetroffen. Nu verdachte over geen enkele bron van legale inkomsten beschikt, is het geld dat door hem in de gokautomaat zou zijn gegooid, vermoedelijk afkomstig uit misdrijf. Ook het witwassen van dit bedrag kan worden bewezen. Daarnaast heeft verdachte geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van het Rolex horloge terwijl hij vanuit zijn eigen legale bronnen niet over een dergelijk horloge kan beschikken. Daarom kan ook het witwassen van het horloge worden bewezen.

Gelet op de aanwezigheid van DNA van een onbekend persoon naast het DNA van verdachte op sommige wapens, kan ten aanzien van feit 1 en feit 2 het medeplegen worden bewezen. Ten aanzien van feit 3 zijn er geen aanwijzingen voor betrokkenheid van een ander, zodat hij van dat onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft onder verwijzing naar zijn schriftelijke pleitnotitie, kort samengevat, naar voren gebracht dat verdachte van alle feiten moet worden vrijgesproken. Subsidiair is naar voren gebracht dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle wapens en drugs die zijn aangetroffen in kamer 4 van de woning aan de [adres 1] , van alle aangetroffen cocaïne op 1 kilogram na, en van het witwassen van de Rolex.

Uit het dossier blijkt dat naast verdachte ook andere personen in de woning aan de [adres 1] kwamen. Deze personen hadden een sleutel van de woning. Op camerabeelden is te zien dat zij de woning ook betraden als verdachte daar niet bij aanwezig was. Opvallend is dat het Openbaar Ministerie niet of nauwelijks onderzoek heeft gedaan naar de identiteit van deze personen. Ook zijn andere personen die met deze woning in verband kunnen worden gebracht (bijvoorbeeld de persoon die op het huurcontract staat vermeld, degene die volgens verdachte normaliter in de woning verbleef en de personen van wie een paspoort of DNA-spoor in de woning is gevonden) nimmer door de politie verhoord.

Op een deel van de aangetroffen wapens lijkt DNA van verdachte te zitten. Verdachte komt regelmatig in de woning en het is daarom mogelijk dat zijn DNA is overgedragen op kleding, stoffen en tassen waardoor het via secundaire overdracht op de wapens is terecht gekomen. Bovendien was telkens sprake van een mengprofiel waardoor het niet mogelijk is geweest voor het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI) om de bewijskracht van de match met het DNA-profiel van verdachte te berekenen. De aangetroffen sporen kunnen daardoor niet bijdragen aan het bewijs. Verder is van belang dat is komen vast te staan dat op één van de handgranaten een vingerafdruk zit die niet van verdachte afkomstig kan zijn.

De auto waarin cocaïne is aangetroffen staat niet op naam van verdachte maar op naam van zijn ex-vriendin. Verdachte heeft verklaard dat zijn ex-vriendin de auto bij hem heeft achtergelaten tijdens haar vakantie en dat er ook andere mensen in de auto reden en hij zelf nog een andere auto had. Ook heeft verdachte verklaard dat mogelijk één van zijn boodschappentassen door een ander is gebruikt om de cocaïne in te verpakken. Dit verklaart waarom zijn DNA op het tasje met daarin de cocaïne in de auto is aangetroffen. Niet bewezen kan worden dat verdachte wetenschap had van de cocaïne in de auto.

Ten aanzien van het geld en de cocaïne die is aangetroffen in de kluis en naast de wasmachine is geen enkele link met verdachte te maken. Verdachte had geen sleutel van de kluis en er zijn geen vingerafdrukken of DNA-sporen van verdachte aangetroffen. Hij heeft de kluis gezien maar er is geen bewijs dat hij wist van de aanwezigheid van het geld en de drugs in deze kluis. Ook hiervan dient verdachte te worden vrijgesproken. Ook wat betreft de MDMA is er geen bewijs dat verdachte van de aanwezigheid ervan op de hoogte was.

Ten aanzien van het contante geldbedrag van € 4.652,- dat is aangetroffen heeft verdachte verklaard dat dit geld van hem is en dat hij dit in een periode van een aantal jaren heeft gewonnen in het casino. Er zijn bonnen van het casino onder verdachte in beslag genomen. Verdachte heeft voorts verklaard in welk casino hij kwam en hoe hij zijn winkansen wist te vergroten. Dat maakt de verklaring van verdachte voldoende aannemelijk. Het lag daarom op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de verklaring die verdachte voor de herkomst van het geld heeft geboden. Het Rolex horloge heeft verdachte gekregen voor zijn verjaardag. Hij dient te worden vrijgesproken van het witwassen van dit bedrag en het horloge.

Ook van medeplegen is geen sprake nu, naast het aantreffen van een DNA-mengprofiel, het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt voor de stelling dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier en hetgeen is besproken op de zitting blijkt dat de woning aan de [adres 1] werd gebruikt voor de opslag van geld, wapens, munitie en drugs en dat verdachte gedurende een langere periode regelmatig heeft verbleven in de woningen toegang had tot alle ruimtes in die woning. De rechtbank is evenwel – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat daarmee nog niet bewezen kan worden dat verdachte strafbare betrokkenheid had bij alle in de woning aangetroffen goederen. Vast staat immers dat ook anderen toegang hadden tot de woning. Sommigen van hen hadden een sleutel van de voordeur. Daarnaast is in kamer 3 een paspoort van een ander aangetroffen en zijn op de wapens ook DNA-sporen van anderen gevonden.

De rechtbank zal daarom een onderscheid maken tussen goederen waarvan wel wetenschap bij verdachte wordt aangenomen (omdat er bijvoorbeeld sporen op zitten die zijn te herleiden tot verdachte) en goederen waarvan geen wetenschap bij verdachte wordt aangenomen. Dit leidt tot de volgende conclusies.

3.3.1

Partiële vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde (voorhanden hebben van vuurwapens en munitie)

Op een aantal wapens is celmateriaal aangetroffen van verdachte. Voor de overige wapens en de munitie kan niet worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van deze wapens en munitie in de woning. Uit de camerabeelden blijkt weliswaar dat verdachte gedurende een langere tijd regelmatig verbleef in de woning aan de [adres 1] maar op de camerabeelden is ook te zien dat onbekend gebleven personen de woning betreden zonder verdachte. Bovendien zijn op sommige wapens ook sporen van andere personen aangetroffen. De wapens en munitie zijn aangetroffen in een koffer (kamer 4) en in een kledingkast onder kleding en in een sok (kamer 3). Niet is aannemelijk gemaakt dat verdachte deze wapens en de munitie tijdens zijn verblijf in de woning moet hebben waargenomen. Van belang daarbij is dat verdachte heeft verklaard dat er ook andere personen in de slaapkamer hebben geslapen waar hij verbleef en dat er ook kleren van anderen in de kledingkast lagen. Er is geen nader onderzoek gedaan naar de kleren in de kledingkasten waar wapens zijn aangetroffen. De verklaring van verdachte dat hij deze wapens en de munitie niet heeft gezien en dat iemand anders ze in de woning moet hebben neergelegd acht de rechtbank, gelet op het hiervoor overwogene, niet onaannemelijk.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde feit met uitzondering van de wapens waarop zijn celmateriaal is aangetroffen, te weten de twee pistoolmitrailleurs Glock 17, de twee patroonmagazijnen 17 en 15 en het aanvalsgeweer FMK Fire Arms AR-1 (gedachtestreepjes 6, 12 en 15). Voor de overwegingen van de rechtbank op dit punt, wordt verwezen naar 3.3.3 van dit vonnis.

3.3.2

Partiële vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde (aanwezig hebben van verdovende middelen)

De rechtbank is – met de raadsman en anders dan de officier van justitie – van oordeel dat ook niet bewezen kan worden dat verdachte wetenschap had van de in de woning aangetroffen drugs.

Op grond van de inhoud van het dossier en het besprokene ter zitting kan niet worden vastgesteld dat verdachte toegang had tot de kluis of wetenschap had van de inhoud van de kluis, waardoor tevens niet vast staat dat verdachte beschikkingsmacht had over de drugs die in de kluis zijn aangetroffen, te weten 4,35 kilogram cocaïne. Op de kluis en op de inhoud van de kluis zijn geen vingerafdrukken of DNA-sporen van verdachte aangetroffen, die zouden duiden op het tegendeel. Bovendien komt uit de camerabeelden naar voren dat andere onbekend gebleven personen ook toegang hadden tot de woning.

Zowel ten aanzien van de drugs in de koffer in kamer vier, te weten 4 kilogram MDMA, als de drugs die is aangetroffen naast de wasmachine, te weten 2,11 kilogram cocaïne, geldt dat deze niet direct zichtbaar waren. Daarnaast blijkt uit het hiervoor onder 3.3.1 overwogene dat ook andere personen toegang hadden tot de woning. De verklaring van verdachte dat hij de drugs in de woning niet heeft gezien en dat iemand anders het in de woning moet hebben neergelegd, acht de rechtbank daarom niet onaannemelijk.

De rechtbank kan op grond van het dossier dan ook niet vaststellen dat verdachte enige wetenschap heeft gehad van de drugs (de cocaïne en MDMA) die zijn aangetroffen in kamer 4 in de woning, in de tas naast de wasmachine en in de kluis. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit deel van de tenlastelegging.

3.3.3

Vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde (witwassen)

De rechtbank acht – met de raadsman – niet bewezen wat onder 3 is tenlastegelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Verdachte ontkent dat het geldbedrag van € 56.085,00 dat is aangetroffen in de kluis in de woning van hem is. Zoals hiervoor is overwogen onder 3.3.2. kan op basis van het dossier onvoldoende worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van en toegang had tot de inhoud van de kluis. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt ook anderszins niet dat verdachte kennis had van de aanwezigheid van dit geldbedrag.

Ook is in de woning op verschillende plekken een geldbedrag gevonden van in totaal € 4.652,00. Verdachte heeft verklaard dat dit geld van hem is. Gelet op de hoogte van dit bedrag in contanten, de overige in de woning aangetroffen goederen en het feit dat uit onderzoek is gebleken dat verdachte sinds 2011 geen werk of uitkering heeft, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Op grond van vaste rechtspraak mag daarom van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Zo’n verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij leeft van het gokken en dat hij dit geld in een periode van enkele jaren heeft gewonnen met gokken in het casino aan de Rozengracht te Amsterdam. Op basis van informatie van aanwezigen in het casino, kon hij inschatten op welke speelautomaten de kans op winst het grootst was. Hij heeft zijn verklaring onderbouwd door te wijzen op de vele onder hem inbeslaggenomen bonnen van het Lucky Jack Casino. Ter zitting is hij bij deze verklaring gebleven. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld. Het Openbaar Ministerie heeft slechts een vrij algemeen onderzoek verricht naar aanleiding van deze verklaring door uit te rekenen welk bedrag op basis van de bonnen aan verdachte is uitgekeerd en door dhr. [naam 1] , werkzaam op het kantoor van Lucky Jack te horen. De bevindingen van dat onderzoek sluiten de juistheid van de verklaring van verdachte niet uit. Het Openbaar Ministerie had nader en meer concreet onderzoek naar de verklaring en de bonnen van het casino kunnen verrichten. Nu dit nader onderzoek naar de verklaring van de verdachte door het Openbaar Ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Ten aanzien van het Rolex horloge is de rechtbank van oordeel dat, nu naar de herkomst, de waarde en de authenticiteit van het horloge geen onderzoek is verricht, op grond van het dossier geen sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.


Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte de aangetroffen bankbiljetten ter waarde van € 56.085,00, het geldbedrag van € 4652,00 en het Rolex horloge heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

3.3.3

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde en overweegt hiertoe als volgt.

ten aanzien van feit 1:

In de woning, waar verdachte gedurende een langere tijd regelmatig verbleef, zijn in de koffer in kamer 4 onder meer twee pistoolmitrailleurs Glock 17 (itemnummers 5553008 en 55530310), twee patroonmagazijnen 17 en 15 (itemnummer 5553009) en een aanvalsgeweer (itemnummer 5553017) aangetroffen. Blijkens het rapport van het NFI van 4 juli 2018 is op deze wapens een DNA-mengprofiel aangetroffen dat onder meer bestaat uit celmateriaal dat afkomstig kan zijn van verdachte. De raadsman heeft in algemene zin gewezen op de mogelijkheid van indirecte overdracht van het DNA van verdachte. De rechtbank verwerpt dit verweer omdat deze verklaring onvoldoende aannemelijk is geworden en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij geen wetenschap had van deze wapens. De wapens zijn gevonden in een afgesloten koffer en verdachte heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt op welke wijze zijn DNA op de wapens terecht kan zijn gekomen. Gelet op het voorgaande kan het niet anders dan dat verdachte in contact is geweest met deze wapens en heeft geweten dat de twee pistoolmitrailleurs Glock 17, de twee patroonmagazijnen 17 en 15 en het aanvalsgeweer FMK Fire Arms AR-1 in de woning aanwezig waren, dat hij beschikkingsmacht had over deze wapens en dat hij deze dus voorhanden heeft gehad.

ten aanzien van feit 2:

Tijdens de doorzoeking is tevens een auto van het merk Audi in de parkeergarage doorzocht. Daarbij is een blok wit poeder aangetroffen, verpakt in drie plastic tasjes. Na onderzoek bleek het te gaan om 1,07 kilogram cocaïne (itemnummer 5550107). De tasjes ( [nummer] ) zijn onderzocht op sporen en bemonsterd. Blijkens het rapport van het NFI van 4 juli 2018 is op de hengsels van de twee van de tasjes een DNA-mengprofiel aangetroffen dat onder meer bestaat uit celmateriaal dat afkomstig kan zijn van verdachte.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat de auto op naam stond van zijn ex-vriendin en dat de auto in zijn garage stond omdat zijn ex-vriendin op het moment van de doorzoeking in Suriname verbleef en om te voorkomen dat zijn zoon van twintig jaar in deze auto zou gaan rijden. Ook heeft verdachte verklaard dat hij zelf geen gebruik maakte van de auto omdat hij nog een andere auto tot zijn beschikking had maar dat de Audi mogelijk wel werd gebruikt door andere personen. De sleutels van de Audi lagen in de woning aan de [adres 1] .

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario te abstract is en niet wordt ondersteund door de inhoud van het dossier. Verdachte is pas op de zitting van 31 januari 2019 voor het eerst met deze verklaring gekomen. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van die verklaring. Voorts heeft zijn ex-vriendin in haar verhoor niets verklaard over het parkeren van de auto in de garage van verdachte tijdens haar verblijf in Suriname en het op die manier verhinderen van het gebruik ervan door hun zoon. Bovendien acht de rechtbank het niet aannemelijk dat iemand anders 1,07 kilogram cocaïne (dat een fikse straatwaarde heeft) heeft verpakt in tasjes afkomstig uit de woning waar verdachte verbleef en vervolgens onbeheerd in de auto heeft achtergelaten. Nu de verklaring van verdachte niet geloofwaardig is en aldus terzijde wordt geschoven, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de auto, dat hij daarover de beschikking had en dus het blok van 1,07 kilogram cocaïne aanwezig heeft gehad.

3.3.4

Vrijspraak medeplegen

De rechtbank is – met de raadsman en anders dan de officier van justitie – van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen geeft voor de stelling dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen bij het begaan van de strafbare feiten. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 27 maart 2018 te Amsterdam wapens van categorie II en III, te weten een

- aanvalsgeweer, FMK Fire arms AR-1 en

- twee pistoolmitrailleurs Glock 17 en

- twee patroonmagazijnen 17 en 15

voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 2:

op 27 maart 2018 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 1,07 kg van een materiaal bevattende cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straf

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf en een half jaar, met aftrek van voorarrest.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, om aan verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier is geëist gelet op de persoon van verdachte. Een deels voorwaardelijke straf behoort tot de mogelijkheden, aldus de raadsman.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van drie wapens en twee patroonmagazijnen. Het ongecontroleerd bezit van wapens brengt onaanvaardbare risico’s en gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee. Dat geldt des te meer voor automatische vuurwapens die vaak gebruikt worden bij het begaan van zeer ernstige strafbare feiten.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 1,07 kilogram cocaïne. Deze hoeveelheid harddrugs is dermate groot dat sprake is van een handelsindicatie. Naar algemeen bekend vormt het gebruik van harddrugs als cocaïne een bedreiging voor de volksgezondheid en leidt de handel daarin vaak weer tot vermogensdelicten en andere criminaliteit. De samenleving ondervindt daarvan grote hinder. Verdachte heeft zich niets aangetrokken van de gevaren voor de volksgezondheid en deze nadelige gevolgen voor de maatschappij.

De rechtbank slaat voor de strafmaat voorts acht op de LOVS-oriëntatiepunten. Op grond van de LOVS-oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij het bezit van meer dan één kilogram harddrugs vijf maanden gevangenisstraf. Het uitgangspunt bij het voorhanden hebben van twee pistolen en een automatisch vuurwapen is in totaal vijftien maanden gevangenisstraf. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen reden om af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten. Ook ziet de rechtbank in de persoon van verdachte geen aanleiding om een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen, temeer nu hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor de feiten en de gevolgen daarvan.

De op te leggen straf wijkt fors af van wat de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie. Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van 20 maanden.

6 Beslag

In dit onderzoek zijn veel goederen in beslag genomen. Deze goederen hebben allemaal een itemnummer gekregen. Een kopie van de lijst met in beslag genomen goederen is als bijlage III aan dit vonnis gehecht.

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de voorwerpen 1, 7 tot en met 15, 17, 20 tot en met 23, 25, 28, 31, 34, 35, 37, 39 en 50 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaring gevorderd.

Ten aanzien van de voorwerpen 2, tot en met 6, 16, 33, 40, 42, 43, 52 tot en met 58, 66 tot en met 69, 71 en 72 de onttrekking aan het verkeer gevraagd.

Ten aanzien van de voorwerpen 18, 36, 44 tot en met 49, 51, 64 en 70 de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gevorderd,

Voor de voorwerpen 27, 29, 30, 32, 38, 41, 59tot en met 63 vraagt de officier van justitie de teruggave aan verdachte.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om teruggave aan verdachte van de voorwerpen 1, 8 tot en met 15, 29, 30, 41, 59, 60 tot en met 63, 67 en 68 van de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen. Ten aanzien van de voorwerpen 49 en 50 heeft de raadsman bewaring ten behoeve van de rechthebbende verzocht. Ten aanzien van de overige voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de voorwerpen 2 tot en met 6 en 53 (sealapparaten, geldtelmachines en weegschalen), 39 en 66 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (te weten: een Aquarius telefoon en de daarbij behorende doos), die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De voorwerpen 10, 14 en 15 (geld dat niet uit de kluis komt, voor zover dat geld vals is), 27 (BMW autosleutels met uitgetrokken slot) en 37 (handschoen met cocaïneresten), zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Teruggave aan dan wel bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen zal de rechtbank de teruggave aan verdachte (onder meer het Rolex horloge, het geld dat niet in de kluis is aangetroffen en niet vals is, (auto)sleutels, een agenda, een iPad, een fotocamera en twee iPhone telefoons) dan wel bewaring ten behoeve van de rechthebbende (onder andere het geld uit de kluis en diverse voorwerpen uit de woning waarvan verdachte heeft verklaard dat die hem niet toebehoren) gelasten op na te melden wijze.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen

33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57 van het Wetboek van Strafrecht

2 en 10 van de Opiumwet

26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

- de voorwerpen 2 tot en met 6, 39, 53 en 66 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- de voorwerpen 10 , 14 en 15 voor zover het geld vals is 27 en 37 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- de voorwerpen 1, 8 tot en met 15 (met betrekking tot de voorwerpen 10, 14 en 15: alleen voor zover het geld niet vals is), 29, 30, 32, 41, 59, 60 tot en met 63, 67 en 68 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- de voorwerpen 7, 17 tot en met 26, 28, 31, 33 tot en met 36, 38, 40, 42 tot en met 52, 54 tot en met 58, 64, 65, 69 tot en met 72 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Jongkind, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en M.J.E. Geradts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Leenstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 februari 2019.