Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9652

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2019
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3732
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen recht op kinderbijslag. Eiser woont in Spanje, kinderen in Marokko. Discriminatieverbod, vertrouwensbeginsel. AKW, Verordening 883/2004, Richtlijn 2004/38/EG, Nederlands Marokkaans Verdrag, Euro-mediterrane overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/3732

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] (Spanje), eiser

(gemachtigde: mr. S. Maachi),

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. Sturmans).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) met ingang van het eerste kwartaal van 2019 beëindigd.

Bij besluit van 12 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser woont in [woonplaats] , een [stad] in Marokko. Eisers vrouw en kinderen wonen in Marokko.

2. Eiser ontvangt een invaliditeitspensioen uit Nederland. Tot het eerste kwartaal van 2019 ontving eiser ook kinderbijslag. Volgens verweerder heeft eiser niet langer recht op kinderbijslag.

Standpunten van partijen

3. Verweerder heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat eiser niet verzekerd is voor de AKW omdat hij niet in Nederland woont of werkt. Eiser kan volgens verweerder ook geen beroep doen op artikel 67 van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (verder: Vo 883/2004) omdat zijn kinderen niet in een EU‑lidstaat wonen. Het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (verder: NMV) is niet van toepassing omdat eiser in Spanje woont, zodat eiser ook daar geen rechten aan kan ontlenen.

4. Eiser vindt dat hij wel recht heeft op kinderbijslag, omdat hij dit recht heeft opgebouwd toen hij in Nederland woonde. Eiser doet verder een beroep op artikel 2 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europese Parlement en de Raad (verder: de Richtlijn). Eiser betoogt daarnaast dat verweerders besluit in strijd is met het verbod op discriminatie uit artikel 65 van de Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderszijds (verder: de EMO). Eiser stelt verder dat sprake is van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat de situatie van hem en zijn gezin al langer bekend was bij verweerder. Eiser meent tot slot dat verweerder ten onrechte zijn proceskosten in bezwaar niet heeft vergoed.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank vindt dat verweerder terecht eisers recht op kinderbijslag heeft beëindigd. De rechtbank legt dat hieronder uit.

Recht op kinderbijslag op grond van de AKW

6. Om verzekerd te zijn voor de AKW moet iemand – kort gezegd – in Nederland wonen of werken.1 Eiser woont of werkt niet in Nederland en is daarom niet verzekerd voor de AKW. De omstandigheid dat hij vroeger wel verzekerd was, maakt dit niet anders. De AKW is een risicoverzekering en geen opbouwverzekering. Dit betekent dat het recht op kinderbijslag eindigt als een betrokkene niet meer is aan te merken als verzekerde.

7. Ook toetsing aan internationale regelingen, zoals Vo 883/2004, de Richtlijn en het NMV, leidt niet tot een aanspraak op kinderbijslag op grond van de AKW.

8. Volgens de hoofdregels uit artikel 11 van Vo 883/2004 is op eiser, gelet op de informatie die bekend is, de Spaanse wetgeving van toepassing.2 Artikel 67 van Vo 883/2004 bevat aanvullende regels voor gezinsbijslag, maar voor een beroep op deze bepaling is nodig dat de betreffende gezinsleden in een lidstaat wonen. Eisers vrouw en kinderen wonen in Marokko, zodat eiser geen beroep kan doen op artikel 67 van Vo 883/2004.

9. De Richtlijn bevat regels over het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden. De Richtlijn bevat geen regels over aanspraken op welke uitkering of toeslag dan ook, zodat eiser daaraan geen recht op kinderbijslag kan ontlenen.

10. Op grond van het NMV is het mogelijk om een bestaand recht op kinderbijslag te exporteren. Het NMV gaat echter niet over de toekenning van een recht op een uitkering. Daarvoor moet naar de wettelijke regelingen van de verdragsluitende staten worden gekeken.3

11. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser geen aanspraak kan maken op kinderbijslag op grond van de AKW.

Strijd met het discriminatieverbod

12. Eiser komt geen beroep toe op het discriminatieverbod uit de EMO, omdat zijn kinderen niet in een lidstaat wonen.4 Ook overigens is volgens de rechtbank geen sprake van discriminatie. De gemachtigde van eiser heeft op zitting uitgelegd dat eiser vindt dat hij gediscrimineerd wordt omdat hij zijn recht op kinderbijslag niet uit Nederland mag exporteren. Zoals de gemachtigde op zitting ook heeft onderkend, is daarvoor wel eerst nodig dat eiser recht heeft op kinderbijslag. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat dat niet het geval is.

Vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel

13. Eiser legt aan zijn beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel ten grondslag dat verweerder al in 2011 wist dat eiser verhuisde uit Nederland, eerst naar Marokko en daarna naar Spanje. Door toen zijn recht op kinderbijslag niet te beëindigen heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat eiser daar recht op had.

14. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat van de kant van het bestuursorgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. In dit geval zijn dergelijke toezeggingen niet gedaan. Zelfs als vast zou komen te staan dat verweerder al eerder op de hoogte was van eisers situatie, kan geen sprake zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen. Volgens vaste rechtspraak kan namelijk aan fouten die in het verleden zijn gemaakt niet het vertrouwen worden ontleend dat deze fouten zullen worden voortgezet.5 Het rechtszekerheidsbeginsel strekt ook niet zo ver dat verweerder in het verleden gemaakte fouten moet blijven herhalen. Dit beroep slaagt daarom ook niet.

Proceskostenvergoeding bezwaar

15. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in bezwaar is allereerst vereist dat het primaire besluit is herroepen.6 Daarvan is hier geen sprake. Verweerder heeft in het bestreden besluit weliswaar de juridische grondslag toegevoegd, maar dit heeft niet geleid tot een inhoudelijk andere uitkomst. Verweerder heeft daarom terecht geen proceskostenvergoeding toegekend.

Conclusie

16. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breugem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.R. Vlierhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie artikelen 2 en 6 van de AKW.

2 Zie artikel 11, derde lid, onder e, van Vo 883/2004.

3 Zie artikelen 5 en 26 van het NMV. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY5207.

4 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2173, rov. 4.3.

5 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3049.

6 Zie artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.