Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9646

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
C/13/652696 / HA ZA 18-836
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van het begrip "defaulting shareholder" Gelegd beslag. Gaat het om de vroegere situatie of de huidige?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0076
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/652696 / HA ZA 18-836

Vonnis van 18 september 2019 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] (Georgië),

eiser,

advocaat mr. R.N. de Jong te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

PETROLIA GmbH,

gevestigd te Hamburg (Duitsland),

gedaagde,

advocaat mr. A.H. Vermeulen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Petrolia genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 april 2019

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 augustus 2019 en de daarin vermelde stukken,

  • -

    pde brief van [eiser] van 10 september 2019 met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en Petrolia zijn elk voor 50% aandeelhouder van Multiplex Petrolia Logistics Solutions B.V. (hierna MPLS). MPLS is statutair gevestigd in Amsterdam.

2.2.

In de Shareholders Agreement (hierna SA) die op 14 februari 2014 tussen partijen is gesloten is onder meer het volgende bepaald.

“13.4. A shareholder shall be declared a Defaulting Shareholder by the competent

court in the Netherlands, if he:

(...)

13.4.4.

has an attachment maintained for at least three months in respect of

all or substantially all of its assets.”

Verder is in SA onder meer het volgende bepaald:

“13.2 In case a default pursuant to Section 13.4 is determined by the competent court in the Netherlands pursuant to Section 13.5, the non-Defaulting Shareholder (or its designee) shall be entitled to acquire the Shares of the Defaulting Shareholder for a cash purchase price (the “Purchase Price”) equal to 90% (ninety percent) of the Fair Market Value.”

De SA bevat een regeling voor de wijze waarop de Fair Market Value moet worden vastgesteld.

Artikel 21 SA luidt, voor zover hier van belang:

“21.1 This Agreement is governed by, and shall be construed in accordance with, the laws of the Netherlands.(…)

21.3

All disputes arising out of or in connection with this Agreement, including those concerning its validity, interpretation and performance shall be referred to and conclusively and finally resolved by the competent court in Amsterdam.”

2.3.

Petrolia is bij vonnis van deze rechtbank van 22 november 2017 veroordeeld tot betaling aan [eiser] van USD 1 miljoen, vermeerderd met rente en proceskosten.

2.4.

Op 12 december 2017 is op verzoek van [eiser] executoriaal beslag gelegd op de door Petrolia gehouden aandelen in MPLS. Het beslag is ingeschreven in het aandeelhoudersregister van MPLS en op 20 december 2017 overbetekend aan Petrolia.

2.5.

Bij brief van 14 maart 2018 heeft [eiser] aan Petrolia een “Notice of Default” gestuurd met verwijzing naar artikel 13.4 SA.

2.6.

Bij beschikking van 28 juni 2018 heeft deze rechtbank [eiser] toestemming gegeven voor executoriale verkoop van de ten laste van Petrolia in beslag genomen aandelen, te weten zoveel aandelen als nodig is om de vordering van [eiser] te kunnen voldoen en heeft de rechtbank over de wijze van verkoop nadere bepalingen vastgesteld.

2.7.

Op 23 juli 2018 is door Sunimex Handels-GmbH ten behoeve van Petrolia een bedrag van USD 1.152.919,31 betaald ter voldoening aan het onder 2.3 genoemde vonnis.

2.8.

Op verzoek van Petrolia heeft [eiser] het onder 2.4 bedoelde beslag op 4 oktober 2018 opgeheven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat -
1. te verklaren voor recht dat Petrolia een “Defaulting Shareholder’ is in de zin van artikel 13.4.4 SA;

2. een accountant te benoemen, om:

1. de Fair Market Value of the Shares te bepalen;

II. de Post Valuation Date Profits or Losses te bepalen, en daarop gebaseerd;

III. de Purchase Price te berekenen met bindend effect voor partijen;

3. in het vonnis op te nemen:

I. de procedure van vaststelling van de Purchase Price;

II. de veroordeling van Petrolia om haar aandelen binnen 20 werkdagen na het in kracht van

gewijsde gaan van het vonnis aan [eiser] of een door hem aan te wijzen partij over te

dragen tegen betaling van de Purchase Price in contanten;

III. dat het vonnis in de plaats treedt van de rechtshandelingen om de aandelen over te dragen;

met veroordeling van Petrolia in de kosten van het geding.

3.2.

Petrolia voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 21.3 SA is deze rechtbank bevoegd om van het geschil kennis te nemen. Dit volgt ook uit de artikelen 13.1 tot en met 13.5 SA.

4.2.

Het geschil zal op grond van artikel 21.1 SA worden beoordeeld naar Nederlands recht.

4.3.

[eiser] legt aan de gevorderde verklaring voor recht onder 1 ten grondslag dat Petrolia moet worden beschouwd als Defaulting Shareholder in de zin van artikel 13.4 SA, omdat ten laste van haar beslag is gelegd op haar aandelen in MPLS, welk beslag op die aandelen meer dan drie maanden heeft gerust.
Dat Petrolia inmiddels heeft voldaan aan het vonnis op grond waarvan het beslag op de aandelen was gelegd en dat het beslag is opgeheven doet hier volgens [eiser] niet aan af. De ratio van artikel 13.4.4 is volgens [eiser] bescherming tegen insolventie van de mede-aandeelhouder of daarmee vergelijkbare situaties.

4.4.

Petrolia betwist dat zij Defaulting Shareholder is. De rechter moet volgens artikel 13.4 SA beoordelen of zij ‘in default’ is en dat is nu niet het geval, omdat er geen beslag meer op haar aandelen rust. De ratio van artikel 13.4.4 is volgens Petrolia inmenging van derden te voorkomen. Er bestaat op dit moment geen gevaar dat die inmenging zal optreden.

4.5.

Het geschil spitst zich toe op de uitleg van artikel 13.4 SA zoals weergegeven onder 2.2. Daarbij dient de rechtbank niet alleen te letten op de tekst van deze bepaling, maar ook op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan wat zij zijn overeengekomen mochten toekennen en op wat zij op grond van de overeenkomst redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Omdat het hier gaat om professionele partijen die bij de totstandkoming van de overeenkomst voorzien waren van juridische bijstand, zal aan de bewoordingen van de overeenkomst een groot gewicht moeten worden gehecht.

4.6.

De normale taalkundige betekenis van de onder 2.2 aangehaalde bepaling houdt in dat de rechtbank op het moment dat haar een beslissing wordt gevraagd zal moeten beoordelen of de betrokken aandeelhouder “…has an attachment maintained for at least three months in respect of all or substantially all of its assets.” Dit betekent dat eerst zal moeten worden vastgesteld of er een beslag op (vrijwel) alle activa van de schuldenaar rust en ten tweede - als dat zo is - of dat beslag er ook al meer dan drie maanden op rust. Nu er op dit moment geen beslag op de aandelen rust (en de aandelen naar [eiser] heeft gesteld en Petrolia niet betwist verreweg het grootste activum van Petrolia zijn), is Petrolia dus geen ‘Defaulting Shareholder’.

4.7.

De uitleg die [eiser] verdedigt houdt in dat uit ‘has maintained’ (voltooide tegenwoordige tijd) kan worden afgeleid dat als er gedurende een periode van drie maanden beslag gelegen heeft (ook als dat later is opgeheven) de aandeelhouder moet worden beschouwd als ‘Defaulting Shareholder’. Dit is niet juist.

De zinsnede “maintained for at least three months” is een nadere bepaling van “an attachment”. En dus moet worden beoordeeld of de aandeelhouder ‘has an attachment’ (maintained for at least three months). Het word ‘has’ staat nu juist in de tegenwoordige tijd.

4.8.

Hetgeen door partijen is aangevoerd over de bedoeling van de bepaling, zoals deze blijkt uit de in het kader van onderhandelingen uitgewisselde stukken, geeft geen aanknopingspunten om van de duidelijke taalkundige betekenis van de bepaling af te wijken. Immers zowel indien de bepaling strekt om te beschermen tegen insolventie als indien deze strekt om inmenging van derden te voorkomen is daaruit niet af te leiden dat voor die beoordeling gekeken moet worden naar het verleden in plaats van naar de actuele situatie op het moment dat de rechter moet vaststellen of sprake is van een ‘Defaulting Shareholder’.

4.9.

Het voorafgaande betekent dat de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is en dat de overige vorderingen, die daarop zijn gebaseerd, eveneens moeten worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Petrolia worden begroot op:

- griffierecht 626,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 1.712,00

4.10.

De nakosten en de gevorderde wettelijke rente zijn toewijsbaar op de in de beslissing vermelde wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Petrolia tot op heden begroot op € 1.712,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019.1

1 type: RHCJ coll: