Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9524

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2019
Datum publicatie
27-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3639
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom tot verwijderen hotelkamers en herstel monumentale waarden. Tweede overtreding. Het college was bevoegd handhavend op te treden. Dwangsom niet te hoog vastgesteld. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/3639

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J. Bouter),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H.D. Hosper).

Partijen worden hierna [eiser] en het college genoemd.

Procesverloop

In het besluit van 2 november 2018 (het primaire besluit) heeft het college aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd.

In het besluit van 27 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 december 2019. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. [eiser] exploiteert een hotel op de bovenverdiepingen van een pand op de [adres] . Dit pand is een rijksmonument. De begane grond heeft de bestemming winkelruimte. [eiser] heeft echter op de begane grond vier hotelkamers gebouwd. De begane grond is niet als hotel in gebruik genomen.

2. Het college heeft [eiser] op 25 september 2017 een last onder dwangsom opgelegd. Deze last hield kort gezegd in dat [eiser] de hotelkamers moest verwijderen en het pand moest terugbrengen in de vergunde toestand. Als [eiser] niet aan deze last zou voldoen, zou hij een dwangsom van € 20.000,- verbeuren. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, maar dit bezwaar is op 13 april 2018 ongegrond verklaard. [eiser] heeft hiertegen geen beroep ingesteld bij de rechtbank.

3. Het pand is op 4 en 23 oktober 2018 opnieuw gecontroleerd door handhavers van de gemeente. Zij hebben geconstateerd dat [eiser] niet aan de last onder dwangsom heeft voldaan. Het college heeft daarom in het primaire besluit een tweede last onder dwangsom aan [eiser] opgelegd. In dit besluit is aan [eiser] opgedragen om binnen zes weken de gehele uitbreiding met 4 hotelkamers op de onderste verdieping in het pand (de winkelfunctie), inclusief alle badkamers, toiletruimtes, scheidingswanden, toegangsdeuren of andere aan hotelmatig gebruik gerelateerde zaken te verwijderen en terug te brengen in de vergunde toestand. Als [eiser] niet of niet op tijd aan deze last voldoet, verbeurt hij een dwangsom van € 40.000,-.

4. [eiser] heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. De bezwaarschriftencommissie heeft in bezwaar een advies uitgebracht aan het college. Naar aanleiding van dit advies, heeft het college geconcretiseerd wat moet worden verstaan onder ‘terugbrengen in de vergunde toestand’. De last is als volgt aangevuld: “Bij het terugbrengen van het pand in de vergunde toestand dient weer zichtbaar gemaakt te worden, dan wel gerestaureerd/gereconstrueerd, de schouw, de historische deuren, het onderste deel van de trap rechts en het plafond van stucwerk welke zijn verwijderd dan wel (deels) beschadigd, dan wel achter (voorzet)wanden zijn verdwenen.”. Het college heeft [eiser] daarbij een nieuwe termijn van vier maanden gegeven om aan de last te voldoen.

5. Het college heeft aan deze last ten grondslag gelegd dat [eiser] de begane grond van het pand illegaal heeft verbouwd. Hij heeft namelijk gebouwd ten behoeve van gebruik dat in strijd is met het bestemmingsplan. De begane grond mag volgens het bestemmingsplan namelijk alleen worden gebruikt als winkelruimte en niet als hotel. Daarnaast heeft [eiser] met de verbouwing een rijksmonument gewijzigd. Voor deze activiteiten is een omgevingsvergunning vereist. [eiser] heeft na de verbouwing wel een omgevingsvergunning aangevraagd, maar het college heeft deze tot twee keer toe geweigerd.

Wat vindt de rechtbank van deze zaak?

6. De rechtbank vindt dat het college in dit geval bevoegd was om handhavend op te treden. De rechtbank zal dit oordeel hieronder toelichten.

7. [eiser] heeft aangevoerd dat geen sprake is van gebruik in strijd met het bestemmingsplan. De hotelkamers zijn namelijk nooit als hotelkamers in gebruik genomen. De begane grond wordt nu verhuurd als pop-up store. De hotelkamers worden daarbij gebruikt voor opslag. Bovendien zijn de badkamers niet meer als badkamer te gebruiken. Er zijn bijvoorbeeld wc-potten en douchekoppen weggehaald en de deuren van de badkamers zijn dichtgeschroefd, aldus [eiser] .

8. De rechtbank is van oordeel dat het niet relevant is dat [eiser] de hotelkamers nooit als zodanig in gebruik heeft genomen. Van doorslaggevende betekenis is dat [eiser] de begane grond heeft verbouwd met het doel om het als hotel te gaan gebruiken. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren dat bestaat uit het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.1 Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat in dit kader ook moet worden beoordeeld met welk doel wordt gebouwd of verbouwd. Als wordt verbouwd met het doel om een gebouw te gaan gebruiken op een manier die volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan, is een omgevingsvergunning vereist.2 [eiser] heeft in dit geval erkend dat hij de begane grond als hotel wilde gaan gebruiken en dat de verbouwing met dat doel is uitgevoerd. Het is ook duidelijk dat hij dat nog steeds wilde toen de last werd opgelegd. Hij heeft namelijk op 24 januari 2019 nog een omgevingsvergunning aangevraagd. Omdat de begane grond van het pand een winkelbestemming heeft, was het college in dit geval bevoegd om handhavend op te treden en [eiser] te verplichten om de hotelkamers te verwijderen.

9. [eiser] heeft verder aangevoerd dat de monumentale status van het pand alleen ziet op de buitenkant van het pand. Hij is niet gehouden om het interieur te restaureren. Bovendien is het interieur volgens [eiser] niet aangetast. Er zijn alleen voorzetwanden geplaatst, maar de oorspronkelijke plafonds en muren zijn daarmee niet aangetast.

10. De rechtbank geeft [eiser] ook op dit punt geen gelijk. De monumentale status heeft in principe betrekking op het gehele pand en dus ook op het interieur. Voor het wijzigen van een monument, is een omgevingsvergunning vereist.3 Uit het Besluit omgevingsrecht (Bor) volgt echter dat voor het wijzigen van een monument geen omgevingsvergunning is vereist als er alleen inpandige veranderingen plaatsvinden ten aanzien van een onderdeel van het monument dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft.4 De rechtbank vindt dat het college in dit geval voldoende heeft onderbouwd dat de onderdelen van het interieur van het pand waar de last op ziet monumentale waarde hebben. Op 24 februari 2016 heeft een medewerker van het Bureau Monumenten & Archeologie (M&A) het pand bezocht en een omschrijving opgemaakt van de monumentale waarden van het pand. Hieruit volgt duidelijk welke onderdelen op de begane grond monumentale waarde hebben. Het college heeft de last op deze beschrijving gebaseerd. [eiser] heeft het monument gewijzigd door het plafond aan het zicht te onttrekken en de schouw, de historische deuren en het onderste deel van de trap rechts te verwijderen. De rechtbank vindt daarom dat het college bevoegd was om hier handhavend tegen op te treden.

11. [eiser] heeft op de zitting nog aangevoerd dat er nooit een schouw en een bijzondere trap op de begane grond aanwezig zijn geweest. De medewerker van M&A heeft deze onderdelen echter wel waargenomen. Zij heeft ook in haar verslag opgenomen dat enkele onderdelen van de schouw nog los in het pand aanwezig waren. [eiser] heeft zijn standpunt dat deze onderdelen niet aanwezig waren niet onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om [eiser] in dit standpunt te volgen.

12. De rechtbank vindt verder dat het college de last in bezwaar voldoende duidelijk heeft omschreven. Uit het bestreden besluit volgt duidelijk wat [eiser] moet doen om aan de last te voldoen. De hotelkamers en badkamers moeten volledig worden verwijderd, inclusief de aangebrachte scheidingswanden, en de monumentale waarden moeten worden hersteld zoals in het bestreden besluit omschreven. Als [eiser] behoefte had aan nadere afstemming, had het in dit geval op zijn weg gelegen om contact op te nemen met het college of met M&A.

13. Tot slot kan de beroepsgrond van [eiser] dat de dwangsom te hoog is ook niet slagen. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft tot doel om de overtreder te bewegen tot naleving van de regels. De dwangsom moet daarom een duidelijke prikkel vormen, zodat de overtreder de last uitvoert zonder dat de dwangsom wordt verbeurd.5 In deze zaak is voor de tweede keer een last aan [eiser] opgelegd, omdat hij aan de eerste last niet had voldaan. Kennelijk vormde een last met een dwangsom van € 20.000,- voor [eiser] onvoldoende prikkel om aan de last te voldoen. De rechtbank acht het daarom niet onredelijk dat in dit geval de dwangsom op € 40.000,- is gesteld. [eiser] heeft aangevoerd dat hij al € 100.000,- heeft uitgegeven aan de verbouwing en dat hij financieel in de problemen komt. De rechtbank begrijpt dat deze situatie een zware financiële last vormt voor [eiser] , maar dit zijn geen omstandigheden die bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom een rol kunnen spelen.

Conclusie

14. De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.R. Vlierhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2185, r.o. 2.2.

3 Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo.

4 Zie artikel 2.5a van het Bor en artikel 3a, aanhef en tweede lid, van bijlage II van het Bor.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3198.